Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:665

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
16/659531-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens het aanwezig hebben van cocaïne en het in georganiseerd verband verhandelen van cocaïne tot een gevangenisstraf. Niet-ontvankelijkheidsverklaring van het OM vanwege ontbreken klacht bij belediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/659531-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 februari 2019

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] ,

verblijvende te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Nieuwegein.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 september 2018, 21 december 2018 en 24 januari 2019. Het onderzoek is gesloten op 1 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. T. Tanghe, en van hetgeen verdachte en mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  1. in de periode van 8 maart 2018 tot en met 17 augustus 2018, althans in de periode van 8 maart 2018 tot en met 14 maart 2018 en op 17 augustus 2018, in Utrecht en Montfoort samen met (een) ander(en) cocaïne heeft verhandeld;

  2. op 14 maart 2018 te Montfoort opzettelijk 51 gebruikershoeveelheden cocaïne (in totaal 24,34 gram) aanwezig heeft gehad en op 17 augustus 2018 te Utrecht opzettelijk 15 gebruikershoeveelheden cocaïne (in totaal 7,04 gram) aanwezig heeft gehad;

  3. in de periode van 8 maart 2018 tot en met 17 augustus 2018, althans in de periode van 8 maart 2018 tot en met 14 maart 2018 en op 17 augustus 2018, in Utrecht en Montfoort heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie het handelen in cocaïne als oogmerk had;

  4. op 14 maart 2018 te Montfoort [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, en [verbalisant 2] , agent van politie, heeft beledigd.

3 VOORVRAGEN

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft bepleit dat de dagvaarding voor wat betreft het onder feit 3 tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard, nu uit de tenlastelegging niet blijkt welke personen tot het ‘samenwerkingsverband van één of meerdere natuurlijke perso(o)n(en)’ zouden hebben behoord. Het is voor verdachte om die reden onvoldoende duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen.

De officier van justitie heeft verwezen naar het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:7455), waaruit volgt dat deze wijze van tenlasteleggen niet leidt tot een (partieel) nietige dagvaarding. Van belang is niet slechts de tekst van de tenlastelegging, maar ook de inhoud van het onderliggende dossier. In de visie van het Openbaar Ministerie kon de verdediging uit de tenlastelegging, bezien in samenhang met het onderliggende dossier, concreet opmaken waartegen zij zich moest verdedigen. De tenlastelegging voldoet daarmee aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering genoemde eisen.

De rechtbank stelt voorop dat het niet is vereist dat de medeverdachten van verdachte in de tenlastelegging worden genoemd. Bij de beoordeling van de vraag of de tenlastelegging voldoende duidelijk is, dient ook het dossier te worden betrokken. Uit het onderliggende dossier blijkt wie de personen zijn die in de visie van het Openbaar Ministerie eveneens zouden hebben deelgenomen aan de criminele organisatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit de tekst van de tenlastelegging, in combinatie met het onderliggende dossier, voldoende duidelijk is geworden waartegen verdachte zich heeft moeten verdedigen. De dagvaarding voldoet derhalve aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor wat betreft het onder feit 4 tenlastegelegde, nu de verbalisanten de tenlastegelegde beledigingen alleen in een proces-verbaal van bevindingen hebben gerelateerd en hiervan geen aangifte hebben gedaan. Hieruit volgt dat de verbalisanten kennelijk niet de wens hadden dat verdachte ter zake van deze beledigingen zou worden vervolgd.

De officier van justitie heeft aangegeven dat het klopt dat het dossier geen aangiftes van de betreffende verbalisanten bevat. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de processen-verbaal van bevindingen van de betreffende verbalisanten blijkt dat zij de vervolging van verdachte wensen.

De rechtbank stelt vast dat vervolging ter zake van belediging op grond van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht in beginsel alleen mogelijk is wanneer er een klacht is ingediend. Dit is echter niet het geval wanneer de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zoals bepaald in artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan het feit dat de betreffende verbalisanten handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, stelt zij vast dat slechts eenvoudige belediging ten laste is gelegd. Nu de strafverzwaringsgrond van artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht niet ten laste is gelegd, had er wel een klacht ingediend moeten worden om tot vervolging over te kunnen gaan. De rechtbank zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging voor wat betreft het onder feit 4 tenlastegelegde.

