Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6759

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2019
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
7167682 UC EXPL 18-9583
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanzegging dat ao voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd is niet geconverteerd in een opzegging van een ao voor onbepaalde tijd. HR 17 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:2905

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0863
RAR 2021/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7167682 UC EXPL 18-9583 VS/1257

Vonnis van 13 maart 2019

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. D.F. Tirkes, werkzaam bij FNV Individuele Belangenbehartiging,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M. de Beijer, werkzaam bij D.A.S. Rechtsbijstand.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 december 2018

  • -

    de toelichting op de loonberekening van de zijde van [eiser] en de mededeling dat [eiser] niet ter zitting zal verschijnen

  • -

    de comparitie op 12 februari 2019, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1957, is op 19 mei 2015 in dienst getreden van [onderneming 1] B.V. te [vestigingsplaats] in de functie van allround chauffeur, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op 19 december 2015 is [eiser] in dienst getreden bij [gedaagde] voor de duur van twaalf maanden, eveneens in de functie van allround chauffeur. Deze arbeidsovereenkomst is per 19 december 2016 verlengd voor de duur van twaalf maanden. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 2.365,95 bruto per maand, exclusief emolumenten.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomsten zijn, onder meer, de bepalingen van de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen 2017-2020 (hierna: de TLN-CAO) van toepassing.

In de TLN-CAO zijn in dit geval de volgende artikelen relevant.

Artikel 26 (loonberekening) lid 2. a.:

Alle diensturen worden uitbetaald onder aftrek van de pauzetijden conform de staffel welke is opgenomen in bijlage III en onder aftrek van de aaneengesloten rust, met als minimum de in de EG-Verordening 561/2006 voorgeschreven rusttijden (zie bijlage III).

Artikel 40 (Vergoeding van verblijfskosten) lid 1:

Aan de werknemer worden volgens het in lid 3 van dit artikel opgenomen schema de onderweg gemaakte kosten vergoed bestaande uit maaltijden, overige consumpties en sanitaire voorzieningen. (…)

Lid 3. De verblijfskostenvergoeding bedraagt per 1 januari 2017:

lid 3.a. Bij ééndaagse ritten:

- korter dan 4 uur geen onbelaste vergoeding

- langer dan 4 uur € 0,60 per uur

per 1 juli 2017 € 0,61 per uur

(…)

2.3.

In haar brief van 17 november 2017 meldt [gedaagde] het volgende:

“(…)

Op 19 december 2017 loopt uw tijdelijke arbeidsovereenkomst af. Zoals wij inmiddels hebben besproken, wordt deze overeenkomst niet verlengd. Uw laatste werkdag is derhalve op 18 december 2017. Met deze brief bevestigen wij het dan ook het beëindigen van uw dienstverband.

(…)”

2.4.

In haar brief van 28 november 2017 herhaalt [gedaagde] het vorenstaande.

2.5.

In zijn brief van 8 december 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] , voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als volgt gereageerd. Er is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. [eiser] gaat er vanuit dat hij na 18 december 2017 aan het werk kan blijven. Verder heeft [gedaagde] toeslagen niet correct uitbetaald. Op basis van loonstroken van [eiser] en de TLN-CAO is er een loonberekening gemaakt. Deze berekening wijst uit dat [gedaagde] nog een brutobedrag van € 13.816,76 (achterstallig loon en toeslagen) en een nettobedrag van € 3.769,05 (verblijfskostenvergoeding) aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] wordt verzocht om dit bedrag binnen veertien dagen na ontvangst van de brief aan [eiser] over te maken.

2.6.

[gedaagde] heeft bij brief van 12 december 2017, voor zover hier van belang, meegedeeld dat het contract bij [onderneming 1] B.V. op 19 december 2015 is geëindigd. [eiser] is op 19 december 2015 in dienst getreden bij [gedaagde] , maar dit is een andere onderneming dan [onderneming 1] B.V. [eiser] heeft in eerste instantie een contract gekregen voor één jaar. Dit contract is verlengd met één jaar en zal eindigen op 19 december 2017.

Wat betreft de loonberekening merkt [gedaagde] op dat [eiser] ook vakantiedagen heeft opgenomen wat ten onrechte niet op het overzicht staat. Verder heeft [eiser] voornamelijk gewerkt bij [onderneming 2] te [vestigingsplaats] en daarom heeft hij geen recht op verblijfskosten. [gedaagde] zegt toe dat zij de andere diensten van [eiser] zal controleren en indien nodig zal aanpassen. Een berekening volgt nog.

2.7.

