Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6464

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
7477378 UE VERZ 19-20
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verstoorde arbeidsverhouding. Toewijzing ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van 7:671b en 7:669 lid 3 sub g.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7477378 UE VERZ 19-20 CS/30362

Beschikking van 8 maart 2019

inzake

de stichting

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: E.M. van den Berg,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerder] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J.L.A. van Eeuwijk.

1 Het verzoek en het verweer

1.1.

[verweerder] is sinds 1 januari 1999 in dienst van (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] .

1.2.

[verzoekster] verzoekt op grond van het bepaalde in artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub g Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van 1 juni 2019.

1.3.

[verzoekster] voert daartoe aan dat tussen partijen verschil van inzicht is ontstaan over de wijze waarop [verweerder] invulling moet geven aan de door hem uit te voeren taken. Ondanks inspanningen van partijen is het niet gelukt om het verschil van inzicht te overbruggen en in overleg tot een aanvaardbare oplossing te komen. Hiervan kan geen van partijen een verwijt worden gemaakt. Herplaatsing in een andere passende functie is, ook met behulp van begeleiding, niet mogelijk gebleken. De arbeidsverhouding is zodanig verstoord geraakt dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren.

1.4.

[verweerder] betwist niet wat door [verzoekster] aan het verzoek ten grondslag is gelegd. [verweerder] benadrukt dat hij zich steeds naar behoren voor zijn werk heeft ingezet en dat hem van de ontstane situatie geen verwijt treft. Het verzoek houdt volgens hem geen verband met enig opzegverbod.

2 De beoordeling

2.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond als vermeld in lid 1 van dat artikel. De kantonrechter moet die redelijke grond onderzoeken op grond van artikel 7:671b lid 2 BW. De kantonrechter heeft geconstateerd dat partijen het eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, dat de verstoring zodanig is dat van [verzoekster] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren, dat geen van de partijen hiervan een verwijt treft en dat er geen herplaatsing van [verzoekster] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn mogelijk is.

2.2.

Op basis van het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is verder onderzocht of een opzegverbod ingevolge art 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Dat is niet het geval.

2.3.

Op grond van wat er over en weer is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.

2.4.

Omdat het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, moet het einde van de arbeidsovereenkomst worden bepaald. De kantonrechter bepaalt dit einde op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (volgens partijen bedraagt de opzegtermijn 4 maanden), waarbij de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek (23 januari 2019) en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing (8 maart 2019) in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat een termijn van minstens een maand resteert.

2.5.

Partijen hebben de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 juni 2019. Aangezien deze datum niet vroeger ligt dan de wettelijk voorgeschreven datum is er geen bezwaar tegen toekenning van dit deel van het verzoek.

2.6.

Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 30.000,-- bruto, waarin de wettelijke transitievergoeding is inbegrepen. [verzoekster] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.

2.7.

De proceskosten worden gecompenseerd.

3 De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

  • -

    bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2019;

  • -

    veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een bedrag te betalen van € 30.000,-- bruto;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Wallis, kantonrechter, en is in aanwezigheid van mr. C.S. Schür in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.