3.3

Overige voorvragen

De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de door hem aangehaalde feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich (in ieder geval) in de periode van 8 maart 2018 tot en met 14 maart 2018 en op 17 augustus 2018 schuldig heeft gemaakt aan de handel in harddrugs en dat hij zich op 14 maart 2018 en op 17 augustus 2018 schuldig heeft gemaakt aan het bezit van harddrugs. De officier van justitie acht het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde daarom wettig en overtuigend te bewijzen. Uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de officier van justitie eveneens dat verdachte door diens strafbare handelen - ook gelet op zijn kennelijke contacten met medeverdachte Hajji - een bijdrage heeft geleverd aan de criminele organisatie en aldus deelnemingshandelingen heeft verricht. Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, waardoor het onder feit 3 tenlastegelegde ook wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten, nu verdachte de hem tenlastegelegde gedragingen ontkent. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van het onder feit 1 en 3 tenlastegelegde aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat verdachte tussen 14 maart 2018 en 17 augustus 2018 gehandeld heeft in harddrugs of op andere wijze betrokken is geweest bij drugsgerelateerde zaken. Daarnaast blijkt volgens de raadsman uit de telecomanalyse dat de dealertelefoon en de privételefoon van verdachte niet op alle dagen tussen 8 en 14 maart 2018 overeenkomstige bewegingen hebben laten zien. Ook heeft de raadsman ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde aangevoerd dat uit de telefoontaps lijkt te volgen dat verdachte de telefoon slechts tijdelijk heeft beheerd, waardoor geen sprake is van een zekere duurzaamheid, wat tot gevolg heeft dat verdachte van dit feit zou moeten worden vrijgesproken.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Aanleiding van het onderzoek

Het onderzoek 09Polder is gestart naar aanleiding van de aanhouding van twee vermoedelijke drugsdealers, [A] en [B] , op 28 mei 2017 en 1 juli 2017. Uit onderzoek bleek dat zij beiden werkzaam waren onder de naam “ [naam] ”. Een aantal gebruikers is als getuige gehoord. Deze gebruikers verklaarden samengevat dat zij via een organisatie/personen genaamd “ [naam] ” om de paar maanden een ander telefoonnummer per SMS toegestuurd kregen, waarmee zij drugs konden bestellen. De drugs werden dan door meerdere personen afgeleverd.

Bewijsmiddelen 1

Gedurende het onderzoek 09Polder zijn er diverse telefoonnummers en IMEI-nummers bekend geworden die door “ [naam] ” gebruikt werden als dealertelefoonnummers en dealertelefoons. Uit onderzoek is gebleken dat het dealertelefoonnummer en de daarbij behorende dealertelefoon steeds na enkele maanden veranderde. Gedurende de periode van het onderzoek zijn (onder meer) de volgende telefoonnummers en IMEI-nummers bij “ [naam] ” actief geweest:

Telefoonnummers:

[telefoonnummer] (hierna: * [telefoonnummer] )

[telefoonnummer] (hierna: * [telefoonnummer] )

[telefoonnummer] (hierna: * [telefoonnummer] )

[telefoonnummer] (hierna: * [telefoonnummer] )

[telefoonnummer] (hierna: * [telefoonnummer] )2

IMEI-nummers 3

[IMEI-nummer] (hierna: * [IMEI-nummer] )

[IMEI-nummer] (hierna: * [IMEI-nummer] )

[IMEI-nummer] (hierna: * [IMEI-nummer] )

[IMEI-nummer] (hierna: * [IMEI-nummer] )4

De telefoongesprekken die met of via bovenstaande telefoonnummers zijn gevoerd zijn opgenomen en op schrift gesteld.5 Wat betreft de inhoud van de tapgesprekken kan worden gesteld dat de telefoonnummers alleen werden gebruikt voor zakelijke gesprekken, er zeer veel SMS-contacten waren, er zeer veel kortdurende contacten en gesprekken waren, de gesprekken/sms-berichten vooral aan het einde van de middag en ’s avonds en in het weekend ook ’s nachts plaatsvonden en er vrijwel uitsluitend afspraken gemaakt werden om elkaar te ontmoeten. Bij SMS-berichten werd regelmatig de naam “ [naam] ” genoemd door de gebruiker van bovenstaande telefoonnummers.6 Uit de tapgesprekken volgt dat sprake is van meerdere gebruikers van bovenstaande telefoonnummers.7