[eiser] heeft sinds 19 december 2017 geen werkzaamheden voor [gedaagde] verricht.

2.8.

[gedaagde] heeft in haar brief van 28 december 2017 een overzicht van de gewerkte uren van [eiser] gegeven en daarbij rekening gehouden met inschaling in salarisschaal D3 in de periode 19 december 2015 tot en met december 2016 en in salarisschaal D4 vanaf januari 2017 tot juni 2017. Er is te weinig salaris uitbetaald en [gedaagde] zal de betaling daarvan in orde maken.

2.9.

[eiser] heeft de kantonrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij vonnis van 23 mei 2018 (zaaknummer 6787843 UV EXPL 19-94) heeft de kantonrechter

– voor zover hier van belang – de vordering tot wedertewerkstelling en loonbetaling vanaf 19 december 2017 afgewezen en de vordering tot betaling van achterstallig loon en verblijfskosten toegewezen tot bedragen van € 7.565,15 bruto respectievelijk € 3.080,11 netto.

2.10.

[gedaagde] heeft voornoemde bedragen aan [eiser] uitbetaald.

2.11.

[eiser] heeft begin 2018 een ongeval gehad, waarbij hij hersenletsel heeft opgelopen. [eiser] wordt momenteel behandeld in een kliniek voor personen met niet-aangeboren hersenletsel.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert [eiser] de veroordeling van [gedaagde] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

- [eiser] , nadat hij beter is gemeld, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot de bedongen werkzaamheden op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen;

aan [eiser] te betalen

  1. een bedrag van € 2.365,95 bruto per maand ter zake het salaris van [eiser] alsmede al het overige dat [gedaagde] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, wet of andere regeling verschuldigd is of nog zal zijn, zulks op de gebruikelijke tijdstippen, vanaf 19 december 2017 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

  2. een bedrag van € 6.251,61 bruto zijnde achterstallig salaris over de periode 19 mei 2015 tot 19 december 2017;

  3. een bedrag van € 688,94 netto zijnde verblijfskosten over de periode

19 mei 2015 tot 19 december 2017;

de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% over de onder A tot en met C genoemde posten;

een bedrag van € 450,00 (exclusief BTW) ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

de wettelijke rente over alle voornoemde gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd;

de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde van [eiser] en het griffierecht daaronder begrepen.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat hij voor onbepaalde tijd in dienst is bij [gedaagde] . Hij heeft dus recht op loon vanaf 19 december 2017 tot het moment dat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd. Verder heeft [gedaagde] het loon, toeslagen en vergoeding waarop [eiser] op grond van artikel 21 lid 2a en artikel 40 van de CAO recht op heeft, niet correct uitbetaald.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Wedertewerkstelling en (door)betaling van loon

4.1.

De vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is, zo stelt [gedaagde] in haar conclusie, geen geschilpunt meer.

4.2.

Partijen zijn wel verdeeld over de vraag of de aanzegging van [gedaagde] in haar brief van 17 november 2017 is geconverteerd in een opzegging van de arbeidsovereenkomst (van onbepaalde tijd). Indien die conversie wordt aangenomen, had [eiser] , gelet op artikel 7:681 in samenhang gelezen met artikel 7:686a lid 4 BW, binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd de kantonrechter moeten verzoeken deze opzegging te vernietigen.

4.3.

De kantonrechter heeft in zijn kort geding vonnis van 23 mei 2018 (r.o. 2.8.) voorlopig geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] de aanzegging van [gedaagde] heeft opgevat als een opzegging. Omdat niet is gebleken dat [eiser] binnen de vervaltermijn heeft verzocht om vernietiging van die opzegging zag de kantonrechter geen aanleiding om vooruit te lopen op een voor [eiser] gunstige beslissing in de bodemprocedure. De vorderingen tot wedertewerkstelling en tot betaling van loon vanaf 19 december 2017 zijn daarom afgewezen.

4.4.

[eiser] voert nu aan dat hij de aanzegging niet als opzegging heeft opgevat. [gedaagde] heeft immers aangegeven dat het dienstverband voor bepaalde tijd niet verlengd zou worden. [eiser] is weer aan het werk gegaan maar is door [gedaagde] weggestuurd. Vanuit de gedachte dat de werknemer bescherming verdient is het onwenselijk om een aanzegging al te snel als opzegging aan te merken. [eiser] verwijst in dit verband naar rechtspraak waarin een bevestiging van zijn standpunt kan worden gelezen.

4.5.

