Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6373

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1044
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond, handhaving, geen sprake van overtreding bij de aanleg van de tuin, verweerder behoefde niet over te gaan tot handhaving.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1044

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, verweerder

(gemachtigde: S. Pijnappel).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats] , (vergunninghouder)

gemachtigde: mr. A.C. van Oijen.

Procesverloop

Eisers hebben verweerder op 21 januari 2019 verzocht om handhavend op te treden tegen het aanleggen van een buitenspeelplaats op het perceel [adres] te [woonplaats] (het perceel)

Bij besluit van 7 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden afgewezen.

Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en verweerder tevens verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep. Bij brief van 5 maart 2019 heeft verweerder ingestemd met rechtstreeks beroep en het bezwaarschrift van 25 februari 2019 tegen het besluit van 7 februari 2019 (het bestreden besluit) aan de rechtbank toegestuurd met het verzoek de behandeling over te nemen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. De zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaak onder zaaknummer UTR 19/170 (vergunning) en daarna weer gesplitst. In deze zaken worden aparte uitspraken gedaan, eerst in 19/170 en aansluitend in zaak met nummer 19/1044. Beide uitspraken worden op dezelfde dag verzonden. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. T.M.H. van Zundert. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Oijen en

mr. G. Schildknegt.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het verzoek tot handhaving van eisers is bedoeld om de aanleg van beoogde buitenspeelplaatsen door vergunninghouder op het perceel te voorkomen. Eisers wonen op het perceel [adres] te [woonplaats] dat met de achtertuin grenst aan het perceel. Op het perceel is een kinderdagverblijf gevestigd. Het kinderdagverblijf is voornemens om de tuin van het perceel in te richten voor spelende kinderen.

Op het perceel is het bestemmingsplan “Kom West 2007” ( het bestemmingsplan) van toepassing en rust de bestemming ‘Gemengde Doeleinden’ en “Tuin II”.

Op grond van lid 1, onder a, van artikel 9, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor Gemengde Doeleinden aangewezen gronden, voor wat betreft de begane grondlaag, bestemd voor kantoren, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en bedrijven in de milieucategorie I van de van deze voorschriften deel uitmakende Lijst van Bedrijfsactiviteiten en voor wonen. Zoals volgt uit de uitspraak van deze rechtbank onder zaaknummer UTR 19/170 is het gebruik van het hoofdgebouw op dit perceel als kinderdagverblijf toegestaan.

In lid 1 van artikel 8 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan is beschreven waarvoor de gronden met bestemming Tuin II zijn bestemd. Volgens lid 1 zijn deze gronden bestemd voor bij het hoofdgebouw behorende tuinen en erven en voor een met de woonbestemming samenhangend “beroep aan huis”.

2. Eisers willen dat handhavend wordt opgetreden tegen de aanleg van een buitenspeelplaats voor kinderen van het kinderdagverblijf op de grond van het perceel met de bestemming Tuin II (hierna: de tuin). Eisers geven aan dat de tuin al wordt gebruikt door spelende kinderen. Zij voeren – kort weergegeven – aan dat het bestemmingsplan niet toestaat dat de tuin wordt gebruikt als speelplaats voor de door het kinderdagverblijf opgevangen kinderen. Eisers beroepen zich hierbij onder meer op de uitspraak van Afdeling van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 januari 2019 (nummer 201800631/A1). Net zoals in het geval van de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, bevat het bestemmingsplan geen nadere uitleg of definitie van het begrip “Tuin”. Er moet daarom volgens eisers sprake zijn van normaal gebruik als tuin. Volgens eisers zal de tuin niet normaal worden gebruikt als tuin, maar als een soort schoolplein. Volgens eisers, zo begrijpt de rechtbank, is te verwachten dat het gebruik van de tuin onderdeel uitmaakt van en een uitbreiding is van de opvangfunctie van het kinderdagverblijf. Er is daarom geen sprake van een gewoon gebruik als tuin maar van een verlengstuk van het bedrijf en een uitbreiding van het gebruik van het hoofdgebouw. Dit is strijdig met de bestemming Tuin II. De aard, omvang en intensiteit van het gebruik als buitenspeelplaats zal ernstige hinder opleveren voor het woonmilieu van eisers.

3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Omdat geen sprake is van een overtreding, is handhavend optreden tegen de aanleg van een buitenspeelplaats niet mogelijk.