Uit het verloop van de getapte lijnen blijkt dat een dealernummer een bepaalde periode werd gebruikt, waarna deze werd vervangen door een nieuw dealernummer. Er werden dan honderden SMS-berichten verstuurd, waarin stond dat dit het nieuwe nummer van “ [naam] ” betrof.8

Na de aanhoudingen van [A] en [B] , waarbij de op dat moment actieve dealertelefoons met daarin de actuele dealertelefoonnummers in beslag zijn genomen, zijn de dealertelefoonnummers op afstand overgezet op een andere simkaart. Hierna werd het dealertelefoonnummer actief in een andere telefoon. Tegelijkertijd werd een ander telefoonnummer geactiveerd om het nieuwe dealertelefoonnummer te worden.9 Na de aanhouding van verdachten [medeverdachte] en [C] op 7 maart 2018 en de aanhouding van verdachte [verdachte] op 14 maart 2018 was een zelfde situatie zichtbaar in de historische verkeersgegevens en op de tap van de actuele dealertelefoonnummers.10

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens, alsmede de tap op de dealertelefoonnummers, is gebleken dat [D] voornamelijk de gebruiker was van de dealertelefoonnummers * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] en de daaraan gekoppelde IMEI-nummers.11

In de periode van 13 november 2017 tot en met 2 maart 2018 hebben er in totaal 1206 afspraken/ontmoetingen plaatsgevonden tussen de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer] en diverse kopers.12 In de periode van 2 maart 2018 tot en met 13 maart 2018 hebben er in totaal 33 afspraken/ontmoetingen plaatsgevonden tussen de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer] en diverse kopers.13 In de periode van 13 maart 2018 tot en met 3 mei 2018 hebben er in totaal 42 afspraken/ontmoetingen plaatsgevonden tussen de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer] en diverse kopers.14 In de periode van 23 januari 2018 tot en met 18 februari 2018 hebben er in totaal 146 afspraken/ontmoetingen plaatsgevonden tussen de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer] en diverse kopers.15 In de periode van 12 februari 2018 tot en met 15 maart 2018 hebben er in totaal 312 afspraken/ontmoetingen plaatsgevonden tussen de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer] en diverse kopers.16 In de periode van 10 april 2018 tot en met 19 april 2018 hebben er in totaal 99 afspraken/ontmoetingen plaatsgevonden tussen de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer] en diverse kopers.17 In de periode van 29 maart 2018 tot en met 11 april 2018 hebben er in totaal 87 afspraken/ontmoetingen plaatsgevonden tussen de gebruiker van telefoonnummer * [telefoonnummer] en diverse kopers.18

De afspraken/ontmoetingen vonden (onder meer) plaats in Utrecht, Vleuten en Montfoort. De kopers vroegen (onder meer) om cocaïne, coke, “wit” (straattaal voor cocaïne) en “sos” (straattaal voor cocaïne) en er werd gesproken over de prijzen van de handelswaar.19

[getuige 1] is op 12 april 2018 als getuige gehoord.20 Hij heeft verklaard dat hij cocaïne gebruikt, niet langer dan anderhalf jaar.21 Hij koopt deze drugs van [naam] . Er zit iedere keer iemand anders in de auto (de rechtbank begrijpt: wanneer de drugs worden afgeleverd).22

[getuige 2] is op 19 april 2018 als getuige gehoord.23 Hij heeft verklaard dat hij cocaïne gebruikt, wekelijks, al jaren.24 Hij koopt deze cocaïne van [naam] . Zo heten ze allemaal van het nummer (de rechtbank begrijpt: het nummer dat hij belt wanneer hij cocaïne wil kopen). [naam] kan veranderen van identiteit maar nooit van naam.25

