Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6342

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
20-01-2020
Zaaknummer
C/16/421587 / HA ZA 16-611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid accountant. Wel beroepsfout, maar conditio sine qua non-verband tussen fout en gestelde schade van investeerder niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0038
JOR 2020/104 met annotatie van Atema, J.M.
UDH:TvJ/16357 met annotatie van mr. dr. J.E. Brink- van der Meer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Meervoudige handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/421587 / HA ZA 16-611

Vonnis van 18 december 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MONDRIAAN VENTURES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. R.G.J. de Haan, mr. P.F. Doornik en mr. F.C. Perrick te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLDING PRICEWATERHOUSECOOPERS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de naamloze vennootschap

PRICEWATERHOUSECOOPERS ACCOUNTANTS N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid. Eiseres zal Mondriaan genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk PwC genoemd worden. Gedaagden sub 1 en 2 zullen ieder afzonderlijk met de achternaam worden aangeduid en samen als ‘de accountants’. Gedaagde sub 3 zal de holding genoemd worden en gedaagde sub 4 PwC accountants.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 25 april 2018, met de in dat vonnis vermelde processtukken;

  • -

    de conclusie van antwoord van 4 juli 2018 met 18 producties van PwC;

  • -

    de conclusie van repliek van 7 november 2018 met productie 37 tot en met 42 van Mondriaan;

  • -

    de conclusie van dupliek van 6 maart 2019 met productie 19 tot en met 23 van PwC;

  • -

    het pleidooi gehouden op 25 september 2019, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
    - de pleitnotities van mrs. De Haan, Doornik en Perrick;
    - de pleitnotities van mr. Van Hees.

1.2.

Aan het einde van de zitting heeft de voorzitter van de meervoudige kamer partijen meegedeeld dat op 18 december 2019 uitspraak zal worden gedaan.

2 De overwegingen

Inleiding

2.1.

Mondriaan is een joint venture van Delta Lloyd Levensverzekeringen nv (hierna: Delta Lloyd) en Rabo Ventures bv (hierna: Rabobank). Delta Lloyd en Rabobank hebben ieder 50% van de aandelen in Mondriaan. Mondriaan is opgericht om in Econcern bv (hierna: Econcern) te investeren. Van PwC traden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op als extern controlerend accountants van Econcern.

Wat voor onderneming was Econcern?

2.2.

Econcern is opgericht in 1999 en heeft zich toegelegd op duurzame energievoorziening. Econcern deed dat in vier divisies: Ecofys voor advisering, Ecostream voor onder andere zonne-energie, Evelop voor onder meer windenergie en binnen Ecoventures werden innovatieve activiteiten voor duurzame energie ontwikkeld, waarbij zij ook samenwerkte met andere ondernemingen: met Sol Holding AG een fabriek voor silicium, een grondstof voor zonnecellen voor in zonnepanelen, met BMCH aan de productie van biomethanol en met Darwind een fabriek voor windturbines.

Van 2005 tot 2007 heeft Econcern een stevige groei doorgemaakt: de vraag naar oplossingen voor duurzame energie was sterk toegenomen en werd daardoor ook commercieel steeds aantrekkelijker. Die groei is onder andere gefinancierd met een lening van € 45 miljoen die Econcern op 27 april 2007 heeft afgesloten bij ING Bank. Op 31 augustus 2007 is een consortium van banken toegetreden tot deze leningsfaciliteit, terwijl de lening bovendien is verhoogd tot € 150 miljoen. Econcern wilde in de jaren daarna verder doorgroeien en had de ambitie om marktleider te worden.

De financiering van de verdere groei van Econcern

2.3.

Voor de periode 2008-2012 had het bestuur van Econcern een ambitieus businessplan vastgesteld om de groeiplannen te financieren. Er moesten namelijk zeer kapitaalintensieve activiteiten gefinancierd worden, zoals de ontwikkeling en uitbouw van zonne-energieparken, windparken, biomethanolfabrieken, een windturbinefabriek en een siliciumfabriek. Uit het businessplan kan worden afgeleid dat de financieringsbehoefte van Econcern over de periode 2008-2012 geschat werd op bijna € 5 miljard totaal:

voor 2008 : € 227.648.000

voor 2009 : € 753.422.000

voor 2010 : € 1.256.294.000

voor 2011 : € 1.449.052.000

voor 2012 : € 1.236.413.000

Totaal € 4.922.829.000

Econcern wilde in deze financieringsbehoefte onder meer voorzien door investeerders aan te trekken die zouden deelnemen in het kapitaal van Econcern, door hen te laten deelnemen in projecten, projecten te laten overnemen of krediet ter beschikking te stellen.

De investering van Mondriaan in Econcern

2.4.

Mondriaan heeft in 2008 in Econcern geïnvesteerd: op 19 mei 2008 heeft zij een belang van 10% in Econcern genomen voor een bedrag van € 125 miljoen. In september 2008 heeft Econcern daarnaast voor een bedrag van € 21,25 miljoen cumulatief preferente aandelen aan Mondriaan uitgegeven. In totaal heeft Mondriaan € 146,25 miljoen in Econcern geïnvesteerd.
Het was de bedoeling dat Econcern in totaal € 42,5 miljoen aan cumulatief preferente aandelen aan Mondriaan zou uitgeven. Zover is het niet meer gekomen.

Waar gaat deze zaak tussen Mondriaan en PwC over?

2.5.

Op 18 juni 2009 is Econcern failliet verklaard. Mondriaan stelt dat zij op 19 mei 2008 in Econcern heeft geïnvesteerd nádat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als extern controlerende accountants van PwC accountants op 12 mei 2008 een goedkeurende verklaring bij de geconsolideerde jaarrekening 2007 van Econcern hebben gegeven. Die verklaring had volgens Mondriaan nooit gegeven mogen worden. Dit baseert Mondriaan op uitkomsten van het onderzoek dat de curatoren van Econcern, de heren Van Andel en Deterink, naar de oorzaken van het faillissement hebben verricht. Van dit onderzoek is een onderzoeksrapport van 11 december 2013 gepubliceerd (hierna: curatorenrapport).

