Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6713

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
C/16/477986 / FA RK 19-1778
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

alimentatie en omgang

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/477986 / FA RK 19-1778 (alimentatie)

zaaknummer / rekestnummer: C/16 481260 / FA RK 19-780 (omgang)

Beschikking van 25 juli 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J. Kaljee te IJsselstein,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.M.C. van der Sanden te 's-Gravenhage.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, binnengekomen ter griffie van deze rechtbank op

26 maart 2019;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift van de man, binnengekomen ter griffie van deze rechtbank op 21 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoekschrift van de man met overlegging aanvullende producties, binnengekomen ter griffie van deze rechtbank op 28 juni 2019;

  • -

    de stukken van de man, binnengekomen ter griffie van deze rechtbank op
    1 juli 2019;

  • -

    F-formulier met productie 26 van de zijde van de vrouw, ingediend op 4 juli 2019;

  • -

    F-formulier met productie van de zijde van de man, ingediend op 4 juli 2019.

  • -

    F-formulier met productie van de zijde van de man, ingediend op 5 juli 2019.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019.

Verschenen zijn partijen met hun advocaten en mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw draagkrachtberekeningen overgelegd.

1.3.

De minderjarige [voornaam van minderjarige] heeft zijn mening kenbaar gemaakt door het schrijven van een brief aan de kinderrechter.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad tot juni 2017. Binnen deze relatie is geboren:

- [naam minderjarige] , op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats]

2.2.

De man heeft [voornaam van minderjarige] erkend. De ouders oefenen samen het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige] uit. [voornaam van minderjarige] woont bij zijn moeder.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad,

 Primair te bepalen dat de man met ingang van 2 oktober 2018 dan wel met ingang van 4 oktober 2018 bij vooruitbetaling een bedrag van €616,- per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] ;

 Subsidiair te bepalen dat de man met ingang van 2 oktober 2018 dan wel met ingang van 4 oktober 2018 bij vooruitbetaling een bedrag van €616,- per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige]

en

met ingang van het moment dat de vrouw het kindgebonden budget ontvangt bij vooruitbetaling €556,- per maand aan de vrouw voldoet voor de verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] onder de voorwaarde dat de man binnen drie dagen na de te geven beschikking aan de SVB mededeelt dat de vrouw vanaf aankomend kwartaal als aanvrager van de kinderbijslag wordt geregistreerd en dat na die tijd de beschikking in de plaats treedt van die mededeling;

 een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij [voornaam van minderjarige] in de oneven weken op maandag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op dinsdag, woensdag en donderdag bij de man en in de even weken verblijft [voornaam van minderjarige] op maandag, woensdag en donderdag bij de vrouw en op dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de man. Daarnaast verzoekt de vrouw een vakantieregeling vast te stellen en te bepalen dat voor zowel de reguliere zorgregeling als de vakantieregeling geldt dat, als één van de ouders in het buitenland verblijft als [voornaam van minderjarige] volgens de zorgregeling of vakantieregeling bij hem/haar is, de andere ouder [voornaam van minderjarige] opvangt op die betreffende dagen.

3.2.

De man voert verweer. Hij verzoekt zelfstandig, uitvoerbaar bij voorraad,

 Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie af te wijzen althans de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 26 maart 2019 vast te stellen op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en voor het overige af te wijzen;

 De vrouw op te dragen de voor het maken van een alimentatieberekening benodigde stukken over 2019 in het geding te brengen, waaronder in elk geval al haar loonstroken over dat jaar en de beschikking kindgebonden budget;

 Een zorg- en contactregeling vast te stellen zoals onder punt 22 van het verweerschrift omschreven, kort weergegeven het volgende inhoudende:

[voornaam van minderjarige] verblijft afwisselend van vrijdag na school tot vrijdag naar school bij de man en de vrouw. De ouder bij wie hij op vrijdagochtend verblijft brengt hem naar school en de andere ouder haalt hem een week later op vrijdag uit school.

De vakanties worden bij helfte gedeeld.

 Een informatie- en consultatieregeling vast te stellen, in die zin dat de vrouw de man – kort gezegd – tweewekelijks informeert, de vrouw hem raadpleegt, ouder- en informatieavonden gezamenlijk of in onderling overleg worden bezocht, waarbij de informatieverstrekking en consultatie buiten aanwezigheid van [voornaam van minderjarige] plaatsvindt;

 Kosten rechtens.

3.3.

De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank, voor zover relevant, hierna in.

4 De beoordeling

De zorgregeling

4.1.

De rechtbank zal de behandeling van de zaak met betrekking tot de verzochte zorgregeling en informatieregeling pro forma aanhouden tot 7 november 2019 en een voorlopige zorgregeling vaststellen overeenkomstig de zorgregeling zoals die nu bestaat. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen namelijk overeengekomen dat zij zich zullen aanmelden via Veilig Thuis voor ouderschapsbemiddeling. De rechtbank vindt het van belang om het verloop van dat traject af te wachten voordat zij een definitieve beslissing geeft.

De kinderalimentatie

4.2.

De rechtbank zal de man veroordelen om over de periode vanaf 4 oktober 2018 tot 1 april 2019 aan de vrouw een bedrag van €440,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] en over de periode vanaf 1 april 2019 een bedrag van €382,- per maand. De rechtbank licht dit als volgt toe. Het bedrag dat aan kinderalimentatie moet worden betaald wordt aan de ene kant bepaald door de behoefte van het kind. Dat is wat het kind nodig heeft. Aan de andere kant wordt het bedrag bepaald door de draagkracht van degenen die onderhoudsplichtig zijn voor het kind. Dat is hetgeen (in dit geval) de ouders in staat zijn om te betalen. Wat de behoefte van [voornaam van minderjarige] is en wat de rechtbank van de draagkracht van de ouders vindt, licht de rechtbank hierna toe. De rechtbank zal eerst ingaan op de ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie.

Ingangsdatum

4.3.

Als ingangsdatum voor de te betalen kinderalimentatie gaat de rechtbank uit van
4 oktober 2018. De rechtbank vindt dat de man vanaf dat moment redelijkerwijs rekening heeft kunnen houden met een door hem te betalen kinderalimentatie. De vrouw heeft namelijk onweersproken gesteld dat zij de man op 25 september 2018 heeft aangeschreven in verband met een door de man te betalen bijdrage, de man op 2 oktober 2018 een bevestiging van de ontvangst van de dit bericht heeft verstuurd en de man vanaf 4 oktober 2018 beschikte over de financiële gegevens van de vrouw op dat moment en haar berekening van de kinderalimentatie. Eveneens onweersproken heeft de vrouw gesteld dat partijen sindsdien over de te betalen bijdrage in overleg zijn geweest. Dat de man in deze periode verschillende grote uitgaven voor [voornaam van minderjarige] heeft gedaan, heeft hij niet onderbouwd.

Behoefte

4.4.

Partijen zijn het er tijdens de mondelinge behandeling over eens geworden dat de basisbehoefte van [voornaam van minderjarige] gesteld kan worden op €780,- per maand en dat niet afzonderlijk rekening wordt gehouden met de kosten van kinderopvang. Partijen verschillen wel nog van mening over of de kosten van remedial teaching bij de hiervoor genoemde basisbehoefte opgeteld moet worden. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van remedial teaching geen zodanige bijzondere kosten zijn dat deze bij de basisbehoefte opgeteld moeten worden. Het betreffen niet structurele kosten die gecompenseerd kunnen worden met kosten op een ander vlak. De kosten kunnen daarom beschouwd worden begrepen te zijn in de basisbehoefte. De rechtbank gaat daarom uit van een totale behoefte van [voornaam van minderjarige] van €780,- per maand.

Draagkracht vrouw

4.5.

Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van €18.316,- bruto op jaarbasis. Dit was het inkomen van de vrouw in 2018 volgens haar jaaropgaven. De rechtbank gaat voor de periode na 2018 van hetzelfde inkomen uit. De rechtbank vindt dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij ten minste dit inkomen verdient door bijvoorbeeld meer te gaan werken bij haar huidige werkgever of, zoals zij ook in het verleden heeft gedaan, als [.] . Voor het toekennen van een grotere verdiencapaciteit ziet de rechtbank geen gronden.

4.6.

De rechtbank maakt onderscheid in twee periodes, namelijk de periode vanaf 4 oktober 2018 tot 1 april 2019 en de periode vanaf 1 april 2019. Voor de eerste periode houdt de rechtbank er rekening mee dat de vrouw geen kindgebonden budget ontving. Voor de periode vanaf 1 april 2019 houdt de rechtbank wel rekening met de ontvangst van kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van in totaal €4.305,- per jaar.

4.7.

De rechtbank houdt verder aan de kant van de vrouw rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

4.8.

Het voorgaande leidt tot het volgende netto besteedbaar inkomen van de vrouw

  • -

    Periode 4 oktober 2018 tot 1 april 2019: €1.526

  • -

    Vanaf 1 april 2019: €1.880

4.9.

Dit brengt de volgende draagkracht van de vrouw mee:

  • -

    Periode 4 oktober 2018 tot 1 april 2019: op basis van de draagkrachttabel = €126

  • -

    Vanaf 1 april 2019: 70% (1.880 -/- (30% * 1.880) + 950)) = €256

Draagkracht man

4.10.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van de man van €5.800,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een ingehouden pensioenpremie van €113,- per maand. Dit was het inkomen van de man op het moment van de ingangsdatum die de rechtbank hanteert tot 1 juni 2019. Vanaf 1 juni 2019 kan de man zijn huidige inkomen aanvullen met de door hem ontvangen ontslagvergoeding van €25.000,-.

4.11.

Van verwijtbaar dan wel herstelbaar inkomensverlies is geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat de man de stellingen van de vrouw op dit punt voldoende gemotiveerd heeft weersproken. De rechtbank betrekt daarbij dat de man onweersproken heeft gesteld en uitgebreid heeft toegelicht dat er - kort gezegd - een onoverkomelijk geschil was ontstaan tussen hem en zijn voormalig werkgever met betrekking tot de invulling van zijn functie. De man heeft verder onweersproken naar voren gebracht dat de hoogte van het inkomen zoals hij dat voorheen verdiende met name te maken had met de voor zijn voormalig werk nodige reizen naar Ethiopië. Ook is onweersproken dat dit een uitzonderlijke functie was gelet op zijn arbeidsverleden. Dat de man een functie met een vergelijkbaar inkomen kan verkrijgen acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden. Daarentegen staat vast dat de man bij zijn ontslag een vergoeding heeft meegekregen van € 25.000,- in verband met te derven inkomsten. Nu de man spoedig een nieuwe baan heeft gevonden, maar met een lager salaris acht de rechtbank het redelijk dat de man daarmee zijn inkomen aanvult. Vandaar dat de rechtbank uitgaat van een inkomen van de man van €5.800,- bruto per maand.

4.12.

De rechtbank houdt geen rekening met inkomsten van de man uit fotografie. De man heeft met de door hem overgelegde stukken voldoende gemotiveerd dat hij uit de eenmanszaak [naam onderneming] alleen in 2016 een klein positief resultaat heeft behaald. De rechtbank betrekt daarbij dat de man onweersproken heeft gesteld dat de activiteiten in zijn eenmanszaak dienden om zijn dure hobby fotografie te bekostigen. Mede gelet hierop ziet de rechtbank in de enkele stelling van de vrouw dat de opgevoerde kosten wel heel hoog zijn, geen aanleiding om van een (gecorrigeerd) resultaat uit onderneming uit te gaan. Over de periode vanaf 1 april 2019 houdt de rechtbank ook geen rekening met inkomsten uit fotografie, nu de man de eenmanszaak op 28 december 2018 heeft opgeheven.