Vanaf 8 maart 2018 bleek dat de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer] zich enkele keren “ [bijnaam] ” noemde. Door het beluisteren en op schrift stellen van een groot deel van de gesprekken gevoerd via dit telefoonnummer is gebleken dat vanaf 8 maart 2018 in bijna alle gevallen de gebruiker van dit telefoonnummer de man genaamd “ [bijnaam] ” was. Vanaf 9 maart 2018 bleek dat de gebruiker van het telefoonnummer * [telefoonnummer] zich enkele keren “ [bijnaam] ” noemde. Door het beluisteren en op schrift stellen van een groot deel van de gesprekken via dit telefoonnummer is gebleken dat vanaf 9 maart 2018 in bijna alle gevallen de gebruiker van dit telefoonnummer de man genaamd “ [bijnaam] ” was. Hieruit blijkt dat de gebruiker van de telefoonnummers * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] dezelfde man is.26 In verschillende getapte gesprekken geeft “ [bijnaam] ” over de dealerlijnen aan dat ‘die andere’ aan het verhuizen is.27

In een telefoongesprek met de klantenservice van de ING op 8 maart 2018 geeft “ [bijnaam] ” aan dat hij zijn pasje kwijt is en deze wil blokkeren. Hij noemt daarbij de [adres] , met postcode [postcode] , als zijn adres en geeft als geboortedatum [1996] op. In een telefoongesprek met de klantenservice van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) op 13 maart 2018 geeft “ [bijnaam] ”, die zich [verdachte] noemt, aan dat hij in het bezit is van een Seat Leon met kenteken [kenteken] en dat hij verblijft op de [adres] . Uit raadpleging van het register van de RDW blijkt dat de Seat met kenteken [kenteken] op naam staat van verdachte.28 Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij geboren is op [1996] en normaal gesproken verblijft op de [adres] te [woonplaats] .29

Op 14 maart 2018 is [verdachte] , die als bestuurder en enige inzittende in een Seat Leon reed, staande gehouden in Montfoort.30 Verbalisant [verbalisant 2] zag dat er een blauwe mobiele telefoon onder het rechter bovenbeen van [verdachte] lag. Hij zag op de bijrijdersstoel een witte mobiele telefoon liggen. Hij trof in de bestuurdersportier een zwarte mobiele telefoon aan. Hij heeft [verdachte] aan een fouillering onderworpen, omdat hij ter hoogte van diens kruis een bobbel in de broek zag. Hij zag dat [verdachte] zijn jaszakken leegmaakte en dat er nog een witte telefoon uit zijn jas kwam.31 Hij heeft daarna een voorwerp uit de broek van verdachte gehaald en zag dat het een zwart etui betrof. Hij zag dat er in het etui meerdere witte kleine enveloppes zaten, waar vermoedelijk drugs in zat. Het bleek te gaan om in totaal 51 ponypacks.32

De inhoud van de 51 ponypacks met een totale hoeveelheid van 24,34 gram (SIN AALN5932NL)33 is door het NFI getest. Hieruit is gebleken dat het cocaïne (volgens het NFI 24,05 gram) betreft.34

De IMEI-nummers van twee van de onder [verdachte] in beslag genomen mobiele telefoons bleken [IMEI-nummer] (*[IMEI-nummer], oftewel * [IMEI-nummer] ) en [IMEI-nummer] (* [IMEI-nummer] , oftewel * [IMEI-nummer] ) te zijn. Uit de opgenomen telecombinatie bleek dat het IMEI-nummer * [IMEI-nummer] gebruikt werd in combinatie met de dealerlijn * [telefoonnummer] .35 In de telefoon met IMEI-nummer * [IMEI-nummer] zat de simkaart met telefoonnummer * [telefoonnummer] .36

[verdachte] is op 17 augustus 2018 te Utrecht aangehouden omdat hij gesignaleerd stond voor een onherroepelijk vonnis.37 Verbalisant [verbalisant 3] zag dat verdachte, nadat hij uit zijn voertuig was gestapt, een donkerkleurig voorwerp uit zijn onderbroek haalde en met zijn rechterhand een gooiende beweging maakte. Hij zag dat verdachte het voorwerp ongeveer 20 meter verder op de stoep gooide.38 Op de locatie waar het voorwerp zou moeten liggen, zag de verbalisant een zwart etuitje op de grond liggen. Hij zag dat de tegels van de stoep nat waren van de regen en dat het etuitje droog was. Hij opende het etuitje en zag daarin meerdere wikkels met vermoedelijk harddrugs.39