Met een viertal deurwaardersexploten, betekend op 23 mei 2014, heeft Mondriaan PwC aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden door - kort gezegd - de ten onrechte door PwC afgegeven goedkeurende verklaring bij de jaarrekening van Econcern. Mondriaan vindt dat PwC daarmee ten opzichte van haar onrechtmatig heeft gehandeld. PwC heeft niet gereageerd op de aansprakelijkstelling. Op 3 augustus 2016 is Mondriaan deze procedure gestart tegen PwC.

Wat staat er in het curatorenrapport?

2.6.

De curatoren schrijven in hun rapport van 11 december 2013 onder meer:

I. Conclusies

(…)

8. Niet alleen het BP 2008 - 2012 kende onjuiste gegevens. Ook de jaarrekeningen 2006 en 2007 bevatten een groot aantal posten die niet op die wijze in de jaarrekeningen hadden mogen worden verwerkt. Het gaat daarbij met name om het buiten de consolidatie houden van deelnemingen in strijd met de wettelijke consolidatieplicht, het waarderen van belangen in niet-geconsolideerde deelnemingen tegen de fair value (…) in plaats van netto-vermogenswaarde en het verwerken van onderhanden projecten ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering via de winst- en verliesrekening. Met medewerking van PwC (die de jaarrekeningen 2006 en (…) 2007 heeft voorzien van ongeclausuleerde goedkeurende accountantsverklaringen) was Econcern in staat om over 2006 een netto-winst van € 43,5 miljoen te publiceren terwijl er in werkelijkheid nauwelijks winst werd gemaakt.

9. In 2007 bedroeg de gerapporteerde nettowinst € 85,8 miljoen, terwijl in werkelijkheid enkele tientallen miljoenen verlies geleden werd. Het vermogen zou in dat geval ultimo 2007 geen € 197 miljoen hebben bedragen maar een fractie daarvan, zijnde maximaal € 13 miljoen. Econcern heeft opbrengsten gerapporteerd van € 443 miljoen, terwijl er feitelijk sprake was van gerealiseerde opbrengsten van € 201 miljoen. PwC heeft de jaarrekening 2007 eveneens ten onrechte voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring.

10. In dat licht wordt nog opgemerkt dat de gepresenteerde winst over 2007 vrijwel geheel wordt bepaald door de verwerking van de transactie met Solon ten aanzien van Sol Holding. In de geconsolideerde winst- en verliesrekening is inzake Sol Holding ten onrechte een bate van € 78 miljoen verwerkt, zijnde € 40,5 als verwerkte ongerealiseerde waardestijging en een bedrag van € 37,5 miljoen als gerealiseerde winst op de ruil Silpro/BCE tussen Econcern en Solon als andere (48%) aandeelhouder. Curatoren hebben vastgesteld op deze transactie is gebaseerd op gemanipuleerde waarderingsrapporten. PwC heeft de inhoud van deze waarderingsrapporten klakkeloos overgenomen en verzuimd deze met een professioneel-kritische houding te beoordelen.

II. Samenvatting

(…)

3. Verslaglegging

3.1

Curatoren hebben ook onderzoek gedaan naar de externe financiële verslaglegging over de periode 2005 tot aan de datum van de surseance, waaronder de jaarrekeningen 2005 tot en met 2007 en de concept-jaarrekening 2008. De jaarrekeningen 2005 tot en met 2007 zijn voorzien van ongeclausuleerde goedkeurende accountantsverklaringen van de heer drs. [gedaagde sub 1] , verbonden aan PwC.

3.2

Curatoren hebben geconstateerd dat Econcern agressieve verslaggevingsmethodieken heeft gehanteerd. (…)

3.3

Indien een meer prudente verslaggevingshouding was ingenomen, zouden de resultaten van Econcern er ruwweg als volgt hebben uitgezien:
(…)

3.4

Voor 2006 geldt dat Econcern dan geen (door haar gerapporteerde) winst voor belasting van € 30 miljoen heeft gerealiseerd maar slechts een bescheiden winst van ruim € 1 miljoen (voor belastingen). Voor 2007 gaat het om een gerapporteerde winst van € 70 miljoen (voor belastingen) terwijl er in werkelijkheid sprake was van een groot verlies van € 48 miljoen.

3.5 (…)

indien Econcern een meer prudente verslaggevingshouding had ingenomen - haar omzet ook een geheel ander beeld had laten zien:
(…)

3.6.

Er was dan geen sprake geweest van een omzet in 2006 van € 239 miljoen en in 2007 van € 443 miljoen, maar van een werkelijke omzet in 2006 van € 133 miljoen en een werkelijke omzet in 2007 van € 201 miljoen.

3.7

Door Econcern is op diverse punten gehandeld in strijd met de door haar als verslaggevingsnorm weergegeven Dutch GAAP. Diverse activa zijn ten onrechte tegen ‘market values’ gewaardeerd en de hierbij optredende ongerealiseerde herwaarderingen zijn ten onrechte rechtstreeks ten gunste van de winst- en verliesrekening verantwoord. Bovendien heeft Econcern onjuiste criteria ten aanzien van de gehanteerde consolidatiekring, de waardering van de niet-geconsolideerde deelnemingen, het onderhandenwerk voor eigen rekening en de emissierechten toegepast. Curatoren constateren dan ook dat de jaarrekeningen 2006 en 2007 van Econcern onjuist zijn. De jaarrekeningen 2006 en 2007 zijn door PwC ten onrechte voorzien van ongeclausuleerde goedkeurende accountantsverklaringen.

3.8

De onjuiste waardering van Sol Holding heeft veruit de grootste impact gehad op de resultaten van Econcern over 2007. (…)

(…)

3.10

Econcern heeft het belang in Sol Holding ten onrechte tegen de vermeende fair value gewaardeerd (…). In dat verband is geconcludeerd dat uit dien hoofde Econcern haar vermogen ultimo 2007 zeer fors te hoog heeft weergegeven. PwC heeft de jaarrekening 2007 ook op dit punt ten onrechte voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring.

3.11

Daarnaast heeft Econcern ten onrechte in haar jaarrekening 2007 een gerealiseerde boekwinst ad € 37,5 miljoen in verband met de vervreemding van haar belang in Silpro aan Sol Holding verantwoord. (…) Derhalve is de wijze van verantwoording van de boekwinst (…) in strijd met het voor de (Nederlandse) jaarverslaggeving van eminent belang zijnde voorzichtigheidsbeginsel (…). Ook voor deze post geldt dat PwC de jaarrekening 2007 op dit punt ten onrechte heeft voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring.

