Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:654

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
UTR 17/4336-E
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak, Wob, Warner Jenkinson, zelf in de zaak voorzien

artikel 10 en 11 Wob

Einduitspraak na toepassing bestuurlijke lus. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak o.a. overwogen dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting als opgenomen in art. 8:42, eerste lid, van de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te sturen. Dit gebrek heeft verweerder na de tussenuitspraak niet in voldoende mate hersteld. Voor zover de rechtbank daartoe op basis van de wel overgelegde stukken in staat is, komt de rechtbank tot de volgende conclusie. Vw heeft een deel van de gevraagde info geweigerd openbaar te maken met de mededeling dat de gevraagde info niet onder hem berust. Deze mededeling komt ook met de aanvullende motivering niet geloofwaardig voor. Met betrekking tot de info die wel onder verweerder berust, maar verweerder met toepassing van weigeringsgronden de openbaarmaking heeft geweigerd, vertoont de motivering nog steeds een aantal gebreken. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank laat de rechtsgevolgen deels in stand, voorziet deels zelf in de zaak door te bepalen dat verweerder documenten openbaar moet maken en draagt verweerder voor het overige op een nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/4336-E

einduitspraak van de meervoudige kamer van 7 februari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigden: mr. H. van Gellekom en E. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) over de verkoop en ontwikkeling van de Warner Jenkinson locatie gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 13 september 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard, opnieuw op het Wob-verzoek van eiseres beslist en nadere (delen van) documenten op grond van de Wob openbaar gemaakt.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Bij brief van 29 mei 2018 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Ook heeft verweerder een aanvullend besluit (het bestreden besluit 2) op het bezwaar van eiseres genomen tot openbaarmaking van informatie op grond van de Wob.

Bij brief van 5 juni 2018 heeft verweerder een aanvullend besluit op het bezwaar van eiseres genomen (het bestreden besluit 3) en gevraagde documenten toegestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verder zijn namens eiseres verschenen [A] , [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Met de tussenuitspraak van 17 juli 2018 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit 1, het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3 te herstellen.

Bij brief van 25 juli 2018 heeft verweerder verzocht om verlenging van de met de tussenuitspraak gegeven hersteltermijn.

Met de brief van 4 augustus 2018 heeft eiseres gereageerd op het verzoek van verweerder.

De rechtbank heeft het verzoek van verweerder om verlenging van de hersteltermijn afgewezen.

Bij brief van 21 augustus 2018 heeft verweerder een tweede verzoek om verlenging van de met de tussenuitspraak van 17 juli 2018 gegeven hersteltermijn ingediend.

De rechtbank heeft het tweede verzoek van verweerder om verlenging van de hersteltermijn afgewezen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak met de brieven van 30 en 31 augustus 2018 een aanvullende motivering ingediend en een aanvullend besluit genomen (het bestreden besluit 4). Ook heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ten aanzien van een deel van de overgelegde stukken heeft verweerder een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in die zin dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van die stukken.

Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft besloten dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De rechtbank doet nu einduitspraak. De overwegingen en beslissingen in de tussenuitspraak staan vast. De rechtbank mag deze alleen wijzigen in bijzondere gevallen. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) beslist. De rechtbank noemt als voorbeelden de uitspraken van 24 augustus 2011 en 15 augustus 2012.1