[gedaagde] stelt daar tegenover dat uit de bewoordingen van haar brieven duidelijk blijkt dat [gedaagde] de intentie had de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De brief van 17 november 2017 moet daarom worden aangemerkt als een opzegging en [eiser] heeft dat, gezien de inhoud van de brief van de gemachtigde van [eiser] van 8 december 2017, ook zo opgevat. De vervaltermijn van artikel 7:686a BW gold dus onverkort. Omdat [eiser] deze termijn ongebruikt heeft laten verstrijken is er sprake van een rechtsgeldige opzegging.

4.6.

De kantonrechter stelt voorop dat een vonnis in kort geding slechts voorlopige oordelen bevat waaraan partijen en de rechter noch in een bodemprocedure, noch in een later kort geding gebonden zijn (vergelijk artikel 257 Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering).

4.7.

Zoals in r.o. 4.1. is overwogen is niet langer in geschil dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestond.

4.8.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2905) overwogen dat in dat kader de vraag moet worden beantwoord of de werknemer de aanzegging van de werkgever, in het licht van de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs heeft mogen opvatten als een beëindiging van deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (in plaats van als een (zinledige) aanzegging als bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW). Daarbij verdient opmerking dat een aan de zijde van de werkgever bestaande misvatting over de geldende looptijd van de arbeidsovereenkomst (voor bepaalde dan wel voor onbepaalde tijd), die tot gevolg heeft dat haar mededeling niet adequaat en (daardoor) niet eenduidig is, bij de uitleg van die mededeling niet zonder meer ten nadele van de werknemer mag werken. Bij die uitleg zijn immers alle omstandigheden van het geval van belang. Tot die omstandigheden behoren ook de aan die mededeling, al naar gelang de daaraan te geven betekenis, verbonden rechtsgevolgen voor de werknemer in dat concrete geval. Indien wordt aangenomen dat de mededeling van de werkgever kwalificeert als een opzegging is van belang dat sprake is van een vervaltermijn van twee maanden om tegen de onregelmatige opzegging op te komen (7:686a lid 4 BW).

4.9.

In het licht van het voormelde toetsingskader overweegt de kantonrechter het volgende. [gedaagde] heeft in deze procedure weliswaar te kennen gegeven dat de vraag of tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geen geschilpunt meer is, maar dat neemt niet weg dat [gedaagde] ten tijde van de aanzegging ervan overtuigd was dat sprake was een dienstverband voor bepaalde tijd dat op 18 december 2017 afliep. In haar brief van 17 november 2017 heeft [gedaagde] dus onmiskenbaar bedoeld te voldoen aan haar verplichting uit hoofde van artikel 7:668 lid 1 BW. Die verplichting heeft een ander karakter dan de opzegging en is bedoeld ter voorkoming van het verschuldigd worden van de vergoeding van artikel 7:668 lid 3 BW. Ook in haar brief van 28 november 2017 meldt [gedaagde] dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd [cursivering kantonrechter]. De stelling van [gedaagde] dat zij in haar brief van 17 november 2017 niet slechts heeft aangegeven dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd, maar ook in niet mis te verstane bewoordingen aan [eiser] heeft bevestigd dat het dienstverband werd beëindigd, volgt de kantonrechter dan ook niet. Al aangenomen dat [gedaagde] bedoeld zou hebben ook een eventueel dienstverband voor onbepaalde tijd te beëindigen, dan valt niet in te zien waarom zij in haar brief van 12 december 2017 - in reactie op de suggestie van [eiser] in zijn brief van 8 december 2017 dat sprake zou zijn van een dienstverband voor onbepaalde tijd - dit uitdrukkelijk van de hand heeft gewezen. [gedaagde] handhaaft in die brief immers haar standpunt dat [gedaagde] een andere onderneming is dan [onderneming 1] B.V. en verwerpt dus de stelling van [eiser] dat sprake is van opvolgend werkgeverschap waardoor tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn ontstaan. Gelet op deze duidelijke (en niet voor een andere uitleg vatbare) stellingname van [gedaagde] ziet de kantonrechter niet in dat [eiser] er desondanks op bedacht had moeten zijn dat de brief van 17 november 2017 óók een opzegging (zonder zijn instemming of toestemming) inhield van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ná 18 december 2017 en hij de rechtsmaatregelen had moeten treffen die daarvoor vereist zijn. De omstandigheid dat [eiser] die rechtsmaatregelen niet heeft getroffen - hij heeft niet verzocht om vernietiging van de ‘opzegging’ door [gedaagde] binnen de in artikel 7:686a lid 4 BW voorgeschreven vervaltermijn - mag onder die omstandigheden niet in zijn nadeel werken.