(…)”

Reden voor een tuchtprocedure.

2.7.

De uitkomsten van hun onderzoek waren voor de curatoren aanleiding een tuchtklacht tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in te dienen bij de Accountantskamer. Dat is gebeurd op 21 oktober 2013. Delta Lloyd heeft ook een klacht ingediend, op 9 mei 2014.

De Accountantskamer heeft beide klachten op 13 oktober 2014 (in overwegende mate) gegrond verklaard.

2.8.

In de beslissing van de Accountantskamer van 13 oktober 2014 over de klacht van de curatoren staat:

Conclusie
(…) De conclusie uit al het voorgaande is dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkenen op het merendeel van voormelde onderdelen van de jaarrekening 2007 en de toelichting voldoende en geschikte controlewerkzaamheden hebben verricht en dat derhalve evenmin aannemelijk is geworden dat betrokkenen ter zake voldoende en geschikte controle-informatie hebben gekregen. Dit leidt tot de slotsom dat de klacht als verwoord in overweging 3.1 in overwegende mate gegrond is. Dit betekent dat de betrokkenen de controle van de jaarrekening 2007 van Econcern met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel-kritische instelling hebben gepland en uitgevoerd, als gevolg waarvan een goedkeurende verklaring in het maatschappelijk verkeer is gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestond.

(…)

Maatregel

(…) er geen aanleiding is betrokkene sub 2) anders te behandelen dan betrokkene sub 1) vanwege de omstandigheid dat alleen laatstgenoemde de goedkeurende verklaring heeft ondertekend. Daarvoor is redengevend dat betrokkenen hebben erkend dat zij ieder afzonderlijk ten volle verantwoordelijk waren voor de controle van de jaarrekening 2007.

Bij de beslissing omtrent het opleggen van een zodanige maatregel houdt de Accountantskamer rekening met de aard en de ernst van de hiervoor omschreven schendingen van de geldende regels en de omstandigheden waaronder deze zich hebben voorgedaan. De Accountantskamer rekent betrokkenen zwaar aan dat voormelde verzuimen zich hebben voorgedaan bij de controle van de jaarrekening, ten aanzien waarvan zij wisten dat de afgifte van hun goedkeurende verklaring van essentieel belang was voor derden, die zich hadden voorgenomen met substantiële bedragen deel te nemen in het kapitaal van Econcern. Dit verwijt treft betrokkenen in het bijzonder bij de waardering van het belang in Sol Holding (…). Van betrokkenen had, gezien dat belang, het onderkende risico en het gegeven dat het hier ging om complexe, grensoverschrijdende materie, een hoge mate van oplettendheid een professioneel-kritische opstelling mogen worden verwacht.
Door zulks na te laten en aldus hun kerntaak als controlerend accountant te veronachtzamen, hebben betrokkenen in aanmerkelijke mate de in de VGC neergelegde fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag geschonden. (…) aldus het vertrouwen in de beroepsgroep in hoge mate geschaad.
(…)
Alles in aanmerking nemend acht de Accountantskamer het opleggen aan ieder van betrokkenen van de maatregel van tijdelijke doorhaling van hun inschrijving in de registers (…) voor de duur van één maand passend en geboden.
(…)”

2.9.

In de beslissing van de Accountantskamer van 13 oktober 2014 over de klacht van Delta Lloyd staat:

“(…)
4.6 De kern van de klacht wordt gevormd door het verwijt dat geen goedkeurende verklaring had mogen worden afgegeven bij de jaarrekening van Econcern over 2007. Bij beslissing van heden in de door de curatoren (…) ingediende klachtzaken is de Accountantskamer tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkenen betreffende de controle van die jaarrekening 2007 voldoende en geschikte controlewerkzaamheden hebben verricht en dat daaruit volgt dat betrokkenen de controle van de jaarrekening 2007 met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel-kritische instelling hebben gepland en hebben uitgevoerd. In die zaken is de Accountantskamer voorts tot het oordeel gekomen dat voor de bij de jaarrekening 2007 afgegeven goedkeurende verklaring geen voldoende deugdelijke grondslag bestond. Dit oordeel leidt ertoe dat de door klaagster ingediende klacht, die in essentie overeenkomt met de hiervoor genoemde klachtzaken, al om die reden gegrond dient te worden verklaard. Hetgeen klaagster harerzijds verder aan haar klacht ten grondslag heeft gelegd, behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking.

4.7 (…)

kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. In dit geval dient echter (…) rekening te worden gehouden met de in de aan deze zaken verwante zaken (…) aan betrokkenen opgelegde maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van één maand. Deze beslissing heeft immers betrekking op hetzelfde handelen in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag als in deze zaak aan de orde. Dit betekent dat er geen aanleiding is betrokkenen thans nog een nadere of extra maatregel voor de in deze zaak aan de orde zijnde schending op te leggen.

(…)”

2.10.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben van de beslissingen van de Accountantskamer hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).
Tijdens de procedure in hoger beroep over de klacht van de curatoren is eind 2015 een schikking getroffen. Het hoger beroep is toen ingetrokken. Er is € 25 miljoen betaald aan de failliete boedel van Econcern.
Het hoger beroep over de klacht van Delta Lloyd heeft het CBb op 6 november 2018 ongegrond verklaard:

“(…) Door intrekking van hun beroepen hebben appellanten [ [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ; toev. rb.] ervoor gekozen het oordeel van de accountantskamer niet meer voor te leggen aan het College en zich daarbij neer te leggen. Alleen het onderhavige hoger beroep, dat is gericht tegen de beslissing van de accountantskamer op in wezen dezelfde klacht, resteert. Het vorenstaande brengt met zich dat de grieven van appellanten ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de klacht zijn gericht tegen een oordeel van de accountantskamer dat inmiddels - door hun eigen keuze in de andere zaken - in rechte is komen vast te staan. Reeds daarom kunnen de inhoudelijke grieven in het kader van deze procedure in hoger beroep niet slagen. (…)”

Wat vordert Mondriaan in deze procedure?

2.11.

