Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6466

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
7023140 AC EXPL 18-1992
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7:220 lid 5 BW. Verhuiskostenvergoeding. Onderscheid renovatie of (dringend) onderhoud. Onvoldoende onderbouwing noodzaak tot verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 7023140 AC EXPL 18-1992 CS/30362

Vonnis van 16 oktober 2019

inzake

1 [verzoeker sub 1] ,

2. [verzoekster sub 2],

beiden wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker sub 1] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.E. Beukers,

tegen:

de stichting

Stichting Portaal,

gevestigd in Utrecht,

verder ook te noemen Portaal,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. F.J. Ringnalda.

1 De procedure

1.1.

Hoe deze procedure is verlopen, blijkt uit:

- de dagvaarding, met bijlages, die bij Portaal is bezorgd op 25 juni 2019;

- de conclusie van antwoord, met bijlages, van Portaal;

- het tussenvonnis van 3 oktober 2018, waarin een zitting is bepaald;

- de brief van [verzoeker sub 1] van 27 juni 2019, met een bijlage;

- de brief van Portaal van 9 juli 2019, met bijlages;

- de brief van Portaal van 15 juli 2019, met bijlage;

- de zitting op 17 juli 2019, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

2 De beoordeling

Waar gaat het om?

2.1.

[verzoeker sub 1] huurt van Portaal een flatwoning aan het [adres] in [woonplaats] . Portaal heeft aan de woning van [verzoeker sub 1] groot onderhoud en renovatiewerkzaamheden uitgevoerd, als onderdeel van een grootschalig project “ [..] ”. Zowel de binnenkant van de woning als de buitenkant van de flat is in deze periode ingrijpend verbouwd. Dat heeft geleid tot veel overlast bij de bewoners van de flat, waaronder [verzoeker sub 1] . Tijdens de werkzaamheden heeft [verzoeker sub 1] twee keer gedurende 2 tot 3 maanden in een logeerwoning verbleven. Vanwege de overlast als gevolg van de bouwwerkzaamheden in combinatie met zijn persoonlijke situatie, was het volgens [verzoeker sub 1] voor hem noodzakelijk om te verhuizen. Hij vordert daarom in deze procedure van Portaal de verhuiskostenvergoeding van € 5.857,--, waar aanspraak op bestaat wanneer renovatiewerkzaamheden plaatsvinden die een verhuizing noodzakelijk maken.

2.2.

Portaal stelt zich op het standpunt dat [verzoeker sub 1] geen recht heeft op een verhuiskostenvergoeding om - samengevat - de volgende redenen:

 [verzoeker sub 1] heeft (stilzwijgend) ingestemd met het voorstel van Portaal (uitvoering in bewoonde staat) doordat hij pas in het gehuurde is gaan wonen nadat Portaal al draagvlak voor de werkzaamheden had behaald, en doordat hij vervolgens ook niet tijdig een beslissing van de rechter heeft gevraagd over de redelijkheid van het voorstel; daarmee heeft hij een beroep op de verhuiskostenvergoeding prijsgegeven;

 als het al noodzakelijk zou zijn geweest om ergens anders te verblijven, is dat niet het gevolg van renovatiewerkzaamheden, maar van dringend onderhoud; in dat geval bestaat geen wettelijke aanspraak op een verhuiskostenvergoeding;

 er was geen noodzaak om te verhuizen, want uitvoering was in bewoonde staat mogelijk;

 er is geen sprake van een verhuizing in de zin van artikel 7:220 lid 5 BW wanneer een huurder in een ingerichte logeerwoning verblijft; daarbij zijn de klachten die [verzoeker sub 1] in deze procedure over de aan hem verstrekte logeerwoning noemt, onterecht; de volledig ingerichte logeerwoning die Portaal [verzoeker sub 1] heeft aangeboden in mei-juni 2015 en in maart-april 2016 beschikte over alle essentiële voorzieningen en Portaal heeft hierin provisorisch gordijnen opgehangen; deze woning verhuurt Portaal normaal gesproken ook;

 het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om in dit geval aanspraak te maken op de wettelijke verhuiskostenvergoeding, want er is niet verhuisd en er zijn dus ook geen kosten gemaakt voor een verhuizing; de ‘verhuizingen’ van [verzoeker sub 1] naar de logeerwoning hielden niet meer in dan het pakken van een paar koffers.

Prijsgeven verhuiskostenvergoeding door instemmen met voorstel? Nee.

2.3.

