Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6699

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
11-02-2021
Zaaknummer
C/16/481577 / FA RK 19-3106
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Beschikking
Inhoudsindicatie

.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/481577 / FA RK 19-3106

Beschikking van 17 juli 2019

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. D. Vrolijks,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.M.G. Pouls.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken van partijen ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 27 mei 2019;

  • -

    de brief van 28 juni 2019 van de vrouw met producties 11 en 12;

  • -

    het verweerschrift van de man met producties 1 tot en met 25, ingekomen op 3 juli 2019.

1.2.

De zitting was op 3 juli 2019. Daar waren aanwezig: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [trouwdatum] 1997 in [woonplaats] met elkaar getrouwd.

2.2.

De kinderen van partijen zijn:

  • -

    [kind 1] , gebreon op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats 1] ;

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2003 in [geboorteplaats 2] .

2.3.

[voornaam van kind 2] is nog minderjarig. Partijen hebben samen het gezag over [voornaam van kind 2] .

3 Beoordeling

De echtelijke woning

3.1.

De man heeft zich gerefereerd aan het verzoek van de vrouw tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , zodat de rechtbank dit verzoek zal toewijzen.

Toevertrouwing [voornaam van kind 2]

3.2.

De man heeft zich gerefereerd aan het verzoek van de vrouw om [voornaam van kind 2] aan haar toe te vertrouwen, zodat de rechtbank ook dit verzoek zal toewijzen.

Zorgregeling

3.3.

De man heeft verzocht om een zorgregeling tussen hem en [voornaam van kind 2] te bepalen, waarin [voornaam van kind 2] om de week en de helft van de vakanties en feestdagen bij hem verblijft. De man heeft ter zitting verklaard dat hij [voornaam van kind 2] graag de benodigde ruimte wil geven en zich, als dit in het belang is van [voornaam van kind 2] , ook kan vinden in een andere regeling. Op zitting hebben partijen afgesproken dat [voornaam van kind 2] elke week op zaterdag of zondag bij de man is, waarbij [voornaam van kind 2] en de man in onderling overleg afspreken welke dag dit is. De rechtbank zal deze regeling vastleggen in het dictum van deze beschikking. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de vrouw op zitting toestemming heeft gegeven voor een vakantie van [voornaam van kind 2] met de man naar Frankrijk. Het is aan de man om met [voornaam van kind 2] te overleggen of hij inderdaad met hem mee wil op vakantie.

Kinderalimentatie

3.4.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met een bedrag van € 665,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam van kind 2] . De man voert verweer.

Behoefte

3.5.

Partijen zijn het er eens dat de behoefte van [voornaam van kind 2] € 710,- per maand bedraagt.

Draagkracht van de man

3.6.

Partijen zijn het eens dat voor de berekening van de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van de management fee die hij vanuit de onderneming [bedrijfsnaam] B.V. ontvangt. Zij verschillen echter van mening over de hoogte daarvan. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een fee van € 17.500,- bruto per maand, omdat dit blijkt uit een e-mail over de budgetbegroting over het jaar 2019. De man vindt dat uit moet worden gegaan van de fee die hij feitelijk ontvangt. De rechtbank zal de man volgen in die stelling, omdat het hier gaat om een voorlopige voorziening en daarin over het algemeen wordt aangesloten bij de feitelijke situatie. Daarbij houdt de rechtbank geen rekening met de auto- en telefoonvergoeding die de man ontvangt, omdat dit naar het oordeel van de rechtbank geen verkapt inkomen betreft. De man heeft – na betwisting door de vrouw – voldoende onderbouwd dat tegenover die vergoedingen ook kosten staan. De rechtbank kan in deze procedure niet vaststellen of deze kosten in privé of via de B.V. worden voldaan, waardoor zij er van uit gaat dat de man die in privé voldoet. De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de man dus uit van een management fee van € 10.000,- bruto per maand, inclusief vakantiegeld. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt dan

€ 5.629,- per maand en zijn draagkracht € 2.093,- per maand, zoals volgt uit zijn berekening overgelegd als productie 25. De man moet zijn draagkracht aanwenden voor beide kinderen, zodat zijn draagkracht voor [voornaam van kind 2] bedraagt : 2093/2= € 1.047,- (afgerond) per maand bedraagt.

Draagkracht van de vrouw

3.7.

De rechtbank gaat ook bij de vrouw uit van de feitelijke situatie waarin zij geen inkomen en dus ook geen draagkracht heeft. Een eventuele verdiencapaciteit van de vrouw is naar het oordeel van de rechtbank in deze procedure nog niet aan de orde. De man heeft weliswaar gesteld dat de vrouw recentelijk nog heeft gewerkt, maar heeft dit – na gemotiveerde betwisting door de vrouw – onvoldoende onderbouwd.

Draagkrachtvergelijking

3.8.

De rechtbank gaat er van uit dat de vrouw niet kan bijdragen in de kosten van verzorging van opvoeding van [voornaam van kind 2] , zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven. Bovendien heeft de man voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van [voornaam van kind 2] te voorzien.

Zorgkorting

3.9.

Partijen zijn het eens dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte, zijnde € 107,- (afgerond) per maand.

Conclusie

3.10.

Na aftrek van de zorgkorting becijfert de rechtbank de bijdrage van de man voor [voornaam van kind 2] op (710-107=) € 603,- per maand. De rechtbank zal deze bijdrage vastleggen in het dictum van deze beschikking.

