Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6201

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2019
Datum publicatie
21-01-2020
Zaaknummer
C/16/477106 / KG ZA 19-154
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een ouder heeft een brief geschreven over de school van zijn kinderen en de leidinggevenden daarvan. De uitlatingen daarin zijn ongegrond en onnodig grievend en dus onrechtmatig, mede gelet op de grote kring van instanties die de brief hebben ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0073
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/477106 / KG ZA 19-154

Vonnis in kort geding van 20 december 2019

in de zaak van

1. de stichting

[eiseres sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiseres sub 2], schoolleider van de [school 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [eiser sub 3], bovenschools directeur en uitvoerend bestuurder van de [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. S.L.D. van den Brink te Mijdrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.B. Hersman te Amsterdam.

Eisers worden hierna afzonderlijk [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] en gezamenlijk [afkorting] c.s. genoemd. Gedaagde wordt hierna [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

[afkorting] c.s. is deze zaak in maart 2019 gestart door het indienen van een dagvaarding. Zij heeft in totaal 5 producties overgelegd. [gedaagde] heeft een conclusie van antwoord met 15 producties ingediend. Op 11 april 2019 is er een zitting geweest. Op deze zitting hebben beide advocaten pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Partijen hebben aan het eind van de zitting afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een proces-verbaal. In dat proces-verbaal staat dat de zaak voor onbepaalde tijd is aangehouden en dat elke partij eenzijdig om vonnis kan vragen.

1.2.

Dat heeft [afkorting] c.s. gedaan via een brief met twee bijlagen die de voorzieningenrechter op 3 december 2019 heeft ontvangen. In die brief geeft [afkorting] c.s. aan dat [gedaagde] zich niet meer houdt aan de afspraken die in het proces-verbaal staan en dat zij daarom een vonnis wil. Daarop heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] bericht dat er een vonnis zal komen en is hij in de gelegenheid gesteld om te reageren op de brief van [afkorting] c.s. [gedaagde] heeft dat op 11 december 2019 gedaan door middel van een brief met 17 producties. Op 12 december 2019 heeft [gedaagde] nog producties 18 en 19 nagezonden. In de brief van 11 december 2019 wordt bevestigd dat [gedaagde] zich niet meer gehouden acht aan de afspraken in het proces-verbaal. Er is dus geen belemmering om vonnis te wijzen.

1.3.

Dat vonnis zal gaan over het geschil over de (on)rechtmatigheid van de uitlatingen van [gedaagde] zoals dat in maart/april 2019 aan de voorzieningenrechter is voorgelegd. Dat wil zeggen dat het gaat over de stellingen zoals die daarover toen zijn ingenomen en de stukken die daarover toen zijn overgelegd. De stukken die partijen nu (december 2019) hebben overgelegd, neemt de voorzieningenrechter niet mee in zijn beoordeling van het geschil, maar dienen enkel ter verificatie dat de weg naar een vonnis vrij is. De eis in reconventie die [gedaagde] via zijn brief van 11 december 2019 wil instellen – en waartegen [afkorting] c.s. bezwaar maakt in een brief die op 16 december 2019 door de voorzieningenrechter is ontvangen – wordt niet toegelaten. Enerzijds, omdat deze eis niet gaat over het geschil zoals dat voorligt voor het wijzen van vonnis. Anderzijds, omdat [gedaagde] hiermee te laat is. [gedaagde] had deze eis voorafgaand aan de zitting in april 2019 in moeten stellen en niet daarna. Zeker niet op het moment dat de zaak al voor vonnis stond. De eis in reconventie is daarom in strijd met de goede procesorde en wordt niet toegelaten. Overigens, als de eis in reconventie wel zou zijn toegelaten, komt de vraag op of deze toewijsbaar is. [gedaagde] vraagt namelijk om nakoming van een afspraak uit het proces-verbaal, terwijl hij zich zelf niet meer houdt aan die afspraken en het om een integrale regeling ging.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