4.13.

De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met de algemene heffingskorting (€0,-), de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voor deze laatste korting komt de man in aanmerking gelet op de omvang van de zorg van de man en omdat [voornaam van minderjarige] in 2018 en 2019 op 1 januari van de betreffende jaren nog geen 12 jaar was.

4.14.

Het voorgaande leidt tot het volgende netto besteedbaar inkomen van de man:

  • -

    Periode 4 oktober 2018 tot 1 april 2019: €4.044

  • -

    Vanaf 1 april 2019: €4.092

4.15.

Dit brengt de volgende draagkracht mee:

  • -

    Periode 4 oktober 2018 tot 1 april 2019: 70% (4.044 -/- (30% * 4.044) + 920)) = €1.338

  • -

    Vanaf 1 april 2019: 70% (4.092 -/- (30% * 4.092) + 950)) = €1.340

Verhouding draagkracht

4.16.

Op grond van de verhouding in draagkracht van partijen, is het aandeel van de man in de kosten van [voornaam van minderjarige] als volgt:

  • -

    Periode 4 oktober 2018 tot 1 april 2019: (1.338/ 1.464 * 780 =) 713

  • -

    Vanaf 1 april 2019: (1.340/ 1.596 * 780 =) 655

Zorgkorting

4.17.

Partijen zijn het er erover eens dat de zorgkorting die de man toe kan passen op de door hem te betalen bijdrage 35% bedraagt. De zorgkorting komt daarmee op (35% van €780 = ) €273. Omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de kosten van [voornaam van minderjarige] te voorzien, kan de man de volledige zorgkorting in mindering brengen op zijn aandeel in de kosten van [voornaam van minderjarige] .

Conclusie

4.18.

Het voorgaande brengt de volgende door de man te betalen kinderalimentatie mee:

  • -

    Periode 4 oktober 2018 tot 1 april 2019: (713 -/- 273 =) €440

  • -

    Vanaf 1 april 2019: (655 -/- 273 =) €382

4.19.

De volledige draagkrachtberekeningen zijn aan deze beschikking gehecht.

Proceskosten

4.20.

In het kader van de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/16/477986 / FA RK 19-1778 (de alimentatieprocedure) geeft de rechtbank een eindoordeel. Gelet daarop zal de rechtbank in het kader van die procedure bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

houdt de behandeling van de zaak over de zorgregeling en de informatieregeling (zaaknummer / rekestnummer: C/16 481260 / FA RK 19-780 (omgang)) PRO FORMA aan tot 7 november 2019 in afwachting van de resultaten van de ouderschapsbemiddeling met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:

  • -

    of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;

  • -

    of een nieuwe zitting nodig is en zo ja met verhinderdata voor een zitting;

  • -

    of de rechter een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;

5.2.

stelt een voorlopige zorgregeling vast tussen de man en [voornaam van minderjarige] , inhoudende dat [voornaam van minderjarige] in de oneven weken op maandag en van vrijdag tot en met zondag bij de vrouw is en op dinsdag tot en met donderdag bij de man en in de even weken op maandag, woensdag en donderdag bij de vrouw en op dinsdag en van vrijdag tot en met zondag bij de man;

5.3.

houdt iedere verdere (definitieve) beslissing over de zorgregeling en de informatieregeling aan;

5.4.

veroordeelt de man over de periode vanaf 4 oktober 2018 tot 1 april 2019 aan de vrouw een bedrag van €440,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van minderjarige] en over de periode vanaf 1 april 2019 een bedrag van €382,- per maand, vanaf nu steeds vooruit te betalen;

5.5.

verklaart de beslissing onder 5.2 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

compenseert de kosten van partijen in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/16/477986 / FA RK 19-1778 (alimentatie) in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Wakker, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.1

1 type: BmM(M coll: