Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6764

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2019
Datum publicatie
13-01-2022
Zaaknummer
6921179 AC EXPL 18-1574 (hoofdzaak) 6921232 AC EXPL 18-1575 (vrijwaringszaak)
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2020:553
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Eenzijdig ongeval met tankwagen. Subrogatie verzekeraar in vordering van werkgever op werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

Vonnis d.d. 10 april 2019

zaaknummer: 6921179 AC EXPL 18-1574 (hoofdzaak)

en

zaaknummer: 6921232 AC EXPL 18-1575 (vrijwaringszaak)

inzake

de naamloze vennootschap

Allianz Nederland Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verder ook te noemen Allianz,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J. Verbeeke,

tegen:

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [A] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.B. Bruinsma

en

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [A] ,

eisende partij in vrijwaring,

gemachtigde: mr. M.B. Bruinsma

tegen:

[B] ,

wonende te [woonplaats]

verder ook te noemen [B]

gedaagde partij in vrijwaring,

gemachtigde: mr. C.D.R. Schoonderbeek

1 De procedure in de hoofd- en vrijwaringszaak

1.1.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 juni 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de conclusie van repliek van Allianz van 8 augustus 2018

  • -

    de conclusie van dupliek van [A] van 26 september 2018.

1.2.

Het verloop van de procedure in vrijwaring blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 juni 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de conclusie van repliek van [A] van 5 september 2018

  • -

    de conclusie van dupliek van [B] van 26 september 2018.

1.3.

De comparitie in beide zaken heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Daarbij waren aanwezig: namens Allianz haar advocaat, [A] en zijn advocaat en [B] en zijn advocaat. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht. Zij hebben op vragen van de kantonrechter geantwoord en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft daarvan aantekening gemaakt.

1.4.

Daarna is de datum voor het vonnis bepaald.

2 De feiten en het geschil

2.1.

[A] was als chauffeur van melktankwagens in dienst van [B] toen hij op 3 januari 2014 rond 10 uur in de ochtend tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden betrokken raakte bij een eenzijdig ongeval. [A] was op het moment van het ongeval onder invloed van alcohol. De melktankwagen die [A] bestuurde is bij het ongeval gekanteld en daarbij beschadigd geraakt. De schade bedraagt volgens Allianz, de verzekeraar van [B] , € 116.046,46. Zij baseert zich daarbij op twee expertiserapporten en een aanvullend expertiserapport. Onder aftrek van het eigen risico van [B] heeft Allianz € 114.796,46 aan [B] vergoed.

2.2.

Allianz stelt dat de schade aan de melktankwagen is uitgesloten van de dekking van de verzekering omdat [A] deze bestuurde onder invloed van te veel alcohol. Zij wil de door haar vergoede schade daarom op [A] verhalen en vordert betaling van:

hoofdsom € 114.796,46

buitengerechtelijke incassokosten € 1.933,46

btw € 406,03

rente tot 9 maart 2018 € 2.701,99

totaal € 119.837,94

Verder vordert Allianz de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 9 maart 2018 tot de voldoening en veroordeling van [A] in de proces- en nakosten.

2.3.

Allianz baseert haar vordering primair op artikel 15 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Subsidiair stelt zij te zijn gesubrogeerd in de schade van [B] . En als meer subsidiaire grondslag baseert Allianz haar vordering op onrechtmatig handelen van [A] .

2.4.

[A] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van Allianz in de proceskosten.

2.5.

Verder heeft [A] zijn oud-werkgever [B] in vrijwaring opgeroepen. Op het moment van het ongeval was [A] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam voor [B] en de schade is ontstaan tijdens het uitoefenen van [A] werkzaamheden. Voor het geval de vordering van Allianz wordt toegewezen, vordert [A] betaling van [B] van dat wat [A] moet betalen aan Allianz.

2.6.

[B] heeft op zijn beurt gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in de vrijwaringszaak.

3 De beoordeling van de hoofdzaak

3.1.

De kantonrechter beoordeelt hierna de vordering van Allianz en gaat daarbij in op de stellingen van partijen voor zover deze relevant zijn.

Primaire grondslag - Artikel 15 WAM

3.2.