Mondriaan vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:

I. voor recht verklaart dat PwC ten opzichte van Mondriaan onrechtmatig heeft gehandeld door:
a. het afgeven van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekening 2007 van Econcern;
b. tekort te schieten bij de controlewerkzaamheden van de jaarrekening 2007 van Econcern;
c. de wijze waarop [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun rol als accountant van Econcern hebben vervuld;

II. PwC hoofdelijk veroordeelt om aan Mondriaan de volgende bedragen als schadevergoeding te betalen:
a. € 125.000.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2008 tot de dag van de volledige betaling;
b. € 21.250.000, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 30 september 2008 tot de dag van de volledige betaling;

III. PwC hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, met nakosten en wettelijke rente.

Wat vindt PwC daarvan?

2.12.

PwC betwist dat zij ten opzichte van Mondriaan onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die Mondriaan stelt te lijden. PwC voert daarvoor aan dat
1) de jaarrekening van 2007 van Econcern niet misleidend was; 2) er geen conditio sine qua non verband is tussen de gestelde fout en de gestelde schade; 3) er niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste; 4) de gevorderde schade niet toe te rekenen is aan PwC; 5) er sprake is van eigen schuld van Mondriaan en 6) dat een eventuele vordering van Mondriaan op PwC verjaard is. De rechtbank gaat nu eerst in op het laatste verweer van PwC, het beroep op verjaring, omdat dit verweer het meest verstrekkend is.

Verjaard? Nee.

2.13.

Mondriaan heeft PwC op 23 mei 2014 aansprakelijk gesteld. Zij heeft in die brief ook expliciet de verjaring gestuit. PwC vindt dat het Mondriaan op 30 maart 2009, en in ieder geval al voor 23 mei 2009, duidelijk moet zijn geweest dat een faillissement van Econcern onvermijdelijk was en dat haar investering in Econcern dus verloren was. Anders dan PwC meent, is de rechtbank van oordeel dat Mondriaan niet al vóór 23 mei 2009 bekend was met én de schade én de daarvoor aansprakelijke persoon, de twee vereisten die de wet stelt voor het gaan lopen van de verjaringstermijn (artikel 3:310 lid 1 BW). Ook als PwC zou worden gevolgd in haar betoog dat het voor Mondriaan al ruim voor uitspraak faillissement op 18 juni 2009, en ook voor 23 mei 2009, duidelijk moet zijn geweest dat een faillissement onafwendbaar was, waar dan bekendheid met de schade uit zou kunnen worden afgeleid, is de rechtbank van oordeel dat een eventuele vordering niet verjaard is. Aan het andere vereiste voor verjaring ‘bekendheid met de voor de schade aansprakelijke persoon’ was op dat moment namelijk (nog) niet voldaan. Vóór 23 mei 2009 waren er namelijk geen voldoende concrete aanwijzingen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] fouten hadden gemaakt die tot aansprakelijkheid voor schade van Mondriaan konden leiden. Anders dan PwC aanvoert is daarvoor niet genoeg dat (de nieuwe CFO van) Econcern - in december 2008 - heeft gekozen voor een andere waarderingsmethode dan in de jaarrekening 2007 was gehanteerd, ook niet als de reden daarvoor was dat de eerder gebruikte waarderingsmethode agressief en niet in lijn met Dutch GAAP was. Dit wijst niet zonder meer op aansprakelijkheid van PwC. De rechtbank is het met Mondriaan eens dat zij pas in het curatorenrapport heeft kunnen lezen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] fouten hebben gemaakt. Dit rapport dateert van 11 december 2013. Pas nadat zij van dit rapport kennis heeft kunnen nemen, heeft Mondriaan kunnen concluderen dat PwC mogelijk voor de geconstateerde fouten aansprakelijk zou kunnen zijn. Mondriaan heeft PwC vervolgens aansprakelijk gesteld op 23 mei 2014. Dat is, gerekend vanaf 11 december 2013, binnen de verjaringstermijn van vijf jaar. Een eventuele vordering van Mondriaan is dus niet verjaard.

Zorgvuldigheidsnorm geschonden? Ja.

2.14.

In de wet staat, in artikel 2:393 BW, dat een accountantscontrole van de jaarrekening van ‘grote’ ondernemingen moet plaatsvinden door een extern controlerend accountant. De extern controlerend accountant heeft daarbij (onder meer) de taak te controleren of de jaarrekening die de directie heeft opgesteld voldoet aan de (wettelijke) eisen die daaraan gesteld worden en of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële situatie van de onderneming. Een accountant moet die taak vanzelfsprekend zorgvuldig uitoefenen. De vraag of een accountant aansprakelijk is moet beoordeeld worden aan hand van de (basis)norm van de redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot. De Hoge Raad heeft in het Vie d’Or arrest van 13 oktober 2006 over de zorgverplichting van de accountant gezegd: de accountant moet ervoor zorgen dat de informatie zoals die door openbaarmaking van de jaarrekening en een goedkeurende verklaring naar buiten komt, naar het onafhankelijke en objectieve inzicht van de accountant een getrouw beeld geeft van het vermogen, het resultaat en de solvabiliteit en liquiditeit van de onderneming en dat de jaarrekening voldoet aan de vereisten die de wet en (Europese) regelgeving stellen en in overeenstemming is met de normen en standaarden die daarvoor in de beroepsgroep algemeen worden aanvaard.

2.15.

Over de manier waarop van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als extern controlerend accountants bij Econcern de wettelijke controle hebben uitgevoerd, heeft de Accountantskamer gezegd 1) dat zij niet voldoende en ook geen geschikte controle hebben uitgevoerd op het merendeel van de aspecten van de jaarrekening 2007 van Econcern en ook niet op de toelichting daarop; 2) dat zij geen geschikte controle-informatie hebben verkregen en 3) dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de controle van de jaarrekening niet voldoende diepgaand hebben verricht en dat zij dat niet voldoende professioneel-kritisch hebben gedaan. Het gevolg hiervan volgens de Accountantskamer is dat een goedkeurende verklaring in het maatschappelijk verkeer is gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag bestond. De Accountantskamer vindt verder dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met hun handelwijze “in aanmerkelijke mate de in de VGC neergelegde fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag geschonden” hebben. Aan de geconstateerde verzuimen bij de controle van de jaarrekening heeft de Accountantskamer de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving in de registers voor één maand verbonden.

