Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6462

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
16/484756 / KG ZA 19-493
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Weigering voorlopige voorziening tot ontruiming van appartement. Feiten onvoldoende duidelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/484756 / KG ZA 19-493 /

Vonnis in kort geding van 11 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. R. Ruiter in Hilversum,

tegen

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Bakker in Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 juli 2019, met producties

  • -

    de brief van [gedaagde] van 14 augustus 2019, met producties

  • -

    drie brieven van [gedaagde] van 19 augustus 2019, met producties

  • -

    de brief van [eiser] van 20 augustus, met producties

  • -

    de mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is sinds 1992 juridisch eigenaar van het appartementsrecht bestaande uit een werkplaats op de begane grond aan de [adres] in [woonplaats 2] , terwijl [gedaagde] , zijn vader, eigenaar is van de daarboven gelegen woning. [gedaagde] heeft lange tijd gebruik gemaakt van het appartement van [eiser] en doet dat nog steeds. [eiser] wenst het appartementsrecht te verkopen en wil om die reden dat [gedaagde] de werkplaats ontruimt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert als voorlopige voorziening – kort samengevat – ontruiming van het appartement door [gedaagde] en een verbod aan [gedaagde] om bezichtigingen te verhinderen of bemoeilijken, op straffe van een dwangsom

3.2.

[gedaagde] voert – onderbouwd - verweer. Volgens [gedaagde] heeft hij als economisch eigenaar van het appartement tot zijn dood recht op het gebruik ervan. Hij voert aan dat hij bij aankoop van het appartementsrecht zelf 2/3 van de koopprijs (€ 80.000,--) aan de verkoper (zijn broer) heeft betaald, en dat het resterende deel van de koopsom (€ 40.000,--) is gefinancierd door zijn zoon [eiser] , met als doel hem te helpen om de garage te blijven gebruiken voor zijn autospuiterij. Ook stelt [gedaagde] dat hij de € 40.000,-- die [eiser] voor hem gefinancierd heeft, in de daaropvolgende jaren met maandelijkse contante betalingen (zwart geld) van € 500,-- heeft afbetaald. Hij heeft schriftelijke verklaringen overgelegd die zijn stellingen ondersteunen en hij biedt bovendien bewijs aan van zijn stellingen door het horen van verschillende getuigen. Omdat tussen partijen nooit iets op papier is gezet, is hij afhankelijk van getuigenbewijs, voert [gedaagde] aan.

4 De beoordeling

4.1.

In een kort-gedingprocedure wordt aan de rechter gevraagd om een (spoed)maatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kort-gedingprocedure ook een gewone rechtszaak zal komen. In een kort-gedingprocedure beoordeelt de rechter of het waarschijnlijk is dat in de gewone rechtszaak een beslissing zal worden genomen die in het voordeel van de eisende partij, dat is [eiser] , zal zijn. Als dat voldoende waarschijnlijk is, kan de maatregel die daarop vooruit loopt, als voorlopige voorziening worden toegewezen. Die maatregel betreft hier de ontruiming van het appartement. In deze zaak moet de rechter dus beoordelen of het voldoende waarschijnlijk is dat [eiser] als eigenaar van het appartementsrecht recht heeft op ontruiming hiervan. Door [gedaagde] is dit stellig tegengesproken. Op basis van het dossier en wat op de zitting is besproken is dit naar het oordeel van de rechter niet zodanig waarschijnlijk geworden dat hierop vooruit kan worden gelopen in een voorlopige voorziening. Wat er precies is gebeurd en afgesproken tussen [gedaagde] en [eiser] , blijft onduidelijk, omdat partijen hier stellige en met elkaar strijdige stellingen over hebben ingenomen. [gedaagde] onderbouwt zijn betwisting met diverse schriftelijke verklaringen die hij heeft overlegd en hij heeft nader getuigenbewijs aangeboden. Voor het geven van bewijsopdrachten door de rechter en/of het horen van getuigen is in kort geding echter geen plaats. Omdat de feiten een nader onderzoek vergen, kan de voorzieningenrechter niet tot het oordeel komen dat het voldoende waarschijnlijk is geworden dat [eiser] als (juridisch én economisch) eigenaar van het appartement, gerechtigd is ontruiming te eisen. Hierdoor kan de rechter de vordering in deze procedure niet toewijzen.

4.2.

Het feit dat partijen familie van elkaar zijn, is voor de rechter aanleiding om de proceskosten compenseren. Dat betekent dat iedere partij van deze procedure de eigen proceskosten moet dragen.

5
5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de voorziening,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.1

1 type: 4848 coll: