Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6371

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3609
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond, WIA standaard.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.G. Voets),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. van den Brink).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om eiser met ingang van 4 december 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.

Bij besluit van 20 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en ongewijzigd geweigerd om eiser met ingang van 4 december 2017 WIA-uitkering toe te kennen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Eiser is verschenen vergezeld door zijn dochter, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere toelichting te geven en een aanvullende reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep over te leggen.

Verweerder heeft bij brief van 8 april 2019 gereageerd en daarbij de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep P.G. Reijnen van 5 april 2019 overgelegd.

Bij brief van 22 april 2019 heeft gemachtigde van eiser nader gereageerd.

Partijen hebben daarna toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de rechtbank op 12 juli 2019 het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft zich op 7 december 2016 (datum einde dienstverband) arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werk als schilder voor gemiddeld 22,76 uur per week. Eiser heeft per einde wachttijd, te weten 4 december 2017, een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Deze aanvraag heeft geleid tot de onder ‘Procesverloop’ genoemde besluiten.

Het geschil

2. Volgens verweerder komt eiser per 4 december 2017 niet in aanmerking voor een WIA‑uitkering, omdat hij per die datum minder dan 35%, namelijk 16,53% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep D. Frenay (Frenay) en het arbeidskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep P.G. Reijnen (Reijnen). Eiser is het hier niet mee eens en vindt dat hij per 4 december 2017 volledig arbeidsongeschikt (80-100%) is. De rechtbank moet aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, beoordelen of de conclusie van verweerder juist is geweest. Hierbij gaat het om het medische toestandsbeeld van eiser op 4 december 2017.

Beoordeling van het geschil

3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, als deze rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk.

Zorgvuldigheid

4. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van Frenay zorgvuldig is geweest. Frenay heeft, zo blijkt uit haar rapport 10 augustus 2018, het dossier van eiser bestudeerd en kennisgenomen van de medische informatie van de behandelaren van eiser, van het rapport van verzekeringsarts Richter en van het verslag van 11 april 2018 van het expertise-onderzoek door Ergatis. Ook heeft Frenay de in bezwaar van eiser ontvangen informatie van radioloog [A] beoordeeld. Frenay heeft de beperkingen van eiser die de primaire verzekeringsarts J.J.M. Richter in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 8 mei 2018 heeft opgenomen, niet gewijzigd. Zij heeft eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe haar beoordeling tot stand is gekomen. Onder die omstandigheden is geen sprake van een onzorgvuldig onderzoek.

Medische beoordeling

5. Eiser voert aan dat de medische beoordeling van Frenay onjuist is, omdat zij de beperkingen van eiser heeft onderschat. Frenay heeft volgens eiser niet gemotiveerd waarom zij minder beperkingen bij eiser aanneemt dan de verzekeringsarts van de eerstejaarsziektewetbeoordeling heeft gedaan. Tenslotte zijn eisers klachten sinds die beoordeling alleen maar verergert. Eiser stelt dat Frenay op de FML in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen en 5. Statische houding, meer beperkingen had moeten aannemen. Bovendien had een aanzienlijke urenbeperking in de FML opgenomen moeten worden.

6. Wat eiser aanvoert leidt niet tot het oordeel dat de medische beoordeling door Frenay onjuist is. Frenay beschrijft dat bij Ergatis op verzoek van verzekeringsarts Richter psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat eisers werkzaamheden goed gestructureerde routinematige werkzaamheden moeten zijn, zonder veelvuldige deadlines en productiepieken, zonder hoog handelingstempo en zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en zonder verhoogd persoonlijk risico. Dit sluit volgens Frenay aan bij de aanwezige depressieve klachten. Ook is eiser beperkt ten aanzien van conflicthantering, samenwerking, klant/patiëntencontact en leidinggevendentaken en moeten eisers werktijden regelmatig zijn. Deze beperkingen vindt Frenay passend bij de voor eiser bekende ‘Cluster B trekken’. Frenay vermeldt dat uit het verslag van Ergatis van april 2018 blijkt dat voor de lichamelijke klachten van eiser op neurologisch en/of reumatologisch gebied geen objectieve medische oorzaak kan worden gevonden. Frenay heeft in haar rapportage uitgelegd waarom zij niet meer beperkingen wil aannemen dan de beperkingen die Richter in de FML van 8 mei 2018 heeft vastgesteld. Hoewel er geen objectief medische verklaring kan worden gevonden, zijn in de FML van 8 mei 2018 toch beperkingen aangenomen voor snelle hoofdbewegingen en zwaar fysiek werk in verband met de ervaren klachten aan nek en armen. De in bezwaar nog verstrekte informatie van de radioloog [A] van 25 juni 2018 is voor Frenay ook geen aanleiding voor het aannemen van meer beperkingen betreffende de hand en vingervaardigheid (items in rubriek 4 van de FML), omdat de toename van de röntgenologische afwijkingen daar geen aanleiding voor geven. De al aangenomen beperkingen ten aanzien van zwaar tilwerk, duwen/trekken en frequent zware lasten hanteren acht zij passend en voldoende.

7. In beroep heeft Frenay de nog overgelegde medische informatie van de neuroloog C. Jansen van 11 oktober 2018 en van de handentherapeut [B] van 27 november 2018 beoordeeld. Uit haar rapport van 28 januari 2019 blijkt dat deze informatie voor Frenay geen reden is voor het vaststellen van meer arbeidsbeperkingen. De informatie van de neuroloog over rugklachten is volgens Frenay niet bruikbaar want van na de beoordelingsdatum 4 december 2017 (de datum in geding). Ten tijde van het primaire onderzoek of het onderzoek bij Ergatis kwamen deze rugklachten niet aan de orde. Ook de informatie van de handentherapeut is voor Frenay geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen. De reden hiervoor is dat er weliswaar aanwijzingen zijn voor artrose aan beide handen van eiser, maar dit is volgens Frenay een normaal verschijnsel bij mensen van de leeftijd van eiser. Het vormt echter geen verklaring voor de klachten die eiser aan zijn handen ervaart. Frenay verwijst nog naar de informatie van de reumatoloog van april 2017. Die meldde toen al dat dezelfde klachten aan de handen, (pijnklachten met tintelingen), niet reumatologisch waren. De klachten leken meer op spierpijnklachten ten gevolge van medicatiegebruik. Frenay gaat ook nog expliciet in op de diagnose van de handentherapeut. Zij bespreekt dat zij zich daar niet in kan vinden omdat het gaat om een klacht zonder anatomisch substraat (de klacht is niet te herleiden uit de bouw van de handen). Daarbij betreft het alleen zes van de vingers en dat is naar haar oordeel onwaarschijnlijk bij de gestelde diagnose. Zij merkt nog op dat de klachten aan beide handen al jaren aanwezig zijn, zodat je dan meer afwijkingen mag verwachten bij onderzoek aan de handpalmen.

8. De rechtbank kan de gemotiveerde redeneringen en conclusies van Frenay volgen. Frenay heeft voldoende uitgelegd waarom zij vindt dat de beperkingen op FML van 8 mei 2018 aansluiten bij de klachten van eiser op 4 december 2017. Dat tijdens de eerstejaarziektewetbeoordeling door de verzekeringsarts Carere reden werd gezien voor meer beperkingen, betekent niet dat de beoordeling van Frenay onjuist is. Hierbij vindt de rechtbank het van belang dat verzekeringsarts Richter een expertise onderzoek van Ergatis nodig vond omdat veel (pijn)klachten van eiser niet konden worden verklaard zodat deze niet zonder meer als beperkingen konden worden vastgesteld. Eiser is vervolgens dicht op de beoordelingsdatum (de datum in geding) uitgebreid door Ergatis onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn door Frenay aan de beoordeling ten grondslag gelegd en hebben geleid tot de vaststelling van de beperkingen.

9. De rechtbank concludeert dat de medische beoordeling van Frenay is gebaseerd op een consistente en inzichtelijke motivering. Dit betekent dat de medische grondslag van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig en juist is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de FML van 8 mei 2018 klopt. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is immers juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Aan hoe eiser zelf zijn klachten en zijn belastbaarheid ervaart, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiser heeft in beroep nog zonder enige medische onderbouwing aangevoerd dat een aanzienlijke urenbeperking noodzakelijk is. Nu een medische onderbouwing voor een urenbeperking ontbreekt en ook door eiser hier niet eerder op is gewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit punt aan de medische beoordeling te twijfelen.

Deskundige

11. Eiser verzoekt de rechtbank om een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige in te schakelen, omdat zijn beroep aanleiding geeft voor twijfel aan de medische beoordeling.