Partneralimentatie

3.11.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met een bedrag van € 6.500,- bruto per maand zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud. De man voert verweer.

Verbreken lotsverbondenheid?

3.12.

De rechtbank gaat ten eerste voorbij aan de stelling van de man dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. De discussie over het al dan niet verbreken van de lotsverbondenheid is in deze procedure, waar het gaat om voorlopige voorzieningen, niet aan de orde. Partijen zijn namelijk nog getrouwd en zij dienen elkaar op grond van artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek daarom het nodige te verschaffen.

Huwelijksgerelateerde behoefte

3.13.

De rechtbank gaat voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte uit van de Hof-norm, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man van de behoeftelijst van de vrouw en nu het hier gaat om een voorlopige voorziening. Voor de berekening van de huwelijksgerelateerrde behoefte gaat de rechtbank uit van een netto gezinsinkomen van

€ 5.629,-, gelijk aan het netto besteedbaar inkomen van de man, omdat de rechtbank er van uit gaat dat de vrouw op dit moment geen inkomen heeft (zie hiervoor onder 3.7). Daarop strekken de kosten van [voornaam van kind 1] en [voornaam van kind 2] van € 1.420,- in mindering. De behoefte van de vrouw bedraagt dan 60% van (5629-1420)= € 2.525,- (afgerond) netto per maand, oftewel
€ 4.918,- bruto per maand (berekening 1).

Aanvullende behoefte

3.14.

Net als bij de kinderalimentatie gaat de rechtbank er bij de partneralimentatie van uit dat de vrouw op dit moment geen eigen inkomen heeft. De man heeft nog gesteld dat de vrouw kan interen op haar vermogen. De vrouw heeft niet betwist dat zij nog vermogen heeft, maar volgens haar is dat bedoeld voor de kinderen. De rechtbank overweegt dat zij op dit moment geen beslissing kan nemen over de vraag of dit vermogen van partijen c.q. de vrouw of van de kinderen is en dus of van de vrouw verwacht kan worden dat zij daarop inteert. Dit moet worden meegenomen bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen. Dit betekent dat de aanvullende behoefte van de vrouw gelijk is aan de huwelijksgerelateerde behoefte.

Inkomen van de man

3.15.

Voor wat betreft het inkomen van de man gaat de rechtbank, net als hiervoor bij de kinderalimentatie, uit van een management fee van € 10.000,- bruto per maand.

Lasten van de man

3.16.

De rechtbank overweegt ten eerste dat de man alle eigenaarslasten van de echtelijke woning, zijnde de hypotheekrente en het eigenwoningforfait, voldoet en dat ook zal blijven doen. Partijen zijn het er over eens dat het deel van de hypotheekrente dat de man voor de vrouw betaalt, zijnde de helft van de totale hypotheekrente, geldt als partneralimentatie in natura.

De rechtbank gaat voor de lasten van de man verder uit van de lasten zoals opgenomen in de berekening die door hem als productie 25 is overgelegd, met uitzondering van de aflossing op de schuld bij de Belastingdienst van € 1.000,- per maand en de herinrichtingskosten ad
€ 125,-. Met betrekking tot de schuld bij de Belastingdienst overweegt de rechtbank dat dit een toekomstige schuld is, die nog niet vaststaat, en bovendien onduidelijk is of daar binnen de onderneming geld voor is gereserveerd. De rechtbank kan er daarom niet van uit gaan dat de man die schuld daadwerkelijk in privé zal moeten voldoen. Met betrekking tot de herinrichtingskosten overweegt de rechtbank dat de man de noodzaak van die kosten – na gemotiveerde betwisting door de vrouw – onvoldoende heeft onderbouwd. Partijen hebben namelijk ook nog een gezamenlijke inboedel, waarvan de vrouw heeft verklaard dat de man daar ook spullen van mag hebben. De rechtbank zal de advocaatkosten wel meenemen, omdat de man die – na betwisting door de vrouw – voldoende heeft onderbouwd.

Dit betekent dat de rechtbank rekening houdt met de volgende lasten:

  • -

    WOZ-waarde van € 776.000,-;

  • -

    aandeel hypotheekrente van de man van € 526,- bruto per maand;

  • -

    aandeel hypotheekrente van de vrouw van € 526,- bruto per maand als partneralimentatie in natura;

  • -

    € 95,- per maand forfait eigenaarslasten;

  • -

    € 400,- per maand huur;

  • -

    € 130,- per maand premie ziektekostenverzekering;

  • -

    € 385,- per jaar eigen risico;

  • -

    € 114,- per maand advocaatkosten;

  • -

    € 710,- per maand kosten [voornaam van kind 2] .

Conclusie

3.17.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man in staat is om met een bedrag van € 2.760,- bruto per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (berekening 2). Dit bedrag overstijgt de behoefte van de vrouw niet, zodat de rechtbank deze bijdrage zal vastleggen in het dictum van deze beschikking.

4 De beslissing

voor de duur van het geding met ingang van heden:

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;

4.2.

bepaalt dat [voornaam van kind 2] wordt toevertrouwd aan de vrouw;

4.3.

stelt de navolgende zorgregeling vast: [voornaam van kind 2] verblijft één keer per week op zaterdag of zondag bij de man, in onderling overleg tussen de man en [voornaam van kind 2] te bepalen;

4.4.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [voornaam van kind 2] op € 603,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoe,;

4.5.

bepaalt het bedrag dat de man zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw op € 2.760,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.6.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.A. Braeken (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Reinders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2019.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.