De kantonrechter volgt Portaal niet in haar stelling dat zij, vanwege het feit dat [verzoeker sub 1] niet eerder dan nadat al voldoende draagvlak was verkregen voor uitvoering in bewoonde staat, dan wel vanwege het feit dat hij niet op tijd (binnen acht weken na kennisgeving door Portaal) een beslissing van de rechter heeft gevraagd over de redelijkheid van het voorstel, geen verhuiskostenvergoeding is verschuldigd. De Hoge Raad heeft in het arrest van 22 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:726) antwoord gegeven op prejudiciële vragen over de verhuiskostenvergoeding en heeft daarbij onder meer benadrukt dat de verhuiskostenregeling van dwingend recht is. De huurder kan daarom geen afstand doen van het recht op de verhuiskostenvergoeding bij renovatie. In het verlengde hiervan is de kantonrechter van oordeel dat de huurder zijn recht op een verhuiskostenregeling ook niet prijs geeft als hij geen gebruik heeft gemaakt van de in de wet geboden mogelijkheid om de redelijkheid van het renovatievoorstel aan de rechter voor te leggen, dan wel in een woning gaat wonen nadat dat voorstel al draagvlak heeft gekregen onder de bewoners.

Renovatie of (dringend) onderhoud?

2.4.

Uit artikel 7:220 lid 5 BW volgt dat een huurder recht heeft op een verhuiskostenvergoeding als een verhuizing noodzakelijk is in verband met voorgenomen renovatiewerkzaamheden. Voor onderhoudswerkzaamheden die geen renovatie zijn gelden andere regels. Uit de memorie van toelichting (Tweede Kamer 2007-2008, 31 528, nr. 3) en de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2016 volgt dat een verhuiskostenvergoeding alleen kan worden gevraagd als de renovatiewerkzaamheden (op zichzelf en dus los van de onderhoudswerkzaamheden) een verhuizing noodzakelijk maken. Benadrukt wordt dat een huurder geen recht heeft op een verhuiskostenvergoeding in geval van (dringend) onderhoud, zelfs niet als dat onderhoud er wel toe leidt dat de huurder de woning (tijdelijk) moet verlaten. Daarbij wordt in de wetsgeschiedenis wel opgemerkt dat het in het algemeen niet vaak zal voorkomen dat een huurder ten behoeve van onderhoudswerkzaamheden de woning moet verlaten. In die gevallen wordt verwezen naar de mogelijkheid van de huurder om bij overlast, kosten of schade aanspraak te maken op huurvermindering of schadevergoeding, als er tenminste kan worden gesproken van een ‘gebrek’.

2.5.

De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 22 april 2016 overwogen dat het bij renovatie moet gaan om werkzaamheden die “geacht worden te leiden tot een toename van het woongenot, als gevolg van vervangende nieuwbouw dan wel als gevolg van de gedeeltelijke vernieuwing van de bestaande woning door middel van een (fysieke) verandering of toevoeging”. Welke werkzaamheden aan de woning van [verzoeker sub 1] als renovatiewerkzaamheden moeten worden aangemerkt laat de kantonrechter echter in het midden, omdat, zoals hieronder is te lezen, de noodzaak om te verhuizen als gevolg van de werkzaamheden, onvoldoende door [verzoeker sub 1] is onderbouwd.

Was er een noodzaak tot verhuizing? Nee.

2.6.

Hoe de door Portaal in dit project verrichte werkzaamheden ook worden genoemd, in dit geval wordt de vordering afgewezen omdat [verzoeker sub 1] niet voldoende heeft onderbouwd dat de werkzaamheden een noodzaak tot verhuizing met zich meebrachten. Er is niet snel sprake van een noodzaak tot verhuizing. Uit de memorie van toelichting blijkt dat zo’n noodzaak bestaat als de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd wanneer de huurder in de woning blijft wonen. Dat kan het geval zijn door de aard van de werkzaamheden, maar ook door de combinatie met specifieke omstandigheden van de huurder (bijvoorbeeld zijn gezondheid of gezinssamenstelling) die in een bepaald geval een noodzaak om tijdens de werkzaamheden te verhuizen met zich mee kunnen brengen.

2.7.

Portaal heeft gesteld dat het overgrote deel van de huurders tijdens de werkzaamheden in dit project niet is verhuisd. [verzoeker sub 1] heeft dit niet tegengesproken. Gelet daarop kan, gegeven de omstandigheid dat in alle woningen min of meer dezelfde werkzaamheden plaatsvonden, moeilijk worden aangenomen dat zonder meer sprake was van een situatie waarin ‘in het algemeen’ een noodzaak bestond om verhuizen. Daarom moet gekeken worden of de specifieke omstandigheden van [verzoeker sub 1] in zijn persoonlijke geval toch een verhuizing noodzakelijk maakten.

Partijen hebben beiden verklaard dat er in 2015 geen werkzaamheden in de woning van [verzoeker sub 1] zijn verricht. Portaal heeft daarbij toegelicht dat [verzoeker sub 1] veel last had van de werkzaamheden buiten zijn woning en dat hij daarom naar een wisselwoning mocht. [verzoeker sub 1] heeft dat niet voldoende tegengesproken. Voor die periode bestaat daarom geen aanspraak op een verhuiskostenvergoeding.