Omdat op het gedeelte van het perceel waar de tuin wordt ingericht de bestemming Tuin II rust, is deze grond bestemd voor de bij het hoofdgebouw behorende tuinen en erven. Een kinderdagverblijf is toegestaan binnen de bestemming Gemengde Doeleinden. De tuin mag daarom als tuin behorend bij het gebruik van het kinderdagverblijf ingericht worden. Het aanleggen van een tuin, aanbrengen van verharding, gras en wilgentakken en boomstammen, zoals door vergunninghouder is voorzien, is daarbij niet vergunningplichtig en levert in die zin ook geen overtreding op, aldus verweerder.

4. Voor zover eisers betogen dat zij vrezen dat de tuin in gebruik gaat worden genomen als een soort schoolplein en dat daarom geen sprake zal zijn van gebruik als tuin zoals bedoeld in het bestemmingsplan, kan dit niet leiden tot het oordeel dat verweerder handhaving niet had mogen weigeren.

De rechtbank overweegt daartoe dat eisers onvoldoende hebben uitgewerkt wat zij onder het gebruik als een soort schoolplein verstaan, waarom dit gebruik in strijd is met de bestemming tuin en of hiervan ten tijde van het bestreden besluit sprake was of waaruit blijkt dat hiervan sprake zal zijn. Omdat niet vastgesteld kan worden dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van het gebruik of gaan gebruiken van de tuin als een soort schoolplein en wat daaronder moet worden verstaan, kan de rechtbank niet beoordelen of verweerder had moeten handhaven omdat het (gaan) gebruik(en) van de tuin als een soort schoolplein in strijd is met het bestemmingsplan.

Niet in geschil is dat op het moment dat handhaving werd gevraagd de tuin werd ingericht met verharding, gras, wilgentakken en boomstammen met de bedoeling dat kinderen van het kinderdagverblijf in de tuin kunnen spelen. De vraag die de rechtbank daarom nog zal beantwoorden is of sprake is van strijd met het bestemmingsplan door de tuin op deze wijze in te richten en kinderen van het kinderdagverblijf in de tuin te laten spelen. Indien in dat geval sprake is van strijd met het bestemmingsplan, dan heeft verweerder vanwege onjuiste redenen geweigerd handhavend op te treden.

5. Voor de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat het bestemmingsplan niet nader uitlegt wat onder het begrip “tuin” moet worden verstaan. Daarom moet er van worden uitgegaan dat het, bij het gebruik van de tuin, om normaal gebruik als tuin moet gaan (zie de uitspraak van de Afdeling onder het nummer ECLI:RVS:2017:1790). De vraag of sprake is van normaal gebruik van de tuin -wanneer de tuin wordt ingericht met verharding, gras, wilgentakken en boomstammen en kinderen in de tuin spelen- moet worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is, dat dit planologisch te rijmen is met de functie van tuin.

6. Uit de stellingen van partijen kan de rechtbank niet afleiden dat de ruimtelijke uitstraling van dit gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit, niet te rijmen is met de functie van tuin. In dit verband is van belang dat het spelen van kinderen in een tuin, en ook de inrichting van de tuin met verharding, gras, wilgentakken en boomstammen, onder het normaal gebruik van een tuin moet worden verstaan. Omdat de tuin hoort bij het kinderdagverblijf mag deze door het kinderdagverblijf als tuin worden gebruikt. Ook het spelen van door het kinderdagverblijf opgevangen kinderen, is een normaal gebruik van een tuin door een kinderdagverblijf. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat het laten spelen van opgevangen kinderen in de tuin een ontoelaatbare verlenging en uitbreiding van het kinderopvangbedrijf is. Dit kan anders zijn indien de ruimtelijke uitstraling van dit gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit, niet (meer) te rijmen is met de functie van tuin. Uit de standpunten van partijen, waaronder de toelichting van de plannen van de aanleg van de tuin en de foto’s, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te kunnen vaststellen dat de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van de tuin ten tijde van het bestreden besluit zodanig was dat het gebruik niet te rijmen was met de functie van tuin. Hierdoor kan de rechtbank eisers niet volgen in hun standpunt dat verweerder handhaving niet had mogen weigeren.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de toets aan voormelde voorschriften uit het bestemmingsplan zich wat betreft de aanleg van de tuin op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is een overtreding en dus niet tot handhaving behoefde over te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.A. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.