2.16.

In hoger beroep is de beslissing van de Accountantskamer in de zaak van de curatoren niet meer inhoudelijk beoordeeld vanwege de schikking met PwC. In de zaak van Delta Lloyd is het hoger beroep ook niet meer inhoudelijk beoordeeld. Het Cbb vindt dat de klacht van Delta Lloyd identiek is aan die van de curatoren. Volgens het Cbb heeft PwC door het treffen van een schikking met de curatoren het oordeel van de Accountantskamer in eerste aanleg over haar gedragingen aanvaard. De tuchtprocedure in hoger beroep heeft dus geen verandering gebracht in het inhoudelijk oordeel over de handelwijze van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De rechtbank verwijst verder naar de citaten van de Accountantskamer en het CBb zoals hiervoor onder de punten 2.8., 2.9. en 2.10. opgenomen.

2.17.

Tuchtrechtelijk is dus beslist dat sprake is van een normschending. Dit betekent niet zonder meer dat ook in civielrechtelijke zin sprake is van schending van een zorgvuldigheidsnorm, en daarmee van een (beroeps)fout. Daarvoor moet zoals gezegd de vraag worden beantwoord of de accountant(s) heeft (hebben) gehandeld zoals in vergelijkbare omstandigheden van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat de conclusies die de tuchtrechters hebben getrokken over de steken die de accountants hebben laten vallen ook civielrechtelijk een normschending opleveren.
Ook civielrechtelijk is het verwijtbaar dat goedkeuring aan een jaarrekening wordt gegeven terwijl daarvoor geen basis is; dat is de kern van een accountantscontrole. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam extern controlerend accountant mag worden verwacht dat de controle van een jaarrekening voldoende diepgaand wordt verricht en dat dat voldoende professioneel-kritisch wordt gedaan. Ook mag worden verwacht dat een extern controlerend accountant voldoende en ook geschikte controle uitvoert op een jaarrekening en de toelichting daarop en dat hij ervoor zorgt dat hij daarvoor geschikte controle-informatie ontvangt, zodat als uiteindelijk een goedkeurende verklaring wordt gegeven daarvoor ook reden is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de tuchtrechter vindt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met hun handelwijze “in aanmerkelijke mate de in de VGC neergelegde fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag geschonden” hebben.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam extern controlerend accountant mag worden verwacht.

Ook richting Mondriaan? Ja.

2.18.

Sinds het Vie d’Or arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2006 is het vaste rechtspraak dat een accountant ook een zorgplicht heeft voor derden wanneer hij zijn wettelijke taken, zoals de jaarrekeningcontrole, uitoefent. Een extern controlerend accountant moet bij de uitoefening van zijn taken dus niet alleen rekening houden met de belangen van de onderneming waarvan hij de jaarrekening controleert, maar ook met die van derden. Dit omdat derden hun gedrag moeten kunnen afstemmen op de informatie uit de jaarrekening en de goedkeurende verklaring en bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen erop moeten kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is. Ook derden mogen dus verwachten dat de informatie in de jaarrekening met een goedkeurende verklaring - kort gezegd - juist is.

2.19.

De zorgvuldigheid die door de accountant in acht moet worden genomen strekt dus ook ter bescherming van de belangen van derden die op basis van een jaarverslag van een onderneming beslissingen nemen over die onderneming, zoals een beslissing om te investeren in de onderneming. Dit is niet anders voor Mondriaan. Sterker nog, dit geldt júist voor Mondriaan: haar belangen waren kenbaar voor PwC. De fouten die [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben gemaakt bij de controle van de jaarrekening vormen zoals gezegd de kern van hun controletaak. Dit is ook ten opzichte van Mondriaan onzorgvuldig. Aan het verweer van PwC dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste gaat de rechtbank daarom voorbij.

Toerekenbaar? Ja.

2.20.

In de wet staat, in lid 3 van artikel 6:162 BW, dat een onrechtmatige daad is toe te rekenen als sprake is van schuld, waarmee verwijtbaarheid wordt bedoeld, of als dit volgt uit de wet of uit dat wat men in het algemeen vindt, ‘de verkeersopvatting’.

Mondriaan vordert een verklaring voor recht dat de vier gedaagden - kort gezegd - onrechtmatig hebben gehandeld ten opzichte van haar. De rechtbank zal daarom voor zowel [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als individuele accountants als PwC accountants als accountantsorganisatie beoordelen of de (beroeps)fout toerekenbaar is. De holding laat de rechtbank buiten beschouwing: Mondriaan heeft geen enkele stelling gewijd aan de holding en ook niet benoemd wat de holding, in dit verband en overigens überhaupt, verweten wordt. De vordering ten opzichte van de holding zal de rechtbank daarom afwijzen.

2.21.

Feitelijk is onzorgvuldig gehandeld door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ; zij hebben de fouten gemaakt. Of een gedraging van een individuele accountant moet worden gezien als een gedraging van de accountantsorganisatie, dus van PwC accountants, hangt af van de omstandigheden van het geval. In deze zaak gaat het (vooral) om het afgeven en ondertekenen van de controleverklaring. Het afgeven en ondertekenen van zo’n verklaring door een individuele accountant moet worden aangemerkt als een gedraging van de accountantsorganisatie. Het gaat bij het afgeven en ondertekenen van een controleverklaring om gedragingen die verbonden zijn aan de normale bedrijfsactiviteiten van een accountantskantoor en dat wordt in het maatschappelijk verkeer als gedraging van dat kantoor gezien. De rechtbank wijst hierbij op het feit dat zo’n controleverklaring in de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) ook uitdrukkelijk wordt gekoppeld aan de accountantsorganisatie: een accountant moet op de verklaring vermelden aan welke kantoor hij is verbonden. De (beroeps)fouten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn daardoor, op grond van de verkeersopvatting, toe te rekenen aan PwC accountants.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van hun handelen ook een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De tuchtrechter rekent het de accountants tenslotte zwaar aan dat de verzuimen zich hebben voorgedaan. Ook als dit niet zou kunnen worden aangemerkt als ‘schuld’ in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW, is de beroepsfout in ieder geval op grond van de verkeersopvatting toe te rekenen aan de accountants.