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, hier samengevat weergegeven, overwogen dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn verplichting als opgenomen in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te sturen. De bestreden besluiten komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Voor zover de rechtbank wel in staat was om de besluitvorming van verweerder te beoordelen, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak als volgt overwogen. De rechtbank heeft geconstateerd dat verweerder heeft erkend dat een deel van de stukken, de inhoud van de mailboxen [D] en [E] geheel en van [F] gedeeltelijk, is gewist. Ook heeft verweerder erkend dat er documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen in de mailbox van [H] zijn gewist. De rechtbank is hierdoor niet in staat om te toetsen of openbaarmaking van deze documenten terecht is geweigerd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de weigering deze documenten openbaar te maken ten onrechte is geweest. De rechtbank vindt echter ook dat verweerders mededeling dat de gevraagde informatie niet onder hem berust niet geloofwaardig voorkomt. De zoekslag als door verweerder toegelicht volstaat niet. Verweerder heeft de bestreden besluiten gelet hierop genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Met betrekking tot de twee brieven van en aan [G] en een tweetal mails van [naam vereniging] constateert de rechtbank dat van daadwerkelijke verstrekking aan eiseres in de zin van de Wob niet is gebleken. Het moet er daarom voor worden gehouden dat verweerder openbaarmaking van deze documenten heeft geweigerd zonder die weigering te voorzien van een weigeringsgrond en een motivering. Verder heeft de rechtbank geconcludeerd dat verweerder in de openbaar gemaakte documenten bij het weglakken van namen onzorgvuldig te werk is gegaan en sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel. Wat de weigering om informatie openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob (onevenredige benadeling) betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende duidelijk is geworden hoe en in hoeverre door openbaarmaking van slechts biedingsbedragen sprake is van bevoordeling of benadeling en van wie. Over de weigering om informatie openbaar te maken op grond van artikel 11 van de Wob heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. Wat bijlage 3 betreft heeft de rechtbank geconcludeerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan is geweigerd informatie openbaar te maken met toepassing van artikel 11 van de Wob. Met betrekking tot bijlage 4 heeft de rechtbank geconstateerd dat de in de mailberichten genoemde bijlagen niet zijn bijgevoegd. Wat de wel met bijlage 4 overgelegde documenten betreft is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de mails aan wethouder [M] met onderwerp “Re: Warner Jenkinson” van 26 mei 2016 17:59 en van 31 mei 2016 18:23 sprake is van een persoonlijke beleidsopvatting. De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat sprake is van een onjuiste vergoeding van de door eiseres in bezwaar gemaakte kosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen met inachtneming van dat wat in de tussenuitspraak is overwogen.

3. De vraag of verweerder de geconstateerde gebreken in voldoende mate heeft hersteld beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daartoe is het volgende van belang.

De op de zaak betrekking hebbende stukken

4. Verweerder heeft een aanvullende motivering gegeven, de volgens verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, inclusief een nieuw opgestelde inventarislijst, en over de vergoeding van kosten in bezwaar een nieuw besluit genomen. In de aanvullende motivering heeft verweerder toegelicht dat het Wob-verzoek van eiseres van 17 december 2016 door verweerder is opgevat als twee afzonderlijke Wob-verzoeken waar ook twee afzonderlijke besluiten op zijn gevolgd. Het eerste Wob-verzoek ziet op documenten met betrekking tot de “selectieprocedure Warner Jenkinson Amersfoort (periode 1 juni 2016 – 29 september 2016)”. Bij besluit van 18 januari 2017 heeft verweerder op dit Wob-verzoek beslist. Op het daartegen gerichte bezwaar heeft verweerder beslist bij besluit van 26 juni 2017. Tegen het besluit van 26 juni 2017 is geen beroep ingesteld. Dat besluit is volgens verweerder niet de inzet van de hier voorliggende beroepsprocedure. Het tweede Wob-verzoek gaat volgens verweerder over de mogelijke aankoop, verkoop en/of herontwikkeling van de Warner Jenkinson locatie te Amersfoort en is volgens verweerder de inzet van de hier voorliggende beroepsprocedure.

5. Eiseres voert in reactie aan, hier kort weergegeven, dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Zo heeft verweerder een aantal documenten wel genoemd op de inventarislijst, maar niet overgelegd. Eiseres wijst onder punten 10 tot en met 15 van haar zienswijze specifiek op de documenten met nummer 34, 43, 44, 58, 65, 67 en 78.