De [school 1] (hierna: de [school 1] ) is een vrije school voor basisonderwijs in [plaatsnaam 1] Zuid. De [school 1] valt onder de [eiseres sub 1] . [eiser sub 3] is bovenschools directeur en uitvoerend bestuurder van de [eiseres sub 1] . [eiseres sub 2] is schoolleider van de [school 1] . [gedaagde] is vader van drie kinderen. Zijn twee jongste kinderen zitten op de [school 1] . Op 13 januari 2019 heeft [gedaagde] een brief gestuurd aan verschillende instanties, waarin hij zijn zorgen uit over de cultuur op de [school 1] . Volgens [afkorting] c.s. zijn een groot aantal uitlatingen in die brief onrechtmatig, tegenover de [school 1] als geheel en [eiser sub 3] en [eiseres sub 2] in het bijzonder, omdat deze onnodig grievend en/of ongefundeerd of onjuist zijn. [gedaagde] is het hier niet mee eens. [afkorting] c.s. wil er met dit kort geding voor zorgen dat [gedaagde] stopt met het doen van dit soort uitlatingen en dat hij zijn brief rectificeert bij de instanties aan wie hij deze heeft gestuurd. Die instanties zijn in ieder geval de Vereniging van Vrije Scholen, de onderwijsinspectie, de wethouder van onderwijs van [plaatsnaam 1] , het ouder-en-kindteam van [plaatsnaam 1] -Zuid, de medezeggenschapsraad van de [school 1] en de [school 2] , de kinderombudsman van [plaatsnaam 1] , de gemeente [plaatsnaam 1] , de externe vertrouwenspersoon van de [eiseres sub 1] en de Antroposofische Vereniging Nederland.

3 Waar let de voorzieningenrechter op bij de beoordeling?

3.1.

Als de vorderingen van [afkorting] c.s. worden toegewezen is dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] (artikel 10 lid 1 EVRM). Dit recht kan volgens het tweede lid van dat artikel alleen worden beperkt, als die beperking in de wet is geregeld en in een democratische samenleving nodig is. Van zo’n beperking is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn (artikel 6:162 BW).

3.2.

Bij de beantwoording van de vraag of een uitlating onrechtmatig is, moeten twee belangrijke maatschappelijke belangen worden afgewogen. Aan de ene kant het belang dat (rechts)personen, zoals [afkorting] c.s., niet door publicaties worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Aan de andere kant het belang dat niet – door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek – misstanden die de samenleving raken, kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen in dit geval zwaarder weegt, hangt af van alle relevante omstandigheden. De omstandigheden die tegen elkaar moeten worden afgewogen zijn onder andere:

  • -

    aan de ene kant de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor [afkorting] c.s. en aan de andere kant de ernst van de misstand die de publicatie aan de kaak wil stellen;

  • -

    de mate waarin de verdenkingen op het moment van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

  • -

    de inkleding van de verdenkingen;

  • -

    de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere – voor [afkorting] c.s. minder schadelijke – wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt;

  • -

    de kans dat de informatie ook zonder de verweten publicatie in de publiciteit zou zijn gekomen.

3.3.

De voorzieningenrechter houdt ook rekening met het volgende uitgangspunt uit eerdere uitspraken:

- bij de afweging van wat wél en niet gezegd mag worden, maakt het uit of het gaat om een feitelijk bericht of een waardeoordeel. Als iets wordt gepresenteerd als een feit, moet dat bewezen kunnen worden. Als iets wordt gepresenteerd als een persoonlijke mening, is die eis iets minder streng.

3.4.

Het begrip publicatie wordt in het kader van artikel 6:162 BW ruim opgevat, zodat het over iedere openbaarmaking kan gaan, ook voor zover deze niet in de pers is gedaan. Brieven sturen aan instanties valt onder publiceren.

4 De beoordeling

[afkorting] c.s. is ontvankelijk

4.1.

[gedaagde] vond in april 2019 dat [afkorting] c.s. geen spoedeisend belang had bij dit kort geding, omdat hij zijn brief al op 13 januari 2019 heeft verstuurd. Ook vindt hij de zaak niet geschikt om in kort geding te behandelen, omdat de achterliggende kwestie (volgens hem is dat de toetsing van het schoolbeleid en het gedrag van [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] in de breedste zin) te veelomvattend is. [gedaagde] zegt dat [afkorting] c.s. om deze twee redenen niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen.