Allianz stelt dat zij de schade aan [B] heeft vergoed, terwijl die niet onder de dekking van de verzekeringen voor de trekker en oplegger van de melktankwagen valt. Zij heeft daarom op grond van artikel 15 WAM verhaal op [A] als de aansprakelijke persoon, zo stelt Allianz.

3.3.

Bij de comparitie heeft [A] onweersproken aangevoerd dat de schade die Allianz aan [B] heeft vergoed, geen schade is van een benadeelde derde. Het gaat immers om schade van de eigen verzekerde van Allianz, namelijk [B] . Bij schade van de eigen verzekerde is de WAM niet van toepassing, aldus [A] .

3.4.

Allianz heeft dit niet weersproken en ook overigens is het juist dat de WAM niet van toepassing is. Dat betekent dat de vordering niet kan worden toegewezen op deze primaire grondslag.

Subsidiaire grondslag - Subrogatie

3.5.

Allianz stelt als subsidiaire grondslag dat zij is gesubrogeerd in de vordering die [B] heeft op [A] . [B] kan volgens Allianz de schade op [A] verhalen omdat het ongeval is te wijten aan opzet en bewuste roekeloosheid van [A] . Die heeft het ongeval namelijk veroorzaakt bij zijn reguliere werkzaamheden onder invloed van alcohol. Vanwege die opzet en roekeloosheid is subrogatie toch mogelijk, ook al betreft het een vordering van [B] op een werknemer, aldus Allianz.

3.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is subrogatie door Allianz (pas) aan de orde als vaststaat dat [B] een vordering heeft op [A] . Immers, artikel 7:962, lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) bepaalt dat wanneer een verzekerde ( [B] ) schade heeft geleden en een vordering heeft tot vergoeding van die schade op een derde ( [A] ), die vordering overgaat op de verzekeraar als deze al dan niet verplicht de schade heeft vergoed. Er moet dus sprake zijn van i) schade bij [B] , ii) een vordering van [B] tot vergoeding van die schade op [A] en iii) vergoeding van de schade door Allianz.

3.7.

Aan voorwaarde i) is voldaan. Vaststaat dat [B] schade heeft geleden als gevolg van het ongeval waarbij de melktankwagen is gekanteld. [A] heeft de omvang van de schade betwist, maar niet weersproken dat er schade is. Ook aan voorwaarde iii) is voldaan. Weliswaar heeft [A] betwist dat er betalingen zijn gedaan door Allianz aan [B] , maar nadien heeft Allianz betalingsbewijzen overgelegd en heeft [A] de betalingen niet langer weersproken. De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat Allianz als verzekeraar [B] € 114.796,46 heeft vergoed.

3.8.

Aan voorwaarde ii) is voldaan als [B] een vordering heeft op [A] tot vergoeding van de schade. Omdat [A] op het moment van het ongeval op basis van een arbeidsovereenkomst werkte voor [B] , is voor die beoordeling artikel 7:661 BW relevant. Hierin is het uitgangspunt vastgelegd dat een werknemer die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan zijn werkgever, daarvoor tegenover die werkgever niet aansprakelijk is, tenzij de schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. De Hoge Raad heeft dit criterium zo uitgelegd dat moet komen vast te staan dat de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging.

Bewuste roekeloosheid

3.9.

Allianz stelt onweersproken dat de schade aan de melktankwagen door [A] is veroorzaakt tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Verder stelt zij dat het ongeval het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [A] . Zij onderbouwt die stelling als volgt. [A] heeft het ongeval veroorzaakt als beroepschauffeur tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Het verrichten van die werkzaamheden onder invloed van alcoholhoudende drank in de ernst en mate als uit het proces-verbaal van de politie blijkt, moet volgens Allianz worden aangemerkt als (voorwaardelijk) opzettelijk dan wel bewust roekeloos.

3.10.