12. Zoals hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Ook ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat verweerder zijn beperkingen heeft onderschat, zodat sprake zou zijn van een oneerlijk proces. Eiser heeft zich in beroep laten bijstaan door zijn gemachtigde en heeft zijn beroep onderbouwd met argumenten. Tot slot twijfelt de rechtbank ook niet aan de juistheid van de medische beoordeling, zodat ook daarin geen reden bestaat voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. De rechtbank wijst het verzoek van eiser daarom af.

Arbeidskundige beoordeling

13. Op grond van de FML van 8 mei 2018 heeft Reijen als arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 augustus 2018 verschillende functies voor eiser geduid. Op basis van deze functies stelt Reijen vast dat eiser per 4 december 2017 voor 16,53% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

14. Eiser voert aan dat de functies niet geschikt zijn voor hem, omdat het allemaal functies betreft met precisiewerk met de handen terwijl eiser door de amputatie van zij linker duim en de toegenomen hand/armklachten daar niet toe in staat is. De FML is op dat punt niet juist. Ook meent eiser dat dat de functies van samensteller kunstof/rubber en medewerker tuinbouw niet geschikt zijn vanwege het aspect samenwerken. Eiser is op dit item (2.9.2) sterk beperkt en dat betekent, dat hij in de regel niet met anderen kan werken en aangewezen is op functies waarbij niet samengewerkt hoeft te worden. Functies waarbij met anderen moet worden gewerkt met een eigen deeltaak zijn voor eiser te belastend en dus niet passend. Eiser is aangewezen op solitaire functies, aldus eiser.

15. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank uit van de juistheid van de FML van 8 mei 2018. Zolang de functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van eiser in deze FML, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de functies. Uit het rapport van Reijen van 14 augustus 2018 blijkt dat in de functies van samensteller kunstof en medewerker tuinbouw als kenmerkende belasting samenwerken is opgenomen. Samenwerken is in het CBBS gedefinieerd als met meerdere personen gezamenlijk een taak uit voeren. De functie geeft een signalering op dit punt, omdat voor deze functies ten aanzien van samenwerken wordt aangegeven dat er sprake is van een afgebakende deeltaak. Reijen komt echter (ook na overleg op 1 april 2019 met Frenay) tot de conclusie dat de belastbaarheid van eiser in samenwerken niet wordt overschreden. Frenay acht eiser inderdaad sterk beperkt op het item (2.9.2): Samenwerken. Dat betekent volgens Frenay dat eiser in de regel niet met anderen kan samenwerken. Eiser is door Frenay echter niet beperkt geacht op item 2.12.4:. werk waarin geen direct contact met collega’s is vereist. Frenay heeft vastgesteld dat eiser ondanks zijn beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren in staat was om in een werkrelatie en op sociaal en functioneel niveau met collega’s om te gaan. Eiser is daarom niet beperkt op 2.12.4.: contact hebben met collega’s. Frenay acht eiser om die reden niet aangewezen op solitaire functies.

In zijn aanvullend rapport van 5 april 2019 legt Reijen uit dat voor de functie samensteller kunstof en rubberproducten het functionele en sociale contact met collega’s summier is. Samenwerking in de zin van in onderlinge afstemming een deeltaak uitvoeren is niet aan de orde. Ieder medewerker heeft zijn eigen taak en hoeft niet op de ander te wachten. Voor de functie medewerker tuinbouw legt hij uit dat iedereen een eigen taak en eigen werkgebied aan roltafels heeft. De samenwerking is uitsluitend gericht op het maken van standaard werkafspraken. De functie kent een solitair karakter en de onderlinge contacten zijn kort en functioneel.

16. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige in zijn rapportages van 14 augustus 2018 in samenhang met de uitleg in de rapportage van 5 april 2019, voldoende heeft uitgelegd en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de uitleg van eiser over de sterke beperking op item 2.9.2 Samenwerken niet kan worden gevolgd. De beroepsgrond slaagt niet.

17. De rechtbank concludeert dat de arbeidskundige beoordeling van Reijen is gebaseerd op een consistente en inzichtelijke motivering. Dit betekent dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig en juist is.

Eindconclusie

18. Nu uit het arbeidskundig onderzoek blijkt dat eiser op 4 december 2017, minder dan 35%, namelijk 16,53% arbeidsongeschikt is, heeft verweerder zijn WIA‑aanvraag per die datum terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. de Vaan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.A. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.