6. De rechtbank leidt uit de aanvullende motivering af dat verweerder met twee afzonderlijke besluiten op het oorspronkelijke Wob-verzoek van eiseres heeft beslist. Het eerste deel ziet op documenten met betrekking tot de “selectieprocedure Warner Jenkinson Amersfoort (periode 1 juni 2016 – 29 september 2016)”. Het tweede deel ziet op documenten over de mogelijke aankoop, verkoop en/of herontwikkeling van de Warner Jenkinson locatie te Amersfoort. De rechtbank stelt vast dat niet (langer) in geschil is dat de hier voorliggende beroepsprocedure gaat over de bestreden besluiten die zijn genomen in het kader van het hiervoor genoemde tweede deel. De rechtbank gaat in deze einduitspraak dan ook niet in op punt 5 van de zienswijze van eiseres, voor zover dit gaat over deel 1. Dit valt namelijk buiten de omvang van het geding. Of verweerder volledig is geweest met het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken beoordeelt de rechtbank in het hierna volgende.

7. De rechtbank merkt over het door eiseres genoemde document 58 op dat verweerder de ongelakte versie van dit document wel heeft overgelegd. De rechtbank is hierdoor in staat om de weigering de informatie in dit document openbaar te maken te beoordelen. Over document 67 wijst de rechtbank eiseres erop dat het mailbericht waar zij naar heeft verwezen te vinden is onder nummer 117. De bijlage van document 117 is document 67, waarin wordt verwezen naar document 47. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat er op dit punt sprake is van een discrepantie in de inventarislijst.

8. De rechtbank constateert met betrekking tot de documenten 34, 43, 44 en 65 dat verweerder slechts een gelakte versie heeft overgelegd. Dit erkent verweerder, althans deels, ook. Verweerder heeft echter niet toegelicht waarom de betreffende documenten niet zijn overgelegd, of er een zoekopdracht is uitgezet naar de betreffende documenten en hoe die zoekopdracht er concreet uit heeft gezien. Ten aanzien van document 78 ontbreekt het door verweerder genoemde mailbericht van [J] van 22 september 2016 en de documenten die zich in een digitale opslag zouden bevinden. Over de bijlagen van document 65 merkt de rechtbank op dat verweerder heeft gesteld dat verstrekken niet mogelijk is omdat de hyperlink niet meer werkt. De rechtbank gaat er vanuit dat verweerder daarmee heeft beoogd te stellen dat de documenten niet meer onder hem berusten. De rechtbank vindt dat deze enkele stelling niet geloofwaardig voorkomt. Met die enkele stelling is immers niet gebleken dat de documenten niet op andere wijze dan via de hyperlink zijn te benaderen. Verweerder heeft met betrekking tot de hiervoor genoemde documenten niet voldaan aan zijn verplichting als opgenomen in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is hierdoor niet in staat om te beoordelen of de weigering om de gelakte informatie openbaar te maken terecht of ten onrechte is. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de weigering de informatie in de hier genoemde documenten openbaar te maken ten onrechte is geweest.

9. Met betrekking tot de twee brieven van en aan [G] en een tweetal mails van [naam vereniging] constateert de rechtbank dat van daadwerkelijke verstrekking aan eiseres in de zin van de Wob met de herstelpoging niet is gebleken. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, moet het er daarom voor worden gehouden dat de weigering de informatie in de hier genoemde documenten openbaar te maken ten onrechte is geweest.

10. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet in voldoende mate is hersteld. Voor zover de rechtbank daartoe op basis van de wel door verweerder overgelegde stukken in staat is, gaat de rechtbank in het hierna volgende in op de vraag of de overige door de rechtbank geconstateerde gebreken in voldoende mate zijn hersteld.
De door verweerder verrichte zoekslag

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het onderzoek naar de bij verweerder aanwezige documenten voldoende inzichtelijk is gemaakt. In de aanvullende motivering verwijst verweerder hiertoe naar een verklaring over het e-mailbeleid van de [functie] . Verweerder merkt daarbij op dat niet zonder meer vaststaat dat er met de door de [functie] geschetste toepassing van het e-mailbeleid in strijd met de Archiefregelgeving is of wordt gehandeld. Verder wijst verweerder erop dat er desalniettemin een nieuwe zoekslag is verricht. Die zoekslag hield in dat er werd gekeken of de betreffende personen mailberichten hebben gestuurd naar andere medewerkers, waardoor verweerder via de mailboxen van die medewerkers alsnog (extra) documenten van [D] , [E] , [F] en [H] zou kunnen traceren. Deze zoekslag heeft echter niets opgeleverd wat [D] , [E] en [F] betreft. Met betrekking tot [H] zijn twee documenten aangetroffen, waarvan één document buiten de reikwijdte van het Wob-verzoek valt en één document al is overgelegd als document met nummer 106.

