Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6711

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-07-2019
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
C/16/482663 / FA RK 19-3478
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

voorlopige voorzieningen

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/482663 / FA RK 19-3478

Beschikking van 26 juli 2019

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. F.B.A. Verbeek,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. W. Brouwer.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 25 juni 2019;

- het verweerschrift van de vrouw, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen op 17 juli 2019;

- de correspondentie, waaronder:

 het faxbericht van de vrouw van 19 juli 2019, met 5 bijlagen.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 juli 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op [trouwdatum] 2006 te [woonplaats] met elkaar gehuwd.

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek en verweer

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat:

  1. de man een bijdrage van € 1.100,-- bruto per maand in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen, telkens bij vooruitbetaling;

  2. de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel aan de [adres] te [woonplaats] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de vrouw;

  3. de man binnen twee dagen na betekening van deze beschikking aan de vrouw de goederen beschikbaar stelt die tot het dagelijks gebruik strekken, zoals genoemd op de aan de beschikking te hechten bijlage;

  4. de verzochte voorzieningen ten uitvoer kunnen worden gelegd met behulp van de sterke arm, alsmede dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging daarvan voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden.

3.2.

De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw. Daarnaast verzoekt de man – bij wijze van zelfstandig verzoek – te bepalen dat de man bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel, met bevel dat de vrouw die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

4 De beoordeling

Uitsluitend gebruik echtelijke woning

4.1.

Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning omdat partijen deze woning hebben gekozen in verband met de lichamelijke conditie van de vrouw. Zij heeft artrose. Het appartement is gelijkvloers en met de lift bereikbaar. Daarnaast is het voor de vrouw moeilijker om vervangende woonruimte te vinden, terwijl de man alleen in het weekend in Nederland verblijft. Wanneer de vrouw partneralimentatie zal ontvangen, zal zij de huur van de woning kunnen voldoen.

4.2.

De man stelt dat hij als vrachtwagenchauffeur een thuisbasis nodig heeft. Daarnaast kan hij in de toekomst ook lichamelijke klachten gaan ondervinden, waardoor hij baat heeft bij het appartement. De man verwacht dat de vrouw de huur van de woning niet kan betalen. De vrouw kan andere woonruimte zoeken in de sociale huursector zodat zij aanspraak kan maken op huurtoeslag.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft niet betwist dat partijen zijn verhuisd naar de echtelijke woning, omdat dit appartement geschikt is voor de vrouw in verband met haar artrose. Verder staat vast dat de vrouw op dit moment doordeweeks in het appartement verblijft, wanneer de man weg is voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur. De man verblijft (een deel van) het weekend in de woning. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dat het belang van de vrouw bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning in [woonplaats] groter is dan het belang van de man hierbij. De man kan voor de periode dat hij in het weekend in Nederland verblijft, makkelijker een alternatieve woonruimte vinden dan de vrouw. De stelling van de man, dat hij in de toekomst mogelijk ook lichamelijke klachten zal ondervinden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het belang van de man te laten prevaleren boven het belang van de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en het verzoek van de man afwijzen. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat zij een en ander kan bewerkstelligen met hulp van politie en justitie zal worden afgewezen, nu zij daarbij geen belang heeft. Voor de executie van de bepaling ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning is dit namelijk niet noodzakelijk. Daartoe is het bevel dat de man de woning niet langer mag betreden voldoende.

4.4.

De vrouw is niet ontvankelijk in haar verzoek te bepalen dat zij bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de zich in de woning bevindende inboedel, alsmede in haar verzoek te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging voor rekening van de man komende kosten m de man, nu dit geen verzoeken zijn als bedoeld in artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.5.

Ten slotte heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van het beschikbaar stellen van de goederen die strekken tot het dagelijks gebruikt onvoldoende onderbouwd, nu de bijlage daartoe ontbreekt. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

Partneralimentatie

4.6.

De rechtbank kan op grond van artikel 822, eerste lid, aanhef en onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot. Daarbij zijn de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht bepalend. Het is aan de vrouw als verzoeker van een onderhoudsbijdrage om hiertoe in ieder geval te stellen, en bij betwisting, nader te onderbouwen dat zij behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man.

Behoefte

4.7.