[A] heeft aangevoerd dat hij met het geconstateerde promillage alcohol de limiet slechts gering heeft overschreden. Verder betwist hij dat het feit dat hij onder invloed van alcohol was van invloed is geweest op het ongeval. Het verband tussen het alcoholgebruik en het ongeval staat niet vast omdat het volgens [A] ook zonder alcoholgebruik zou hebben plaatsgevonden vanwege:

  • -

    een niet verharde, zachte berm;

  • -

    een groot hoogteverschil tussen de berm en het wegdek;

  • -

    de weersomstandigheden;

  • -

    de wind ter plaatse;

  • -

    het systeem van de zelfsturende achteras die bij hogere snelheden niet wordt geblokkeerd;

  • -

    het feit van algemene bekendheid dat beladen tankauto’s een lage stabiliteit hebben en een verhoogd risico op omslaan;

  • -

    in het bijzonder vrachtwagens voor het vervoer van vloeistoffen, zoals melk, regelmatig van de weg raken om uiteenlopende redenen, vrijwel altijd zonder aanwijsbare/eenduidige oorzaak.

3.11.

[A] heeft verder onder meer nog het volgende aangevoerd. Met het rijden onder invloed van alcohol is hij niet zodanig ernstig tekort geschoten dat hij tegenover [B] aansprakelijk is voor de schade. Hij was zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval niet daadwerkelijk bewust was van mogelijke roekeloosheid. Het beperkte alcoholpercentage dat is geconstateerd, was geen aanleiding rekening te houden met een situatie waarbij hij mogelijk niet in staat zou zijn de melktankwagen te besturen en passend te corrigeren. Dit alles aldus [A] .

3.12.

Allianz heeft daar samengevat het volgende tegenover gezet. De schade aan de melktankwagen is ontstaan bij een eenzijdig ongeval dat door [A] is veroorzaakt. De melktankwagen was pas een jaar oud (bouwjaar 2013) en daaraan zijn geen gebreken geconstateerd.

3.13.

[A] heeft dit niet weersproken. Hij heeft nog wel gewezen op het feit dat de tachograafgegevens geen bijzonderheden vertonen tot aan het ongeval en dat hij niet te hard heeft gereden. Van roekeloos rijden is volgens hem dus geen sprake geweest. Verder voert [A] aan dat hij zich fit voelde voordat hij ging rijden, zoals hij bij de politie heeft verklaard.

3.14.

De kantonrechter overweegt dat vaststaat dat [A] heeft gereden onder invloed van te veel alcohol. In zijn bloed bleek om 12 uur ’s middags nog 1.1 promille alcohol aanwezig. Dat is twee keer zoveel als de limiet van 0,53 die wettelijk geldt om nog te mogen rijden (zijn advocaat noemt ten onrechte een limiet van 0,8). Het rijden onder invloed van te veel alcohol is bij wet verboden, terwijl de toepasselijke cao bepaalt dat een beroepschauffeur zijn werk verricht zonder onder invloed van alcohol te zijn, zoals Allianz heeft aangevoerd en [A] niet heeft weersproken. [A] wist dat hij niet onder invloed van alcohol mocht rijden, zoals hij ook bij de politie verklaard. Hij heeft toen verder verklaard dat hij die ochtend heeft gemerkt dat hij nog alcohol in zijn lichaam had, maar dat hij zich fit genoeg voelde om te werken en er geen acht op heeft geslagen. Hij had die nacht vijf en half uur geslapen.

3.15.

Omdat [A] beroepschauffeur is, mag van hem worden verwacht dat hij zich voortdurend bewust is van het gevaar van het rijden onder invloed van alcohol. De dagelijkse routine die het rijden voor hem is, kan geen reden zijn voor verminderde aandacht voor de gevaren waartoe het gebruik van alcohol in het verkeer kan leiden, nog afgezien van het feit dat het rijden onder invloed niet is toegestaan op grond van de toepasselijke cao. Dat [A] desondanks die ochtend is gaan rijden terwijl hij wist dat hij nog alcohol in zijn lichaam had, rekent de kantonrechter hem extra aan omdat hij beroepschauffeur is. Het rijden onder invloed brengt immers zodanige risico’s mee voor [A] zelf en voor andere weggebruikers, dat van hem als beroepschauffeur mag worden verwacht dat hij zich daarvan dagelijks bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden rekenschap geeft.

3.16.