12. Eiseres voert in reactie aan dat verweerder met de aanvullende motivering niet heeft voldaan aan de opdracht die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft gegeven. Met de enkele herhaling van het e-mailprotocol, dit keer in de vorm van een verklaring van de [functie] , is nog steeds niet duidelijk welke zoekopdracht is uitgezet, hoe deze zoekopdracht er heeft uitgezien en wat er is gedaan om de gevraagde, maar gewiste documenten boven water te krijgen. Tot slot wijst eiseres op de Archiefregelgeving die dwingende voorschriften bevat wat de bewaarplicht betreft.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerders mededeling dat de gevraagde informatie niet onder hem berust ook met de aanvullende motivering niet geloofwaardig voorkomt. Verweerder heeft weliswaar een verklaring overgelegd van de [functie] , die verklaring houdt echter niet meer in dan een omschrijving van hoe het door verweerder gehanteerde e-mailprotocol in zijn algemeenheid wordt toegepast. Daarmee is nog altijd niet gebleken dat verweerder daadwerkelijk een zoekopdracht heeft uitgezet naar de beweerdelijk (geheel of gedeeltelijk) gewiste mailboxen van [D] , [E] , [F] en [H] , hoe die zoekopdracht er in het concrete geval heeft uitgezien, of verweerder in het kader van die zoekopdracht een IT-specialist heeft geraadpleegd en wat die IT-specialist heeft gedaan om de gevraagde documenten boven water te krijgen. Evenmin heeft verweerder inzichtelijk gemaakt dat het wissen van e-mails en andersoortige documenten in die mailbox ook daadwerkelijk tot gevolg heeft dat die documenten van de server zijn gewist en daardoor niet meer raadpleegbaar zijn. Dat verweerder wel in andere mailboxen heeft gezocht naar documenten afkomstig van [D] , [E] , [F] en [H] volstaat in dit opzicht niet. Gelet op het voorgaande is de zoekslag als door verweerder toegelicht nog altijd niet afdoende. De bestreden besluiten zijn dan ook genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank komt gezien het voorgaande niet toe aan de vraag of verweerder al dan niet in strijd met de Archiefregelgeving heeft gehandeld.

Artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob (de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer)

14. Verweerder heeft aanvullend gemotiveerd dat een aantal namen in de openbaar te maken documenten zijn weggelakt omdat verstrekking van die informatie niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Bij de afweging om namen van ambtenaren weg te lakken stelt verweerder aansluiting te hebben gezocht bij recente uitspraken van de ABRvS, waaronder de uitspraak van 31 januari 2018 en de uitspraak van 20 juni 2018.2 Verweerder leidt uit die uitspraken af dat relevant is of de ambtenaar wegens zijn functie in de openbaarheid treedt, woordvoerder is of deel uitmaakt van de leiding. Om gevolg te geven aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft verweerder in een aparte bijlage en in een incidenteel geval per document op de inventarislijst een overzicht gegeven van de medewerkers inclusief hun functie bij de gemeente. In de inventarislijst is per document aangegeven of sprake is van het weglakken van een naam. Bij namen van niet-ambtenaren heeft verweerder de functie van de persoon bekeken en vanuit welke functie/rol er contact is geweest met de gemeente.

15. Eiseres voert in reactie aan dat verweerder verschillende namen ten onrechte geweigerd heeft openbaar te maken. Zo wordt in document 43 volgens de inventarislijst één naam geweigerd, terwijl er in dat document meer namen zijn geweigerd zonder toepassing van een weigeringsgrond. Over document 46 merkt eiseres op dat op de eerste pagina een aantal namen zijn gelakt van mensen/bedrijven/instellingen die zijn uitgenodigd om een plan met bijbehorende bieding in te dienen. Volgens eiseres staat niet vast dat zij allen een plan hebben ingediend en dit blijkt ook niet uit de stukken. De weigering de namen openbaar te maken is daarom onterecht. Over de weggelakte namen in de documenten 89 en 90 vermoedt eiseres dat die bijzonder relevant zijn om het besluitvormingsproces te doorgronden. Verder wijst eiseres erop dat in een niet terug te vinden document, een mail van [I] van 2 maart 2015, 08:31, vijf keer een naam is geweigerd en één keer een passage op grond van persoonlijke beleidsopvattingen.