De inhoud van de 15 wikkels met een totale hoeveelheid van 7,04 gram (SIN AALT4111NL)40 is door het NFI getest. Hieruit is gebleken dat het cocaïne betreft.41

Cocaïne staat vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Bewijsoverwegingen

Aanwezig hebben en handelen in cocaïne

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zowel op 14 maart 2018 als op 17 augustus 2018 is aangehouden terwijl hij in het bezit was van gebruikershoeveelheden cocaïne. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij het etui met daarin de wikkels cocaïne op 14 maart 2018 op straat gevonden had en niet wist wat de inhoud hiervan was, niet aannemelijk en acht het onder feit 2 cumulatief tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. Gelet op het feit dat uit de getapte telefoongesprekken blijkt dat de dealertelefoonnummers * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] vanaf 8 maart 2018 hoofdzakelijk in gebruik waren bij “ [bijnaam] ”, op grond van de inhoud van een aantal gesprekken kan worden vastgesteld dat verdachte “ [bijnaam] ” betreft, en het feit dat verdachte op 14 maart 2018 is aangehouden terwijl hij in het bezit was van een grote hoeveelheid gebruikershoeveelheden cocaïne en de telefoons met dealertelefoonnummers * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de periode van 8 tot en 14 maart 2018 bezig heeft gehouden met de handel in cocaïne. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de dealertelefoonnummers * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] behoorden tot de dealergroep handelend onder de naam “ [naam] ” en verdachte in gesprekken die hij via deze telefoonnummers voerde aangaf dat hij de lijnen in gebruik had omdat ‘die andere’ aan het verhuizen was, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer anderen, waardoor medeplegen van het handelen in cocaïne wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Hoewel het aanwezig hebben van het etui met gebruikershoeveelheden cocaïne op 17 augustus 2018 ernstig doet vermoeden dat verdachte zich ook op 17 augustus 2018 bezig hield met de handel in cocaïne, kan dit naar het oordeel van de rechtbank op grond van de zich in het dossier bevindende stukken niet wettig en overtuigend worden bewezen. Uit het dossier volgt ook niet dat verdachte zich in de periode van 14 maart 2018 tot 17 augustus 2018 schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. Verdachte zal daarom wat betreft het onder feit 1 tenlastegelegde worden vrijgesproken ten aanzien van de periode van 15 maart 2018 tot en met 17 augustus 2018.

Bestaan criminele organisatie

Om het bestaan van een criminele organisatie aan te kunnen nemen, moet allereerst sprake zijn van een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Daarnaast moet deze organisatie in het leven zijn geroepen of feitelijk werkzaam zijn tot het plegen van misdrijven. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat verschillende personen gedurende een periode van meerdere maanden onder de naam “ [naam] ” op grote schaal cocaïne hebben verkocht, waarbij (deels ook tegelijkertijd) meerdere dealertelefoonnummers zijn gebruikt die op afstand werden overgezet naar een andere telefoon op het moment dat de gebruiker daarvan werd aangehouden en de betreffende dealertelefoon in beslag werd genomen, is de rechtbank van oordeel dat de dealergroep handelend onder de naam “ [naam] ” tot oogmerk had het plegen van misdrijven en kan worden aangemerkt als een criminele organisatie.

Deelname verdachte aan criminele organisatie

Van deelname aan een criminele organisatie is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot - of rechtstreeks verband houden met - de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Zoals hierboven is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 8 tot en met 14 maart 2018 cocaïne heeft verhandeld middels de bij de dealergroep handelend onder de naam “ [naam] ” in gebruik zijnde dealertelefoonnummers * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte heeft deelgenomen aan de dealergroep handelend onder de naam “ [naam] ” en acht het onder feit 3 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen voor wat betreft de periode van 8 tot en met 14 maart 2018. Nu, zoals hiervoor is overwogen, op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte na 14 maart 2018 nog heeft gehandeld in cocaïne of anderszins werkzaam is geweest voor de dealergroep handelend onder de naam “ [naam] ”, zal verdachte wat betreft het onder feit 3 tenlastegelegde worden vrijgesproken ten aanzien van de periode van 15 maart 2018 tot en met 17 augustus 2018.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 8 maart 2018 tot en met 14 maart 2018 te Utrecht en Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in

vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd gebruikershoeveelheden cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op 14 maart 2018 te Montfoort, opzettelijk aanwezig heeft gehad 51 gebruikershoeveelheden cocaïne (in totaal ongeveer 24,34 gram), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

op 17 augustus 2018 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad 15 gebruikershoeveelheden cocaïne (in totaal 7,04 gram), zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

op meerdere tijdstippen gelegen in de periode van 8 maart 2018 tot en met 14 maart 2018 te Utrecht en Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken van gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