Met betrekking tot de periode in het voorjaar van 2016 overweegt de kantonrechter dat de medische informatie die door [verzoeker sub 1] is overgelegd, niet voldoende onderbouwt dat verhuizing door de gezondheid van [verzoeker sub 1] noodzakelijk was. [verzoeker sub 1] heeft medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2000 (toen hij 17 jaar oud was) een herseninfarct en in 2003 TIA’s heeft gehad en dat hij in december 2016 (toen er niet meer gewerkt werd) opnieuw een klein infarct heeft gehad. Ook blijkt uit de medische documenten dat hij door zijn niet aangeboren hersenletsel in algemene zin verminderd belastbaar is. Daarnaast heeft hij stukken ingediend waaruit blijkt dat zijn vrouw in november 2017 (toen de werkzaamheden al ruim waren afgerond) een vroeggeboorte van hun (tweeling)kinderen heeft meegemaakt. Met deze achtergrondinformatie is voorstelbaar dat [verzoeker sub 1] extra veel last heeft gehad van de bouwwerkzaamheden, en dat dit mogelijk bij hem tot stress heeft geleid. Maar uit deze medische informatie blijkt op zichzelf, zonder verdere onderbouwing, niet dat door de bouwwerkzaamheden zijn woning, die plaatsvonden begin 2016, voor [verzoeker sub 1] een verblijf in de wisselwoning niet volstond en er een noodzaak bestond om te verhuizen. Voor mevrouw [verzoekster sub 2] geldt bovendien dat zij niet eerder dan eind 2016 (officieel) in de woning woonde en tot die tijd in Leeuwarden een woning had.

2.8.

De verhuis- en inrichtingskostenvergoeding van artikel 7:220 lid 5 en 6 BW is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van het verhuizen van de inboedel naar een (tijdelijke) woning, het inrichten van die woning, en het weer terugverhuizen van de inboedel na de renovatie en het herinrichten van de gerenoveerde woning (Tweede Kamer 2002-2003, 28 600 XI, nr. 35 en Tweede Kamer 2007-2008, 31 528, nr. 3). Wanneer er geen verhuizing (inclusief inboedel) heeft plaatsgevonden, maar alleen een verplaatsing naar een wisselwoning, waarbij enkele zaken zijn meegenomen, is de verhuiskostenregeling in principe niet aan de orde. In dit geval heeft [verzoeker sub 1] in een wisselwoning verbleven, maar was het voor hem niet nodig om te verhuizen met al zijn spullen; hij hoefde alleen persoonlijke spullen mee te nemen naar de logeerwoning. [verzoeker sub 1] heeft weliswaar gesteld dat de wisselwoning niet volledig was ingericht en dat hij wasmachine, ijskast en gordijnen mee moest nemen maar Portaal heeft dit gemotiveerd weersproken. Alleen de gordijnen waren niet tijdig aanwezig. Bovendien kon [verzoeker sub 1] nog altijd zijn eigen woning in om bijvoorbeeld de was te doen. De kantonrechter neemt dan ook als vaststaand aan dat [verzoeker sub 1] de tijdelijke logeerwoning niet heeft hoeven inrichten en de eigen woning niet heeft ontruimd, nog los van de vraag of het verblijf in de noodwoning noodzakelijk was voor [verzoeker sub 1] dan wel dat hij, zoals Portaal heeft gesteld, daar alleen verbleef omdat zijn (agressieve) gedrag de werkzaamheden in zijn woning belemmerde. Bovendien heeft [verzoeker sub 1] niet aangetoond dat hij kosten heeft moeten maken in zijn eigen woning bij terugkeer na de renovatie. Er is in dit geval dus geen sprake van een verhuizing zoals bedoeld in artikel 7:220 lid 5 en 6 BW en er bestaat dus ook om die reden geen aanspraak op een verhuiskostenvergoeding.

2.9.

Uit het voorgaande volgt dat Portaal in deze procedure gelijk krijgt. De vordering tot betaling van de wettelijke verhuiskostenvergoeding aan [verzoeker sub 1] zal worden afgewezen.

Proceskosten

2.10.

De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de erkenning van Portaal dat er veel mis is gegaan (zie de Nieuwsbrief van Portaal van juli 2015, productie 2 bij Antwoord) en de bevestiging van Portaal ter zitting dat de werkzaamheden aan de galerijen (te) veel geluidsoverlast hebben opgeleverd en dat dat anders had gemoeten, aanleiding om de proceskosten van partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst het door [verzoeker sub 1] gevorderde af;

3.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in aanwezigheid van de griffier mr. C.S. Schür in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2019.1

1 type: 30362 coll: 908