15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering, met inbegrip van de overgelegde bijlage en nieuw opgestelde inventarislijst, behoudens de documenten 43, 46, en de door eiseres genoemde mail van [I] van 2 maart 2015, 08:31, voldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan niet tot openbaarmaking van de weggelakte namen is overgegaan. Op basis van die motivering heeft verweerder openbaarmaking van die informatie – behoudens de informatie in de hiervoor genoemde documenten - mogen weigeren. Over document 43 verwijst de rechtbank naar dat wat de rechtbank eerder heeft overwogen in overweging 8. Over document 46 concludeert de rechtbank dat verweerder openbaarmaking van de namen ten onrechte heeft geweigerd. De motivering dat het gaat om namen van partijen die (mee) hebben geboden volstaat niet. Daarmee is immers niet inzichtelijk gemaakt waarom dat zou moeten leiden tot de weigering om deze namen openbaar te maken. Over de mail van [I] van 2 maart 2015, 08:31 volgt de rechtbank eiseres in haar betoog dat het document wel is opgenomen in de overgelegde mappen, op basis van de inhoud ook onder de reikwijdte van het Wob-verzoek lijkt te vallen, maar verweerder de daarin geweigerde passages niet heeft voorzien van een motivering in de inventarislijst. Dit levert strijd met het motiveringsbeginsel op.
Over de door eiseres genoemde documenten 89 en 90 merkt de rechtbank op dat wat eiseres heeft aangevoerd onvoldoende concreet is om te concluderen dat de daarin gelakte passages ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt.
Artikel 11 van de Wob (persoonlijke beleidsopvattingen)

15. Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuwe bijlage 3 opgesteld, voorzien van een inventarislijst met een verbeterde of aanvullende motivering per document.

15. Eiseres voert aan dat de nu gegeven motivering nog steeds onder de maat is. Van een aantal passages is nu weliswaar inzichtelijk op grond waarvan zij geweigerd is, maar eiseres bestrijdt dat de weigering terecht is. Van enkele documenten wordt niet eens gesteld dat zij persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad bevatten, maar toch worden die documenten op deze grond geweigerd. Eiseres wijst specifiek op de bijlagen bij de documenten 34, 41, 87, 93, 96, 104, 111, 127.
Bijlage 3

15. De rechtbank heeft met betrekking tot bijlage 3 van de Wob-stukken een steekproef gedaan van ongeveer 10% om te bezien of verweerder de documenten of passages van documenten mocht weigeren met toepassing van artikel 11 van de Wob. De rechtbank heeft de (bijlagen van de) documenten 32, 34, 41, 42, 58, 59 en 72 beoordeeld. De rechtbank is op basis van deze steekproef van oordeel dat verweerder, behoudens ten aanzien van document 34, de weigering informatie openbaar te maken omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad voldoende heeft gemotiveerd. Met betrekking tot document 34 verwijst de rechtbank naar overweging 8. Over documenten 58 en 59 merkt de rechtbank op dat verweerder deze integraal geweigerd heeft. Integrale weigering verdraagt zich in beginsel niet met het uitgangspunt van de Wob, te weten openbaarheid. De rechtbank vindt echter dat de integrale weigering van de documenten, gezien de inhoud ervan, in dit geval toelaatbaar is. In het geval van document 58 gaat het om een concept. Na lezing van het document volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad waarbij integrale weigering gerechtvaardigd is.
Bijlage 4

15. Ook met betrekking tot bijlage 4 van de Wob-stukken heeft de rechtbank een steekproef gedaan van ongeveer 10%. De rechtbank heeft de documenten 87, 88, 93, 96, 104, 111, 127, 158 en 168 beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, behoudens document 127, de weigering informatie openbaar te maken voldoende heeft gemotiveerd. Over de documenten 87, 88, 93, 96, 104 en 111 merkt de rechtbank op dat het gaat om concepten. Gelet op de aard van de documenten en de toelichting van verweerder volgt de rechtbank verweerder in het standpunt dat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Over document 158 en document 168 merkt de rechtbank op dat verweerder deze documenten openbaar heeft gemaakt en het geconstateerde gebrek daarmee is hersteld. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat verweerder geweigerd heeft de bijlage bij document 127 openbaar te maken zonder toepassing te geven aan een weigeringsgrond, althans deze weigeringsgrond onvoldoende te onderbouwen. Dat sprake is van een document opgesteld ten behoeve van intern beraad en “uit de aard van het document geheim” kan niet als zodanige weigeringsgrond of onderbouwing van een weigeringsgrond worden aangemerkt. Op basis hiervan kan niet worden opgemaakt dat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen of dat de gevraagde informatie niet kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.

Artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob (bedrijfs- en fabricagegegevens en het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling)

21. Verweerder heeft aanvullend gemotiveerd dat de weigering om de biedingsbedragen openbaar te maken gebaseerd is op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Verweerder licht daarbij toe dat de biedingen zien op een locatie die onderdeel is van een veel groter te herontwikkelen gebied. De biedingsbedragen hebben geen zelfstandige betekenis. Verweerder wil zijn werkwijze in de toekomst ten aanzien van andere delen in dat gebied op gelijke wijze gaan toepassen, waarbij een aantal dezelfde partijen zich heeft gemeld die zich ook destijds bij de Warner Jenkinson locatie heeft gemeld. Vanuit die optiek vindt verweerder ook de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob in de rede liggen.

21. Eiseres benadrukt het belang dat zij heeft om te weten wat er met de bieding van [onderdeel van eiseres] is gedaan, welke overwegingen een rol speelden en wie daarbij betrokken waren. Eiseres wijst in dit kader op de e-mail van [I] , van 20 april 2015, 12:01, met als onderwerp “FW: nieuwe bieding [onderdeel van eiseres] / [eiseres] ”, de e-mail van onbekende afzender aan [J] en [K] , van 4 oktober 2016, 09:20, met als onderwerp “FW: Bieding”, de e-mail van onbekende afzender aan [I] , van 22 juli 2015, 11:34, met als onderwerp “RE: Aanbieding Warner Jenkinson” en de e-mail van [K] aan [L] en een onbekend persoon, van 12 april 2016, 17:36, met als onderwerp “war: graag even meelezen.”. Eiseres vindt de door verweerder gegeven motivering om de documenten te weigeren op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ondeugdelijk. Op geen enkele wijze wordt volgens eiseres meer inzichtelijk gemaakt op welke wijze openbaarmaking zou kunnen leiden tot bevoordeling of benadeling, laat staan dat deze benadeling onevenredig is, en wie daar dan profijt of nadeel uit zou kunnen behalen. Over document 33 merkt eiseres op dat de motivering van verweerder om de gegevens van de ene partij wel en van de andere partij niet openbaar te maken niet volstaat. De omstandigheid dat gegevens van de ene partij openbaar worden gemaakt omdat het gaat om [onderdeel van eiseres] is niet relevant, aangezien het om openbaarmaking in het kader van de Wob gaat.

21. De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd op grond waarvan openbaarmaking van informatie is geweigerd met betrekking tot de e-mail van [I] , van 20 april 2015, 12:01, met als onderwerp “FW: nieuwe bieding [onderdeel van eiseres] / [eiseres] ”, de e-mail van onbekende afzender aan [J] en [K] , van 4 oktober 2016, 09:20, met als onderwerp “FW: Bieding”, de e-mail van onbekende afzender aan [I] , van 22 juli 2015, 11:34, met als onderwerp “RE: Aanbieding Warner Jenkinson” en de e-mail van [K] aan [L] en een onbekend persoon, van 12 april 2016, 17:36, met als onderwerp “ [.] : graag even meelezen.”. Deze documenten zijn immers niet terug te vinden op de inventarislijst en dus niet voorzien van een weigeringsgrond. Het moet er daarom voor worden gehouden dat verweerder openbaarmaking van (informatie in) deze documenten ten onrechte heeft geweigerd.