De vrouw stelt dat haar behoefte € 2.447,-- per maand bedraagt. Zij heeft daartoe standpunten ingenomen over het inkomen van partijen ten tijde van het huwelijk. Daarnaast heeft zij een behoeftelijst overgelegd, waaruit een behoefte volgt van € 2.446,10 per maand. De man heeft de behoefte, alsmede de behoeftelijst van de vrouw (grotendeels) betwist en gesteld dat de vrouw deze niet heeft onderbouwd.

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om ordemaatregelen te treffen. Hoewel de rechtbank met de man van oordeel is dat de vrouw haar behoeftelijst onvoldoende heeft onderbouwd, is zij oordeel dat de Hofnorm in een voorlopige voorzieningenprocedure een goede maatstaf kan bieden ter bepaling van de welstand van partijen gedurende het huwelijk en daarmee voor de kosten van levensonderhoud van de vrouw na de echtscheiding. De rechtbank zal voor de vaststelling van de behoefte dan ook aansluiten bij het netto gezinsinkomen van partijen.

4.9.

Ter zitting is voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man de berekening zoals overgelegd door de vrouw als uitgangpunt genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de man € 2.362,-- per vier weken bedraagt, exclusief een vakantietoeslag van 8%. Daarnaast staat vast dat de man gemiddeld € 500,-- per vier weken verdient uit overwerk. Partijen verschillen van mening of voor dit inkomen uit overwerk per jaar rekening dient te worden gehouden met 12 of 13 periodes. De rechtbank volgt daarbij het standpunt van de man dat er rekening dient te worden gehouden met 12 periodes, zijnde
€ 6.000,-- per jaar, nu de 13e periode een vakantieperiode van 4 weken betreft die de man opneemt. Het uitgangpunt is immers dat vakantieperiodes worden opgenomen en de rechtbank ziet in het door de vrouw gestelde geen aanleiding om daarvan af te wijken. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om over de inkomsten uit overwerk rekening te houden met een vakantietoeslag van 8%. De vrouw heeft namelijk niet betwist dat uit de door de man overgelegde salarisstrook van de periode 20 mei 2019 tot en met 18 juni 2019 volgt dat de uitbetaling van het vakantiegeld precies 8% van het bruto salaris van de man bedraagt, zoals de man stelt. Ten slotte verschillen partijen van mening of onkostenvergoeding van de man als verkapt inkomen dient te worden aangemerkt. Vast staat dat de man deze vergoeding aanwendt voor kosten van eten, drinken, douchen en het gebruik van het toilet, zijnde beroepskosten. De rechtbank is van oordeel dat deze conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie niet bij het inkomen van de man zal worden opgeteld. De stelling van de vrouw, dat de man eten en drinken altijd meeneemt van huis, wat zij voor hem betaalt, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af nu de man daar in de toekomst zelf zorg voor moet dragen. De berekening van de vrouw is voor het overige niet door de man betwist. Onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man dan op € 2.318,-- per maand.

4.10.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw een inkomen ontvangt van € 16.614,-- per jaar uit pensioenuitkering. Ter zitting is gebleken dat de man de berekening van de vrouw volgt, in die zin dat haar netto besteedbaar inkomen € 1.050,-- per maand bedraagt. Daar zal de rechtbank dan ook vanuit gaan.

4.11.

Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank het netto-gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk op € 3.368,-- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan worden gesteld op 60% van dit bedrag, zijnde afgerond € 2.021,-- netto per maand.

4.12.

Gelet op het netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.050,-- per maand, becijfert de rechtbank de aanvullende behoefte van de vrouw dan op € 971,-- per maand.

Draagkracht van de man

4.13.

Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank aansluiten bij het hiervoor becijferde netto besteedbaar inkomen van de man, alsmede de door de vrouw overgelegde berekening van de draagkracht van de man zoals besproken ter zitting. Nu de man de berekening van de vrouw verder niet heeft betwist zal de rechtbank daarbij aansluiten.

4.14.

De rechtbank komt op grond van haar berekening tot de conclusie dat de draagkracht van de man toereikend is voor het betalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 560,-- bruto per maand en dat dit de aanvullende behoefte van de vrouw niet overstijgt. De rechtbank zal dit bedrag dan ook vaststellen.

5 De beslissing

voor de duur van het geding en met ingang van heden:

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , met bevel aan de man de woning te verlaten en niet verder te betreden;

5.2.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op € 560,-- bruto per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek te bepalen dat zij bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de zich in de woning bevindende inboedel, alsmede in haar verzoek te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging voor rekening van de man komende kosten m de man;

5.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Braeken (kinder)rechter, in aanwezigheid van R.C. Kruit als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2019.

..