Schade als gevolg? Niet aannemelijk.

2.22.

Voor het antwoord op de vraag of PwC aansprakelijk is voor geleden schade moet aannemelijk zijn dat er causaal verband bestaat tussen de fout en de schade. Het gaat daarbij in dit stadium (van het ‘vestigen’ van aansprakelijkheid) om conditio sine qua non-verband: zonder dit verband zou het gevolg niet zijn ingetreden. Dit verband wordt vastgesteld door de vergelijking tussen de feitelijke situatie zoals die is met de fout en de hypothetische situatie waarin de fout juist wordt weggedacht. In die hypothetische situatie waarin de fout dus wordt weggedacht, leidt dat in deze zaak tot de vraag: wat zou Mondriaan, in het hypothetische geval dat de jaarrekening wel volgens de regels was opgesteld en verantwoord, hebben gedaan; zou zij hebben geïnvesteerd in Econcern of niet?

2.23.

Mondriaan stelt zich op het standpunt dat zij niet zou hebben geïnvesteerd en dat zij dan nu niet zou zitten met een waardeloos en onverhaalbaar gebleken investering in Econcern van in totaal € 146.250.000 (met rente). Mondriaan vordert dit bedrag als schade van PwC, omdat Mondriaan vindt dat die schade is ontstaan door het handelen van PwC. Mondriaan stelt dat de goedkeurende accountantsverklaring bij de jaarrekening 2007 voor haar een voorwaarde was voor het nemen van de beslissing om in Econcern te investeren. Later is gebleken dat PwC ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft gegeven bij een jaarrekening die geen getrouw beeld gaf van de vermogenstoestand en de resultaten van de onderneming. Als de accountants de controle van de jaarrekening 2007 goed zouden hebben uitgevoerd (en dus geen fouten hadden gemaakt) zou Mondriaan niet hebben geïnvesteerd in Econcern: zonder fouten van de accountants zou volgens Mondriaan óf 1) de jaarrekening 2007 niet zijn goedgekeurd óf 2) de jaarrekening 2007 een getrouw beeld van de financiële situatie van Econcern hebben gegeven. In beide gevallen zou dan niet aan de voorwaarden voor de investeringsbeslissing zijn voldaan en zou Mondriaan dus nooit in Econcern hebben geïnvesteerd of aandelen in Econcern hebben gekocht.
De rechtbank gaat hierna verder in op deze twee scenario’s die Mondriaan stelt.

scenario 1: geen goedkeuring

2.24.

De omstandigheid dat aan de investering door Mondriaan de voorwaarde van een goedkeurende accountantsverklaring was verbonden, betekent niet zonder meer dat Mondriaan niet zou hebben geïnvesteerd als de accountants geen fout hadden gemaakt.

Bij het eerste scenario veronderstelt Mondriaan dat zonder fout de jaarrekening 2007 niet zou zijn goedgekeurd (geen goedkeurende accountantsverklaring zou zijn afgegeven) en dat zij daarom niet zou hebben geïnvesteerd. Dat is echter niet voldoende toegelicht en ook niet onderbouwd. In de praktijk komt het in de regel niet tot een afkeuring. Verdere kritische controle en kanttekeningen bij de jaarrekening zal in de meeste gevallen leiden tot een andere opstelling van de cijfers, waarna een jaarrekening alsnog zal worden goedgekeurd. Daarmee gaat de rechtbank ook voorbij aan het betoog van PwC dat de cijfers wel degelijk kloppen en de jaarrekening ook als die afdoende gecontroleerd zou zijn, wel in de vorm waarin die nu is goedgekeurd zou zijn goedgekeurd. Dat dit zo zou zijn blijkt nergens uit. De rechtbank wijst erop dat de Accountantskamer expliciet in het midden laat wat het resultaat zou zijn van een deugdelijke controle (zie 4.4.1, 4.4.3 en 4.12.2 van de beslissing van de Accountantskamer van 13 oktober 2014 over de klacht van de curatoren), terwijl uit het curatorenrapport eerder het tegendeel volgt. Uit het derde hoofdstuk van de samenvatting over verslaggeving (zie ook punt 2.6. van dit vonnis) kan worden afgeleid dat als de jaarrekening daadwerkelijk zou zijn opgesteld in lijn met de geldende wettelijke verslaggevingsregels en volgens Dutch GAAP de jaarrekening 2007 er op meerdere onderdelen anders (minder positief) zou hebben uitgezien.

Dit rechtvaardigt de conclusie dat ook als de fout wordt weggedacht, er uiteindelijk wel een goedkeurende verklaring zou zijn afgegeven. Aan het eerste scenario gaat de rechtbank dus voorbij.

scenario 2: een getrouw beeld

2.25.

Mondriaan stelt ook dat zij niet zou hebben geïnvesteerd in de situatie zonder fout, omdat de jaarrekening dan een getrouw beeld van de financiële situatie van Econcern zou hebben gegeven. Bij een getrouw beeld zou volgens Mondriaan uit de jaarrekening duidelijk zijn geworden dat Econcern in 2007 sterk verlieslatend was geweest in plaats van sterk winstgevend, slechts een minimaal eigen vermogen had en daarmee, op het moment dat Mondriaan investeerde “door de convenanten van haar bankfinanciering was gezakt”, wat tot gevolg zou hebben gehad dat die faciliteit onmiddellijk opeisbaar was en Econcern op korte termijn € 150 miljoen moest zien te herfinancieren. Mondriaan vindt dat het voor zich spreekt dat zij in dat geval niet het aanzienlijke bedrag van € 146,25 miljoen zou hebben geïnvesteerd en dus ook niet de schade zou hebben geleden die zij nu lijdt. Mondriaan noemt een aantal punten waarop de jaarrekening een ander beeld had moeten geven waardoor zij niet zou hebben geïnvesteerd, die worden hieronder besproken.

waarderingsmethodiek

2.26.