[A] wist dat hij niet mocht rijden met alcohol op en hij wist dat hij nog alcohol in zijn lichaam had toen hij die dag begon met zijn werk. Ondanks die wetenschap is hij de openbare weg opgegaan onder invloed van alcohol en heeft daarmee voor zichzelf en andere weggebruikers een onaanvaardbaar risico genomen. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij zijn werk is gestart om half zeven in de ochtend. Om 11.58 uur is bij [A] bloed afgenomen. Het alcoholpromillage om half zeven die ochtend moet dus nog hoger zijn geweest dan de gemeten 1,1 promille. Het ongeval is rond 10 uur gebeurd, drie en een half uur nadat [A] is gaan rijden. Hij had in die drie en een half uur steeds kunnen besluiten de melktankwagen alsnog te parkeren, maar heeft dat niet gedaan. De kantonrechter oordeelt dat met dit alles voldoende vaststaat dat [A] onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval bewust roekeloos heeft gehandeld door onder invloed van twee keer zoveel alcohol als wettelijk toegestaan achter het stuur te gaan én blijven zitten.

Causaal verband

3.17.

[A] heeft het causale verband betwist tussen zijn rijden onder invloed en het ongeval. Hij voert daartoe aan dat het ongeval sowieso was gebeurd, ook als hij niet onder invloed van alcohol was geweest vanwege de omstandigheden als hiervoor genoemd onder 3.10. De bewijslast voor dit causale verband ligt op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij Allianz als eisende partij. Allianz stelt dat dit causale verband aanwezig is en onderbouwt dit door te verwijzen naar de omstandigheid dat de melktankwagen waarmee [A] onderweg was vrijwel nieuw was en dat bij inspectie na het ongeval geen gebreken aan die auto zijn geconstateerd. Ook de andere omstandigheden die [A] noemt leiden er volgens Allianz niet toe dat [A] niet veilig met de melktankwagen heeft kunnen rijden. Het ongeval moet dus zijn te wijten aan de omstandigheid dat [A] onder invloed was van alcohol, aldus Allianz.

3.18.

De kantonrechter overweegt dat [A] tekort is geschoten tegenover [B] in de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst. Immers, op grond van de cao is rijden onder invloed van alcohol niet toegestaan, terwijl [A] bewust onder invloed van alcohol de melktankwagen is gaan besturen. Daar komt bij dat [A] de wettelijke limiet heeft overschreden. Deze limiet is er juist met het oog op de verkeersveiligheid. Door te gaan rijden in de wetenschap dat hij onder invloed was van alcohol, heeft [A] het risico op een ongeval aanmerkelijk vergroot. En vervolgens heeft dit risico zich ook verwezenlijkt doordat de melktankwagen waarmee [A] onderweg was, is gekanteld.

3.19.

Nu verder vaststaat dat het ongeval door [A] is veroorzaakt omdat het immers een eenzijdig ongeval is, heeft Allianz voorlopig voldoende onderbouwd gesteld dat het ongeval is te wijten aan het feit dat [A] onder invloed van alcohol was toen het ongeval gebeurde. De melktangwagen was in orde, zoals ook door [A] erkend en er is vooralsnog niet gebleken dat een andere oorzaak dan een (stuur)fout van [A] de oorzaak was.

3.20.

[A] heeft hier vooralsnog onvoldoende tegenover gesteld. De kantonrechter ziet in de omstandigheden die [A] aanvoert als mogelijke verklaring voor het ongeval, zoals het weer, de hoogte van de berm, etc., wel aanleiding hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunt dat het ongeval sowieso zou zijn gebeurd, ook als hij niet onder invloed van alcohol was geweest, te bewijzen. [A] heeft die feiten nog niet aannemelijk gemaakt, maar wel voldoende gesteld en bewijs aangeboden.

3.21.

De kantonrechter komt dus voorlopig tot het oordeel dat hij de stelling van Allianz bewezen acht dat het ongeval op 3 januari 2014 met de melktankwagen is te wijten aan bewuste roekeloosheid van [A] omdat hij wist dat hij onder invloed van alcohol was en toch is gaan rijden. Maar, [A] krijgt de gelegenheid om tegenwijs te leveren: hij mag trachten dit bewijsvermoeden te ontzenuwen.

Meer subsidiaire grondslag - Onrechtmatige daad

3.22.