4.10.

De slotsom is dat de aanzegging van [gedaagde] dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege niet zal worden verlengd niet is geconverteerd in een opzegging van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is dus niet rechtsgeldig geëindigd door een opzegging van de zijde van [gedaagde] en loopt nog door.

4.11.

Als niet weersproken staat vast dat [eiser] op dit moment arbeidsongeschikt is. Onderdeel van de wettelijke verplichtingen van [gedaagde] is in dit kader dat zij een bedrijfsarts naar [eiser] zal laten kijken en dat deze laatste een oordeel geeft over de vraag of [eiser] al dan niet (re-integratie)werkzaamheden zal kunnen verrichten. Dit brengt mee dat het door [eiser] primair verzochte dient te worden toegewezen als hierna vermeld. Omdat momenteel niet duidelijk is of en wanneer [eiser] werkzaamheden kan verrichten zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen.

Matiging loon(door)betaling

4.12.

[eiser] heeft recht op loon(door)betaling vanaf 19 december 2017.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de loonvordering en de wettelijke verhoging (fors) gematigd dienen te worden. Zij stelt - zakelijk weergegeven - dat zij oprecht in de veronderstelling verkeerde dat zij het dienstverband op correcte wijze had beëindigd en dat zij nooit de bedoeling heeft gehad om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te laten ontstaan. Daarnaast heeft [eiser] niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht doordat hij niet de voor de hand liggende rechtsgang heeft gevolgd. Het is niet redelijk om de gevolgen van de keuzes van [eiser] en het daarmee gemoeide tijdsverloop voor rekening van [gedaagde] te laten komen. Bovendien stonden [gedaagde] geen rechtsmiddelen ter beschikking om haar eigen schade te beperken. Ook vanwege de omstandigheid dat bij volledige toewijzing van de loonvordering een wanverhouding zou ontstaan tussen de tijd waarover loon moet worden betaald en de tijd die [eiser] feitelijk bij [gedaagde] werkzaam is geweest, is aanleiding om de loonvordering en de wettelijke verhoging te matigen, aldus [gedaagde] .

4.13.

De stellingen van [gedaagde] treffen geen doel. Zoals in r.o. 4.9. is overwogen komen de gevolgen van de niet adequate mededeling door [gedaagde] voor haar eigen rekening en risico. Dat er daardoor een ‘wanverhouding’ zou bestaan tussen de periode dat [eiser] feitelijk werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht en de periode waarover thans loon moet worden (door)betaald doet daar niet aan af. Ook dit behoort tot het risico van [gedaagde] als werkgever. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat haar in dit verband geen rechtsmiddelen ter beschikking stonden. Aangezien bij [gedaagde] bekend was dat [eiser] zich verzette tegen de niet verlenging van zijn dienstverband had [gedaagde] in dit verband tijdig een verklaring voor recht kunnen vragen en zodoende haar schade kunnen beperken, althans op een eerder moment ervan op de hoogte kunnen zijn of op haar nog de verplichting rustte om loon te betalen.

4.14.

Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiser] verklaard dat [eiser] aanvankelijk een WW-uitkering heeft ontvangen en na zijn ongeval een ZW-uitkering. [gedaagde] heeft gesteld dat ook dit van belang is bij haar verzoek om matiging van de loonvordering.

De kantonrechter is van oordeel dat het gegeven dat [eiser] sinds de beëindiging van zijn dienstverband bij [gedaagde] uitkeringen heeft ontvangen op grond van de sociale werknemersverzekeringen WW en ZW niet betekent dat die uitkeringen in mindering zouden moeten strekken op de loonbetalingsverplichting van [gedaagde] . Omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen doorloopt staat immers niet vast dat de WW en ZW-uitkering terecht zijn genoten door [eiser] . Verder is onduidelijk gedurende welke periode [eiser] een WW-uitkering heeft ontvangen en vanaf welk moment een ZW-uitkering. Ook is niet duidelijk of [gedaagde] in het kader van de ZW eigen risicodrager is of niet. Partijen zullen daarom nader dienen te bezien, eventueel in overleg met het UWV, wie – [gedaagde] of UWV – gedurende welke periode verantwoordelijk is (geweest) voor de (te verrichten) betalingen aan [eiser] .

Gelet hierop zal de loonvordering en de nevenvordering ter zake de wettelijke rente worden toegewezen als hierna vermeld.

4.15.

De kantonrechter ziet in het bovenstaande aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil.

Toeslagen en verblijfskostenvergoeding

4.16.