Mondriaan noemt in de eerste plaats de methodiek die is toegepast, en die PwC heeft geaccordeerd, bij het waarderen van de belangen die Econcern heeft in de andere vennootschappen (waaronder Sol Holding, BMCH en Darwind). Mondriaan verwijt PwC dat ervoor is gekozen om die belangen als participaties te kwalificeren en ze daardoor op marktwaarde (market value) te waarderen. Als deze belangen daadwerkelijk volgens Dutch GAAP zouden zijn verwerkt, zouden die belangen als deelnemingen zijn aangemerkt en daardoor tegen netto vermogenswaarde, die doorgaans en ook in dit geval aanmerkelijk lager is dan de marktwaarde, zijn verwerkt in de jaarrekening.

2.27.

De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat Mondriaan hierdoor op het verkeerde been is gezet. Zoals PwC aanvoert, staat de participatiestructuur in de jaarrekening 2007 vermeld en is daarnaast ook toegelicht welke waarderingsgrondslagen zijn gebruikt en wat de effecten daarvan zijn op het vermogen en het resultaat van Econcern. Zo staat er op bladzijde 63 van de jaarrekening 2007 in hoofdstuk 1 “General” van de “Notes to the consolidated balance sheet and profit and loss account”:

1.3 Consolidation

The consolidated financial statements contain the financial particulars of Econcern BV, the group companies which are part of Econcern’s core business and in which Econcern BV holds more than half the capital with a voting entitlement or in which Econcern BV has a decisive say in the management and financial policy on the grounds of supplementary rules, and other legal entities in which Econcern BV has a controlling interest.

The companies in which Econcern holds a majority of the shares, but which are not part of Econcern core business are treated as ventures in a venture capital company and therefore not consolidated.

The assets, liabilities and results of consolidated companies in which Econcern has an interest of more than 50% are fully consolidated. Participations in joint ventures – participating interests in which control is exercised jointly with third parties on the basis of a joint venture agreement - are consolidated on a proportional basis. Inter-company debts, receivables and transactions have been eliminated from the consolidated financial statements.

Minority interests in group equity and in the group results are stated separately.

Results of acquired participating interests are consolidated from the effective date of acquisition. Results of participating interests sold during the year under review are consolidated until the moment of divestment.

For an overview of the consolidated group companies we refer to note 37.

Change in consolidation

Compared to 2006, in 2007 a number of entities are no longer consolidated. Key financial data of these non consolidated entities as per year end 2007 are: total assets € 192 million, total revenue € 6.1 million and net loss € o.8 million. The non consolidated entities are listed in the notes to the Financial Fixed Assets.

New acquisitions included in the consolidation have resulted in an assets increase of € 39.0 million and revenue growth of € 2.7 million.”

En op bladzijde 65 in hoofdstuk 2 “Principles of valuation of assets and liabilities” staat:

2.5 Financial assets

Financial assets are initially valued at cost or lower market value.

If and when an objective market valuation can be derived, financial assets are revalued to market value. An objective market valuation is deemed to be available when the financial fixed asset is subject to a transaction where third parties are involved. The revaluation is included in other revenues in the profit and loss account and subsequently added to the revaluation reserve. Annually, the market value is tested for potential impairment.

Other financial assets (including securities), dedicated to serve the operations of the company permanently, are valued at the lower of cost and market value.”

Verder staat er in Hoofdstuk 7 “Financial assets” op bladzijde 71 een tabel “Participations” waarin met een asterisk (*) is aangegeven welke van de vennootschappen tegen marktwaarde zijn gewaardeerd: “* These companies are valued at fair market value.

2.28.

Uit de hiervoor opgenomen citaten uit de jaarrekening 2007 leidt de rechtbank af dat Mondriaan wist (of in ieder geval kon weten) op welke manier de belangen die Econcern in andere vennootschappen had, in de jaarrekening zijn verwerkt. Bij het oordeel dat de rechtbank niet aannemelijk vindt dat Mondriaan door de gebruikte verslagleggingsmethode op het verkeerde been is gezet, wordt ook in aanmerking genomen dat Mondriaan in dit traject is bijgestaan door kundige accountants van KPMG, van wie moet worden aangenomen dat zij 1) de jaarrekening 2007 van Econcern in het kader van hun onderzoek hebben bestudeerd en 2) de strekking en betekenis van de onder 2.27 aangehaalde citaten hebben kunnen vaststellen. Zo heeft Mondriaan, voordat zij haar binding offer van 19 maart 2008 en haar revised binding offer van 28 maart 2008 uitbracht, KPMG opdracht gegeven een financieel due diligence onderzoek over Econcern te doen, wat resulteerde in een KPMG-rapport van 26 februari 2008. Aangenomen moet worden dat de accountants die Mondriaan zelf in de arm heeft genomen, konden doorzien wat de gehanteerde verslagleggingskeuze betekende en veronderstelde.

2.29.

Dat Mondriaan, zoals zij stelt, van investeren in Econcern zou hebben afgezien als de belangen van Econcern in andere vennootschappen zouden zijn opgenomen tegen netto vermogenswaarde, die conservatiever is, en niet tegen marktwaarde, die hoger is, heeft Mondriaan verder niet voldoende onderbouwd. Mondriaan heeft haar besluit om in Econcern te investeren niet alleen gebaseerd op de jaarrekening 2007 van Econcern. Uit de brief van 19 maart 2008 van Mondriaan waarin haar binding offer staat, valt af te leiden dat Mondriaan ook nog andere informatie heeft gebruikt bij de investeringsbeslissing. Appendix I bij het binding offer van 19 maart 2008 geeft een overzicht van de “Information used”. Vermeld wordt onder meer het Financial Vendor Due Dilligence report van Ernst & Young van 7 februari 2008 en een Trading Update van Econcern Board van 28 februari 2008. Deze zelfde stukken staan ook in de opsomming van Disclosed Information in de Subscription Agreement van 19 mei 2008. Van die Disclosed Information maakt bovendien deel uit het Board Report van 7 mei 2008 van PwC. Ook in deze stukken wordt melding gemaakt van het feit dat een aantal belangen van Econcern in andere vennootschappen tegen marktwaarde wordt gewaardeerd en wat dit betekent voor het vermogen en het resultaat van Econcern. Daarom, en omdat het duidelijk was dat het ging om een grote en risicovolle investering in een bedrijf met een enorme kapitaalbehoefte maar ook met een erg hoge winstverwachting, vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat Mondriaan niet zou zijn ingestapt als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen fout hadden gemaakt.

waarde Sol Holding

2.30.