Allianz heeft als meer subsidiaire grondslag gesteld dat [A] onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld door schade te veroorzaken die zij heeft vergoed. [A] betwist dit.

3.23.

De kantonrechter oordeelt dat [A] niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Allianz. Allianz heeft de schade van [B] die [A] heeft veroorzaakt namelijk vergoed op basis van de tussen Allianz en [B] gesloten verzekeringsovereenkomst. De rol van [A] bij het ontstaan van die schade is daarbij niet van belang (geweest). De vordering van Allianz op [A] kan dan ook niet slagen op grond van deze meer subsidiaire grondslag.

Subrogatie verzekeraar - werkgever - werknemer

3.24.

De rol van [A] bij het ontstaan van de schade van [B] is wél relevant voor het antwoord op de vraag of Allianz kan worden gesubrogeerd in de vordering die [B] volgens Allianz heeft op [A] . Om partijen inzicht te geven in hun verdere procespositie, beantwoordt de kantonrechter daarom nu alvast de vraag of Allianz is gesubrogeerd in de vordering van [B] voor het geval [A] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs.

3.25.

Stel dat [A] niet slaagt in het ontzenuwen van de voorlopig bewezen geachte stelling van Allianz dat het ongeval is te wijten aan bewuste roekeloosheid van [A] , dan komt daarmee vast te staan dat het ongeval is te wijten aan bewuste roekeloosheid van [A] en dan is hij aansprakelijk voor de schade die [B] daardoor lijdt. [B] heeft daarmee dan dus een vordering op [A] . Dat betekent dat aan alle drie de voorwaarden voor subrogatie is voldaan. Maar, wanneer een verzekeraar, een werkgever en een werknemer betrokken zijn, geldt ook nog de volgende regel: een verzekeraar krijgt alleen een vordering uit subrogatie van een verzekerde (hier [B] ) op een werknemer (hier [A] ) als die werknemer aansprakelijk is tegenover de verzekerde wegens een omstandigheid die een uitkering in de weg zou hebben gestaan als die de verzekerde zou zijn toe te rekenen (artikel 7:962, lid 3 BW).

3.26.

Allianz heeft hierover onweersproken gesteld dat haar verzekeringspolis geen dekking geeft indien de schade is ontstaan terwijl de bestuurder van het motorrijtuig onder zodanige invloed van alcohol verkeerde, dat het besturen van het motorrijtuig hem door de wet zou zijn verboden. De kantonrechter begrijpt deze bepaling zo, dat de oorzaak van de schade niet bepalend is en het feit alleen al dat een bestuurder teveel alcohol op heeft, volstaat bij deze uitsluiting van dekking. Deze situatie is aan de orde nu [A] onder invloed was van teveel alcohol, zodat de uitzondering van toepassing is op de hiervoor genoemde regel. Dat betekent dat als [A] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, Allianz is gesubrogeerd in de vordering van [B] op [A] , ook al bestond tussen [B] en [A] een werkgever-werknemer relatie.

3.27.

De kantonrechter wijst er op dat deze overwegingen onder 3.25. en 3.26. alleen relevant zijn voor het geval [A] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs en zijn aansprakelijkheid dus vast zou staan.

3.28.

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.

4 De beoordeling van de vrijwaringszaak

4.1.

De vraag of [B] gehouden is [A] te vrijwaren, is pas aan de orde als [A] in de hoofdzaak wordt veroordeeld. Nu daarover nog geen oordeel is gegeven, houdt de kantonrechter ook in de vrijwaringszaak iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak:

5.1.

laat [A] toe tegenbewijs te leveren zoals hiervoor onder 3.21. vermeld;

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 mei 2019 om [A] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven of hij bewijs wil leveren en zo ja, op welke wijze hij dat wil doen;

5.3.

bepaalt dat [A] , indien hij (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, hij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat [A] , indien hij bewijs wil leveren door het horen van getuigen, hij op die rolzitting de getuigen moet opgeven en de verhinderdagen moet opgeven van partijen in de hoofdzaak, (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de maanden mei tot en met juli 2019, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Utrecht aan het Vrouwe Justitiaplein 1,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak:

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Janssen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2019.

MMJW 38374