Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:643

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
C/16/19/26 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker met vasculaire dementie niet maar de beschermingsbewindvoerder wel ontvankelijk. Schulden niet te goeder trouw als ondernemer. Toch toegelaten op grond van art. 288 lid 3 Fw. Toelating mede in belang van slagen schuldsanering van echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/19/26 R

uitspraakdatum: 18 februari 2019

uitspraak op grond van artikel 288 lid 3 van de Faillissementswet (Fw)

(“toepassing schuldsanering”)

enkelvoudige kamer

[vezoeker] ,

wonende [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

verzoeker,

hierna ook te noemen: [vezoeker] .

De procedure

Bij verzoekschrift van 13 september 2018 heeft [vezoeker] zich gewend tot deze rechtbank met het verzoek de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.

Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 3 december 2018. Daarbij is [vezoeker] niet verschenen. Ter zitting is mevrouw [A] , de echtgenote van [vezoeker] , verschenen en gehoord. Meegekomen is de heer [B] , een neef van [vezoeker] .

Ter zitting is ook verschenen mevrouw [C] , schuldhulpverlener, werkzaam bij [bedrijfsnaam] te [vestigingsplaats] .

Op 7 december 2018 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van de schuldhulpverlener met als bijlage een verklaring van [vennootschap onder firma 1] te [vestigingsplaats] van 6 december 2018. Hierin wordt verklaard dat het voor [vezoeker] in verband met zijn psychiatrische toestand, te weten depressie, psychose en vasculaire dementie, te belastend was om op de zitting van 3 december 2018 aanwezig te zijn.

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek aangehouden tot 22 januari 2019 teneinde de echtgenote van verzoeker in de gelegenheid te stellen beschermingsbewind ten behoeve van verzoeker aan te vragen als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank heeft vervolgens kennis genomen van:

  • -

    een e-mailbericht van mevrouw [C] , voornoemd, van 10 januari 2019, inhoudende een verzoek aan de rechtbank om nader uitstel te verlenen, zodat de uitspraak op het verzoek tot onderbewindstelling van [vezoeker] kan worden afgewacht;

  • -

    een brief van mevrouw [C] , voornoemd, van 31 januari 2019, met als bijlagen:
    - een kopie van de beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2019 betreffende onderbewindstelling van alle goederen die aan [vezoeker] (zullen) toebehoren wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [B] , voornoemd, tot bewindvoerder (hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder);
    - een kopie van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, mede-ondertekend door de beschermingsbewindvoerder.

De beoordeling

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van [vezoeker] en de beschermingsbewindvoerder in het ingediende verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank neemt in aanmerking dat [vezoeker] -zoals blijkt uit voormelde verklaring van [vennootschap onder firma 1] te [vestigingsplaats] - is gediagnosticeerd met onder meer vasculaire dementie. Gelet op deze verklaring en de toelichting ter zitting van de echtgenote, neef en schuldhulpverlener heeft de rechtbank ernstige twijfel over de wilsbekwaamheid van [vezoeker] bij de indiening van het verzoek en daarmee over zijn ontvankelijkheid.

Blijkens de inhoud van de bijlage bij de brief van de schuldhulpverlener van

31 januari 2019 heeft de beschermingsbewindvoerder het verzoek onderschreven en kan deze daarmee worden aangemerkt als mede-verzoeker.

De Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 25 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BV4010), dat het indienen van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling niet behoort tot de in artikel 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt, maar dat het bewind en de houding van de beschermingsbewindvoerder wel relevante omstandigheden vormen die de rechtbank bij de beslissing op het verzoek in aanmerking dient te nemen. De Hoge Raad heeft zich in genoemd arrest echter niet uitgelaten over de vraag wat dient te gelden indien de schuldenaar niet (meer) wilsbekwaam is en zelf geen verzoek kán doen. Hoewel in artikel 284 lid 4 Fw de mogelijkheid wordt geboden het verzoek door burgemeester en wethouders te laten doen, lijkt het in een zodanig geval in de rede te liggen dat de beschermingsbewindvoerder die juist is benoemd om de vermogensrechtelijke belangen van de schuldenaar te beschermen en te behartigen wél de schuldenaar in rechte kan vertegenwoordigen bij het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsanering. In het onderhavige geval neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [vezoeker] het verzoek tezamen met zijn echtgenote [A] heeft ingediend en dat [A] bij vonnis van deze rechtbank van 11 december 2018 reeds is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Nu [vezoeker] en [A] zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, is de ontvankelijkheid van het verzoek en daarmee de mogelijkheid om ook toegelaten te worden niet alleen voor [vezoeker] zelf maar ook voor zijn echtgenote van belang.

Gelet op deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank [vezoeker] niet maar de bewindvoerder wel ontvangen in zijn verzoek.

Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [vezoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van een substantieel deel van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Daarbij gaat het met name om de aanzienlijke (preferente) schulden aan de Belastingdienst van [vezoeker] in persoon en als vennoot van de onderneming [vennootschap onder firma 2] , in totaal voor een bedrag van circa € 285.000,-- terzake van inkomstenheffing, premieheffing, loonheffing en omzetbelasting. Deze belastingschulden worden in beginsel aangemerkt als schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan.

Tegelijk bestaan, gelet op de beschikbare (medische) gegevens alsmede op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, (sterke) aanwijzingen dat de schulden mede zijn ontstaan doordat [vezoeker] al enkele jaren kampt met gezondheidsproblemen die veel impact hebben op zijn geestelijke toestand, als gevolg waarvan hij de consequenties van zijn handelen én nalaten niet altijd goed heeft kunnen overzien en waardoor hij niet, althans in onvoldoende mate, in staat is geweest zijn financiële zaken goed te verzorgen.

[vezoeker] heeft er blijk van gegeven dat hij gemotiveerd en bereid is de hem geboden hulp te aanvaarden. Hij heeft zich onder behandeling laten stellen van het [vennootschap onder firma 1] . Voorts is een beschermingsbewind ingesteld dat hem kan helpen aan de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen.

Bovendien is de onderneming inmiddels beëindigd.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden onder controle zijn gekregen, zodat [vezoeker] op de voet van artikel 288 lid 3 Faillissementswet kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.


Daarbij tekent de rechtbank aan dat zij ervan uitgaat dat [vezoeker] gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling onder beschermingsbewind zal blijven staan en dat hij daarnaast alle hulp en zorg die hij thans ontvangt, zal blijven aanvaarden en waar nodig extra hulp zal inroepen.

Tenslotte heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat toelating van [vezoeker] tot de schuldsaneringsregeling mede van belang is voor (het slagen van) de schuldsanering van zijn echtgenote [A] . In geval van schuldenaren die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd heeft schuldsanering immers alleen zin als beiden worden toegelaten tot de regeling.


Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het toelatingsverzoek toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoeker [vezoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[vezoeker] ,

geboren op [geboortedatum] -1964 te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

voorheen handelend onder naam [vennootschap onder firma 2] , onder KvK-nummer: [KvK-nummer] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. P.J. Neijt,

en tot bewindvoerder A.M.J.G. van der Westen,

Postbus [postbusnummer] , [postcode] [woonplaats] ;

  • -

    verhoogt, vooralsnog, het bedrag bedoeld in artikel 295 lid 2 van de Faillissementswet in die zin, dat buiten de boedel wordt gelaten een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met dien verstande dat waar in dat artikel staat: "negentig" of "90", wordt gelezen: "95", of, indien de schuldenaar inkomen uit arbeid verkrijgt, gedurende de periode(s) waarin hij dat inkomen verkrijgt: "100";

  • -

    stelt bij wijze van voorschot, bij toereikend boedelactief, het salaris van de bewindvoerder vast op het op grond van artikel 2 van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling geldende bedrag;

- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Smit en is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2019.