Het tweede punt dat Mondriaan noemt ziet op de bij de waardering van belangen in andere vennootschappen - als marktwaarde - gehanteerde bedragen, en dan vooral waar het gaat om de marktwaarde van Sol Holding. Aan dit belang van Econcern in Sol Holding is volgens Mondriaan een onjuiste, veel te hoge waarde toegekend.

2.31.

Mondriaan heeft tijdens het pleidooi aangegeven dat het verwijt niet is dat de waarde van de verschillende kapitaalbelangen in werkelijkheid lager was dan zij dacht (en dat zij nu teveel heeft betaald) maar dat die kapitaalbelangen onjuist in de jaarrekening zijn verwerkt waardoor de jaarrekening een onjuist, misleidend beeld geeft van de vermogenstoestand en de resultaten van Econcern (punt 4.28 van de pleitnotities van Mondriaan). Op de vraag van de rechtbank of het Mondriaan gaat om het bedrag of de systematiek, heeft Mondriaan benadrukt dat het haar gaat om de methodiek en niet om de daarbij gebruikte bedragen. Over de toegepaste methodiek heeft de rechtbank hiervoor onder 2.28 overwogen dat het voor Mondriaan duidelijk was (of in ieder geval kon zijn) op welke manier de belangen die Econcern in andere vennootschappen had, in de jaarrekening zijn verwerkt. De rechtbank verwijst naar dat wat hiervoor over de waarderingsmethodiek is overwogen (punt 2.26 en verder).


technisch failliet

2.32.

Als laatste punt noemt Mondriaan dat als de jaarrekening 2007 op de juiste waarderingsgrondslagen en verslaggevingskeuzes zou zijn gebaseerd en voor de kapitaalbelangen ook juiste bedragen zouden zijn opgenomen, Econcern dan niet meer zou hebben voldaan aan de voorwaarden (ratio’s, EBITDA) die het consortium van banken aan (de verhoging van) de lening van € 150 miljoen had gekoppeld.

Mondriaan stelt dat de jaarrekening een verlies van € 48 miljoen zou hebben laten zien en een lagere EBITDA, waardoor de banken de kredietfaciliteit zouden hebben ingetrokken en de lening onmiddellijk opeisbaar zou zijn geworden. Econcern zou dan op 30 september 2007 al technisch failliet zijn geweest. Met die kennis zou Mondriaan beslist niet in Econcern hebben geïnvesteerd, dit zou dan tenslotte zijn neergekomen op het redden van Econcern uit een financiële afgrond in plaats van het investeren in een snel groeiende en succesvolle onderneming, aldus Mondriaan.

2.33.

Het is goed mogelijk dat het hanteren van andere waarderingsgrondslagen en verslaggevingskeuzes tot een lagere EBITDA zou leiden en dat daardoor niet meer werd voldaan aan de door de banken gestelde voorwaarden (ratio’s). Desondanks vindt de rechtbank het dan nog steeds niet zonder meer duidelijk dat het consortium van banken dat Econcern financierde in dat geval de lening van € 150 miljoen direct zou hebben opgeëist. Toen later in de tijd, eind 2008, en dat was nadat kredietcrisis begon, duidelijk werd dat niet aan de ratio’s werd voldaan was er nog onderhandelingsruimte. Het is bovendien zeer wel denkbaar dat de banken - zoals PwC betoogt - bij de overeengekomen ratio’s rekening hebben gehouden met de achterliggende keuzes over de vaststelling van de in de jaarrekening vermelde resultaten en omzetten.

2.34.

De rechtbank vindt dan ook in dit scenario niet aannemelijk, althans onvoldoende door Mondriaan onderbouwd, dat Mondriaan niet zou hebben geïnvesteerd in de situatie zonder fout, waarbij de jaarrekening dan wel een beeld van de financiële situatie van Econcern zou hebben laten zien dat overeenstemde met de werkelijkheid.

2.35.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het vereiste verband tussen de fout en de gestelde schade niet aannemelijk vindt. Vastgesteld moet kunnen worden of aannemelijk is dat Mondriaan, in het hypothetische geval dat de jaarrekening volgens de regels was opgesteld en verantwoord, niet zou hebben geïnvesteerd in Econcern. Dat heeft Mondriaan niet (voldoende) aannemelijk gemaakt. Het verweer van PwC dat er geen conditio sine qua non-verband is tussen de gestelde fout en de gestelde schade treft doel.

Wat betekent dit voor de vorderingen van Mondriaan?

2.36.

Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het vereiste verband tussen de fout en de schade ontbreekt. Dit betekent dat niet voldaan is aan alle vereisten die de wet in artikel 6:162 BW stelt om tot aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen te kunnen concluderen. Er ontstaat dus geen verplichting tot het vergoeden van schade. De vordering tot het betalen van schadevergoeding is dan ook niet toewijsbaar. Mondriaan heeft niet uitgelegd welk belang zij heeft bij (alleen) de verklaring voor recht dat sprake is van een (beroeps)fout. Daarom is dat deel van de vordering ook niet toewijsbaar. De vorderingen van Mondriaan zullen dus worden afgewezen.

En voor de andere verweren van PwC?

2.37.

Het verweer van PwC dat de gevorderde schade niet aan haar is toe te rekenen hoeft nu niet meer te worden besproken. Dit verweer is alleen relevant als de conclusie zou zijn geweest dat PwC aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW en in het verlengde daarvan van een verplichting tot schadevergoeding. Hetzelfde geldt voor het beroep dat PwC doet op eigen schuld van Mondriaan.

Wie betaalt de proceskosten?

2.38.

Omdat Mondriaan geen gelijk heeft gekregen, moet zij de proceskosten van PwC vergoeden. Deze kosten worden begroot op:

- griffierecht € 3.903,00

- salaris advocaat € 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.747,00

De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld. In de proceskostenveroordeling ligt een veroordeling in de nakosten (berekend op grond van de gebruikelijke forfaitaire tarieven) besloten.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt Mondriaan in de proceskosten, aan de kant van PwC tot op de datum van dit vonnis begroot op € 16.747,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, mr. H.A.M. Pinckaers en mr. M.J.R. Brons en is in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 december 2019.1

1 type: MAR/4186 coll: PD