  1. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

  2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

  3. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, in geval van bewezenverklaring van één of meerdere feiten, verzocht rekening te houden met het feit dat sprake is van een handelsperiode van slechts enkele dagen en de omstandigheid dat verdachte slechts een loopjongen was en geen organiserende of leidende rol heeft gehad. De raadsman heeft tevens verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte licht verstandelijk beperkt is. Bij vonnis van 13 juli 2018 is al een groot aantal bijzondere voorwaarden opgelegd waarmee feitelijk nog niet is aangevangen, waardoor bijzondere voorwaarden in deze zaak niet geïndiceerd zijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in georganiseerd verband schuldig gemaakt aan de handel in en het aanwezig hebben van cocaïne. Cocaïne is een sterk verslavend middel en is schadelijk voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast bevordert de handel in harddrugs criminaliteit, wat overlast en gevoelens van onveiligheid voor de maatschappij tot gevolg heeft. Verdachte is door zijn handelen medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van cocaïne veroorzaakt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij slechts heeft gehandeld uit eigen financieel gewin en zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen.

De Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS) nemen voor het verhandelen van harddrugs gedurende een periode van minder dan een maand tot oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Daarbij wordt uitgegaan van een alleen opererende dader. De rechtbank overweegt dat weliswaar een kortere periode dan een maand is bewezen verklaard, maar dat ook relevant is dat verdachte niet alleen, maar in georganiseerd verband cocaïne heeft verhandeld. Daarnaast is ook bewezen verklaard dat verdachte op twee verschillende dagen cocaïne aanwezig had, waarvoor taakstraffen voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt worden vermeld.

Persoonlijke omstandigheden van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

  • -

    een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 13 augustus 2018;

  • -

    rapportages van de reclassering van 5 november 2018 en van 8 januari 2019.

Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte blijkt dat sprake is van recidive, nu verdachte in oktober 2017 is veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij binnen een jaar na deze veroordeling weer strafbare feiten heeft gepleegd en in het bijzonder dat het opnieuw drugsgerelateerde feiten betreffen.

Uit de rapportages van de reclassering blijkt dat de zorgen over de ontwikkeling van verdachte groot zijn, maar dat verdachte niet gemotiveerd lijkt te zijn voor hulpverlening. In een eerder vonnis zijn bijzondere voorwaarden opgelegd, maar deze zijn nog niet in gang gezet. De reclassering ziet in de huidige strafzaak geen mogelijkheden om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of om het gedrag van verdachte te veranderen. De reclassering adviseert daarom om, in geval van veroordeling, een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Conclusie

Gelet op de ernst van de feiten, het feit dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om middels bijzondere voorwaarden het gedrag van verdachte te veranderen en het feit dat sprake is van recidive, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Zij zal, mede gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, daarom een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, aan verdachte opleggen. Het bevel voorlopige hechtenis zal worden opgeheven op het moment dat de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht gelijk wordt aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

9 BESLAG

Het dossier bevat geen beslaglijst. Ter zitting is gebleken dat er verschillende geldbedragen (met een totale waarde van € 430,50) en een navigatiesysteem onder verdachte in beslag zijn genomen. De raadsman heeft verzocht de inbeslaggenomen goederen terug te geven aan verdachte. De officier van justitie heeft toegezegd dat het navigatiesysteem, indien blijkt dat dit een eerlijke herkomst heeft, aan verdachte zal worden teruggegeven en heeft daarnaast gevorderd de geldbedragen verbeurd te verklaren.

