Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6272

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
UTR 19/1989
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig, er is wel beslist in het besluit,gronden van e worden in ander beroep meervoudig behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1989

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2019 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, te Veenendaal, eiser

(gemachtigde: mr. J.F. Bakkenes-Minnaard),

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Financiën, verweerders.

Procesverloop

Op van 4 oktober 2017 is het Besluit vaststelling decentralisatie- en integratie-uitkeringen 2015 vastgesteld1 (de AMvB), waarin is vermeld dat eiser recht heeft op een Huishoudelijke Hulp Toelage (HHT) voor het jaar 2015 ter hoogte van € 360.000,-.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 19 december 2018 heeft hij verweerders in gebreke gesteld te beslissen op dit bezwaar. Eiser heeft vervolgens bij brief van 8 mei 2019 beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat verweerders volgens hem niet-tijdig op het bezwaar hebben beslist.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2019. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerders zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

  1. Deze beroepsprocedure gaat over de vraag of verweerders in hun besluit van 5 april 2019, waarbij verweerders het primaire besluit van 12 december 2014 tot afwijzing van het verzoek om HHT van eiser hebben gehandhaafd, ook hebben beslist op het bezwaar van eiser tegen de AMvB van 4 oktober 2017.

  2. Eiser voert aan dat verweerders nog niet op dat bezwaar hebben beslist. Verweerders hebben het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 12 december 2014 gevoegd behandeld met het bezwaar tegen de AMvB, maar zij hebben vervolgens volgens eiser verzuimd op het bezwaar tegen de AMvB afzonderlijk te beslissen. Een aanwijzing daarvoor is dat verweerders niet het juiste juridische kader hebben genoemd dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een AMvB hoort. Voor eiseres is verder van belang dat verweerders zich in het besluit van 5 april niet hebben uitgelaten over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen een AMvB en dat in het dictum van het besluit alleen staat vermeld dat de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd blijft. Uit het dictum volgt volgens eiser eens te meer dat niet is beslist op het bezwaar tegen de AMvB, maar alleen op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een HHT.

  3. De rechtbank ziet dit anders. Zoals verweerders in het verweerschrift van 3 september 2019 naar voren hebben gebracht, is in het besluit van 5 april 2019 ook op het bezwaar van eiser tegen de AMvB beslist. Dit blijkt uit de in het verweerschrift aangehaalde passages uit dat besluit. Er staat bijvoorbeeld expliciet in het besluit dat de bezwaren van eiser gevoegd en als één bezwaar behandeld zullen worden, omdat ze zien op dezelfde inhoudelijke argumentatie. Verweerders zijn verder op pagina 6 van het besluit expliciet ingegaan op het bezwaar van eiser gericht tegen het besluit tot vaststelling van de decentralisatie-uitkering en hebben zich op het standpunt gesteld dat ook dat bezwaar niet kan slagen. Dat verweerders in het dictum van het besluit het bezwaar gericht tegen de AMvB niet afzonderlijk noemen, betekent niet dat zij dus niet op dat bezwaar hebben beslist. Uit de bewoordingen van het besluit van 5 april 2019 blijkt voor de rechtbank zonneklaar dat verweerders de bezwaren als één bezwaar over dezelfde inhoudelijke kwestie hebben aangemerkt en daarop hebben beslist.

4. Dat verweerders geen oordeel hebben gegeven over de ontvankelijkheid van het bezwaar gericht tegen de AMvB en dat zij volgens eiser geen specifiek juridisch kader hebben geschetst voor de beoordeling van een AMvB op rechtmatigheid, maakt dit niet anders. Dat gaat namelijk over de inhoud van het besluit. Of verweerders het besluit van 5 april 2019 op inhoudelijk juiste gronden hebben genomen, is een vraag die aan de orde komt bij het beroep dat eiser heeft ingediend tegen dat besluit. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 20132 waarin de Afdeling heeft overwogen:
“Dat met dat besluit, naar […] betoogt, geen volledige reactie op haar verzoek is gegeven, omdat de korpsbeheerder daarin niet heeft gemotiveerd waarom twee andere specifiek door haar verlangde documenten niet openbaar worden gemaakt, doet daaraan niet af. Artikel 4:13, eerste lid, van de Awb eist louter dat binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een besluit wordt genomen. De beoordeling of een besluit is genomen, staat los van de beoordeling van de juistheid van het genomen besluit.”
De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

5. De rechtbank gaat er vanuit dat het beroep dat eiser heeft ingediend tegen het besluit van 5 april 20193 dus ook gaat over de ongegrondheid van het bezwaar gericht tegen de AMvB. Eiser kan in die zaak aanvullende beroepsgronden indienen die zien op de het bezwaar tegen de AMvB. De rechtbank zal in die zaak in elk geval moeten beoordelen of eiser wel bezwaar kon instellen tegen de AMvB en of verweerders dwangsommen hebben verbeurd vanwege het niet tijdig beslissen op de bezwaren van eiser.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen van verweerders niet-ontvankelijk is, omdat verweerders al op dat bezwaar hebben beslist en eiser geen belang meer heeft bij dit beroep niet-tijdig. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

18 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Besluit van 4 oktober 2017, houdende vaststelling van diverse decentralisatie- en integratie-uitkeringen aan gemeenten en provincies voor het uitkeringsjaar 2015 en wijzing van het Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen, Staatsblad 2017, 392.

2 ECLI:NL:RVS:2013:BZ7733

3 UTR 19/1930