21. Over de biedingsbedragen volgt de rechtbank eiseres in haar betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens. Verweerder heeft nagelaten toe te lichten waarom biedingsbedragen bedrijfs- of fabricagegegevens zijn. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder openbaarmaking van de gevraagde informatie heeft mogen weigeren ter voorkoming van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Verweerder heeft in dit verband in voldoende mate toegelicht dat de biedingsbedragen, in relatie tot een viertal kwaliteitsaspecten, relevant zijn voor de toekomstige onderhandelingspositie van de gemeente, zeker nu zich een aantal dezelfde partijen heeft gemeld die bij de Warner Jenkinson locatie heeft meegedaan. De rechtbank wijst ter illustratie naar document 33 waarin verweerder gegevens heeft weggelakt met toepassing van de weigeringsgrond als genoemd in artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob. De enkele omstandigheid dat de gegevens van [onderdeel van eiseres] in het document niet zijn weggelakt betekent nog niet dat openbaarmaking van de weggelakte informatie ten onrechte is geweigerd.
Proceskostenvergoeding in bezwaar

21. De rechtbank constateert dat verweerder met het bestreden besluit 4 een aanvullende proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend. Niet in geschil is dat verweerder het met de tussenuitspraak geconstateerde gebrek op dit punt in voldoende mate heeft hersteld.
Conclusie

21. Gelet op de in tussenuitspraak geconstateerde gebreken is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten, met inbegrip van de aanvullende motivering, in zoverre. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand, behoudens ten aanzien van de in overweging 8, 9, 13, 16, 19, 20 en 23 genoemde (niet herstelde) gebreken. Wat overweging 20 en 23 betreft zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. Dat doet de rechtbank door te bepalen dat document 127 en de e-mail van [I] , van 20 april 2015, 12:01, met als onderwerp “FW: nieuwe bieding [onderdeel van eiseres] / [eiseres] ”, de e-mail van onbekende afzender aan [J] en [K] , van 4 oktober 2016, 09:20, met als onderwerp “FW: Bieding”, de e-mail van onbekende afzender aan [I] , van 22 juli 2015, 11:34, met als onderwerp “ RE: Aanbieding Warner Jenkinson” en de e-mail van [K] aan [L] en een onbekend persoon, van 12 april 2016, 17:36, met als onderwerp “ [.] : graag even meelezen.” in zijn geheel openbaar worden gemaakt.
Verweerder zal voor het overige, dus voor zover de rechtbank niet zelf heeft voorzien, een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak, in het bijzonder de hiervoor genoemde overwegingen 8, 9, 13, 16 en 19. Dit betekent onder meer dat verweerder een nieuwe zoekslag zal moeten verrichten naar de gevraagde documenten, waaronder de documenten waarvan verweerder in beroep heeft gesteld dat de ongelakte versie van het document niet meer onder hem berust. De rechtbank draagt verweerder op binnen zes weken hieraan uitvoering te geven.

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 512,-, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet in voldoende mate zijn hersteld;

- bepaalt dat document 127 en de e-mail van [I] , van 20 april 2015, 12:01, met als onderwerp “FW: nieuwe bieding [onderdeel van eiseres] / [eiseres] ”, de e-mail van onbekende afzender aan [J] en [K] , van 4 oktober 2016, 09:20, met als onderwerp “FW: Bieding”, de e-mail van onbekende afzender aan [I] , van 22 juli 2015, 11:34, met als onderwerp “RE: Aanbieding Warner Jenkinson” en de e-mail van [K] aan [L] en een onbekend persoon, van 12 april 2016, 17:36, met als onderwerp “ [.] : graag even meelezen.” in zijn geheel openbaar worden gemaakt;

- draagt verweerder op voor het overige binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, mr. R.J. Praamstra en mr. J.J. Catsburg, leden, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.

2 ECLI:NL:RVS:2018:321 en ECLI:NL:VS:2018:2043, te raadplegen via www.rechtspraak.nl.