Nu de rechtbank niet in het bezit is van een beslaglijst, is zij van oordeel dat zij geen beslissing kan nemen over de inbeslaggenomen goederen. Ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen merkt de rechtbank voorts op dat uit de stukken die de officier van justitie ter zitting heeft overgelegd blijkt dat de rechter-commissaris op 20 september 2018 een machtiging tot het handhaven van conservatoir beslag tot een bedrag van € 430,50 heeft verleend. Nu niet is gebleken dat dit beslag inmiddels is opgeheven, kan de rechtbank hier ook om die reden geen beslissing over nemen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor wat betreft het onder feit 4 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 tot en met 3 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 tot en met 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging van straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. C.E.M. Nootenboom-Lock en L.M. Reijnierse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.Z. Schoppink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 februari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 8 maart 2018 tot en met 17 augustus 2018, althans in of omstreeks de periode van 8 maart 2018 tot en met 14 maart 2018 en/of op of omstreeks 17 augustus 2018, te Utrecht en/of Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (telkens) (een) gebruikershoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval (telkens) een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (een) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 14 maart 2018 te Montfoort, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 51, althans een of meerdere, gebruikershoeveelhe(i)d(en) cocaïne (in totaal ongeveer 24,34 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 17 augustus 2018 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad 15, althans een of meerdere, gebruikershoeveelhe(i)d(en) cocaïne (in totaal ongeveer 7,04 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

3.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 8 maart 2018 tot en met 17 augustus 2018, althans in of omstreeks de periode van 8 maart 2018 tot en met 14 maart 2018 en/of op of omstreeks 17 augustus 2018 te Utrecht en/of Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van één of meer natuurlijke perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (telkens) opzettelijk inkopen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (telkens) (een) (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks14 maart 2018 te Montfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk beledigend [verbalisant 1] , hoofdagent van politie en/of [verbalisant 2] , agent van politie, in diens/dier/hun tegenwoordigheid (meermalen) mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Jullie zijn zieke mensen, kanker voor jullie. Jullie zijn racisten." en/of "De kut van je moeder", althans woorden van gelijke beledigende aard en / of strekking.

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 11 januari 2019, genummerd PL0900/2017296837 (09POLDER17), opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 3021. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 4] , p. 1999.

3 Indien er in dit vonnis wordt verwezen naar IMEI-nummers, kan het laatste nummer van de reeks van 15 cijfers zijn gewijzigd in een ‘0’. Dit komt doordat de eerste 14 cijfers van het IMEI-nummer uniek zijn en het laatste cijfer variabel kan zijn, ook al gaat het om hetzelfde IMEI-nummer. Zie het proces-verbaal van relaas, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] , p. 6.

4 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 4] , p. 2000.

5 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1415, proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1457, en proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1507 (ten aanzien van nummer * [telefoonnummer] ); proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1440 (ten aanzien van nummer * [telefoonnummer] ); proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1426 (ten aanzien van nummer * [telefoonnummer] ); proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1512 (ten aanzien van nummer * [telefoonnummer] ); proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1509 (ten aanzien van nummer * [telefoonnummer] ).

6 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1415; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1426; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1440; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1457; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1509; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1512.

7 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1417; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1428; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1442; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1460, proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1508.

8 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 4] , p. 2959.

9 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 4] , p. 2079.

10 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 4] , p. 2080.

11 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 4] , p. 2079.

12 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1415;

13 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1458.

14 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1507.

15 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1440.

16 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1427.

17 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1513.

18 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1509.

19 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1416; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1427; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1441; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1458-1459; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1507-1508; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1510; proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 5] , p. 1513.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 1860.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 1861.

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 1862.

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 1869.

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 1870.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 1871.

26 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 7] , p. 1462.

27 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 6] , p. 1460.

28 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 7] , p. 1463.

29 Proces-verbaal ter terechtzitting van 24 januari 2019.

30 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 1] , p. 2467.

31 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 2] , p. 2470.

32 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 2] , p. 2471.

33 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 2492.

34 Een geschrift, te weten: het NFI rapport Identificatie van veelvoorkomende drugs, p. 2499.

35 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 8] , p. 1491.

36 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 7] , p. 1462.

37 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 18 augustus 2018, genummerd 0900-2018238720, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 74. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

38 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 3] , p. 8.

39 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 3] , p. 9.

40 Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 24.

41 Een geschrift: te weten het NFI rapport Identificatie van veelvoorkomende drugs van 24 augustus 2018, door de officier van justitie op 24 januari 2019 aan het dossier toegevoegd.