Volgens [eiser] zijn vanaf datum indiensttreding het loon, de toeslagen en de verblijfskostenvergoeding niet correct uitbetaald. De totaalbedragen aan achterstallig loon en toeslagen en verblijfskostenvergoeding berekent [eiser] , onder verwijzing naar de bij productie 10 overgelegde rekenstaten, op € 13.819,76 bruto respectievelijk € 3.769,05 netto. [gedaagde] heeft hier een deel van betaald. [eiser] vordert thans de restantbedragen van

€ 6.251,61 bruto en € 688,94 netto.

4.17.

[gedaagde] heeft (opnieuw) gesteld dat de berekening van [eiser] onjuist is omdat hij bij het vermeende achterstallige loon en toeslagen geen rekening heeft gehouden met de door hem opgenomen vakantiedagen en de pauze- en rusttijden conform artikel 26a lid 2.a. jo bijlage III van de TLN-CAO, welk artikel voor wat betreft de voor deze procedure relevante bepalingen gelijk is aan artikel 23 jo bijlage VII van de TLN-CAO 2014-2016. Volgens die artikelen worden alle diensturen uitbetaald onder aftrek van pauzetijden conform de staffel die is opgenomen in bijlage III respectievelijk VII en onder aftrek van de aaneengesloten rust, met als minimum de in de EG-Verordening 561/2006 voorgeschreven rusttijden. Wat betreft de onbelaste verblijfskostenvergoeding heeft [gedaagde] erop gewezen, mede onder verwijzing naar artikel 34 TLN-CAO 2014-2016, dat er pas aanspraak kan worden gemaakt op verblijfskostenvergoeding bij ritten langer dan vier uur. [eiser] is voornamelijk werkzaam geweest voor [onderneming 2] in [vestigingsplaats] , waar zijn dienst begon en eindigde. De ritten die [eiser] voor [onderneming 2] maakte waren nooit langer dan vier uur, zodat er geen recht bestond op een verblijfskostenvergoeding. [gedaagde] heeft een berekening gemaakt over de periode 19 mei 2015 tot 19 december 2017 en komt zelf uit op bedragen van € 7.565,15 bruto respectievelijk € 3.080,11 netto die zij aan [eiser] had moeten betalen. Deze bedragen zijn aan [eiser] overgemaakt.

4.18.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] deze onderdelen van zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

[eiser] heeft kort voor de zitting bij brief slechts een korte toelichting gegeven op de door hem zelf uitgevoerde loonberekening. Omdat [gedaagde] concrete aanmerkingen heeft op deze berekening en, met inachtneming van die aanmerkingen, een eigen berekening heeft gemaakt en aan de hand daarvan bedragen heeft uitbetaald aan [eiser] , lag het op de weg van [eiser] hierop een concrete reactie te geven of nadere stukken of bescheiden over te leggen waaruit de gestelde juistheid van zijn berekening afgeleid zou kunnen worden. [eiser] volstaat verder met een herhaling van zijn standpunt zoals hij deze in zijn dagvaarding reeds had geformuleerd en onder verwijzing naar de bij dagvaarding overgelegde rekenstaten. Dit vormt een onvoldoende onderbouwing van zijn vordering. Het aanbod van [eiser] om bewijs aan te dragen van de juistheid van zijn stellingen zal worden gepasseerd nu aan het leveren van bewijs eerst wordt toegekomen indien stellingen voldoende zijn onderbouwd, hetgeen [eiser] niet heeft gedaan. Dit deel van het vordering zal daarom worden afgewezen. De nevenvordering ter zake de wettelijke rente deelt ditzelfde lot.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

4.19.

[eiser] vordert een bedrag van € 450,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid daarvan in algemene zin betwist.

De kantonrechter overweegt dat in het kort gedingvonnis van 23 mei 2018 een bedrag van

€ 450,00, exclusief BTW, is toegewezen. Niet is gesteld noch is gebleken dat nadien opnieuw buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. Dit onderdeel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.

4.20.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 102,45

- griffierecht € 476,00

- salaris gemachtigde € 144,00 (2 punten x tarief € 72,00)

Totaal € 722,45

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

gelast [gedaagde] om [eiser] , zodra de bedrijfsarts hem daartoe in staat acht, toe te laten tot de bedongen werkzaamheden;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot (door)betaling van het loon vanaf 19 december 2017 en al het overige dat [gedaagde] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, wet of andere regeling verschuldigd is of nog zal zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, die wordt gematigd tot nihil, tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd en met inachtneming van hetgeen is overwogen in r.o. 4.14.;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 722,45, waarin begrepen € 144,00 aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2019.