4.2.

De voorzieningenrechter ziet dit anders. [afkorting] c.s. heeft er een spoedeisend belang bij dat er geen onrechtmatige uitlatingen over hem worden gedaan en dat dergelijke uitlatingen worden gerectificeerd. Dat belang is niet zomaar weg door een aantal maanden te wachten met het starten van een rechtszaak. Ook op dit moment is dat belang nog aanwezig. Zeker nu [gedaagde] heeft aangegeven dat hij zich niet meer gehouden acht aan de afspraak om geen uitlatingen meer te doen en hij inmiddels in een brief aan de medezeggenschapsraad van de [school 1] ook nieuwe uitlatingen heeft gedaan, die [afkorting] c.s. onrechtmatig vindt.

Een zaak is niet snel ongeschikt voor behandeling in kort geding. Deze zaak is daarop geen uitzondering. De voorzieningenrechter zal moeten beoordelen of de aan hem voorgelegde uitlatingen onrechtmatig zijn tegen de achtergrond zoals partijen die hebben geschetst. Voor een verdergaand onderzoek is geen plaats in kort geding en dat is in dit geval ook niet nodig. [afkorting] c.s. is dus ontvankelijk in zijn vorderingen.

De uitlatingen zijn onrechtmatig

4.3.

[afkorting] c.s. noemt in het lichaam van zijn dagvaarding veertien uitlatingen uit de brief van [gedaagde] van 13 januari 2019, die volgens hem onrechtmatig zijn. In zijn petitum vordert [afkorting] c.s. rectificatie van een achttal uitspraken. Daar wringt voor [afkorting] c.s. blijkbaar de schoen. [gedaagde] heeft ook alleen verweer gevoerd tegen deze acht uitspraken. De acht uitspraken komen niet één op één overeen met de veertien uitlatingen, maar komen in de kern wel neer op de boodschap die daarin wordt geuit. De voorzieningenrechter heeft daarom de rechtmatigheid van die acht uitspraken beoordeeld.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de acht uitspraken onrechtmatig zijn. [gedaagde] heeft zijn brief gestuurd uit grote bezorgdheid om de veiligheid van zijn kinderen en de andere kinderen op de [school 1] . In zijn ogen is er op de [school 1] een gebrek aan (sociale) veiligheid. Dat is de beweerdelijke misstand die hij in zijn brief aan de kaak wilde stellen. Hij heeft daarbij zeer sterke bewoordingen gebruikt. Het moet mogelijk zijn om misstanden aan de kaak te stellen en [afkorting] c.s. moet aangesproken kunnen worden op zijn professionele handelen, maar de verwijten moeten wel voldoende steun vinden in de op dat moment beschikbare feiten en dit moet niet gebeuren in bewoordingen die onnodig grievend zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] die grenzen te buiten is gegaan. Ook heeft hij aantijgingen geuit die op zichzelf niet nodig waren om het gebrek aan (sociale) veiligheid onder de aandacht te brengen. Deze aantijgingen kunnen beschadigend zijn voor de betrokkenen. Hieronder wordt per uitspraak toegelicht waarom deze onrechtmatig is.

Uitspraak 1: Dat ernstige seksuele incidenten, misbruik, aanrandingen en verkrachting hebben plaatsgevonden als gevolg van de handelwijze van [eiseres sub 2] .

4.5.

[gedaagde] zegt dat hij dit niet zo heeft gezegd, maar dat hij kritiek heeft geuit op de manier waarop [eiseres sub 2] is omgegaan met de ernstige seksueel grensoverschrijdende incidenten die volgens hem op de [school 1] hebben plaatsgevonden.

4.6.

[gedaagde] schrijft in zijn brief dat er enkele jaren geleden een aantal zeer ernstige seksuele incidenten en aanrandingen hebben plaatsgevonden, gepleegd door een leerling van de [school 1] . Hij verwijt [eiseres sub 2] , onder andere, dat zij niet adequaat heeft gehandeld bij de komst van deze leerling naar de [school 1] , terwijl zij wist van eerdere incidenten waarbij deze leerling (op zijn vorige school) betrokken was. Hij schrijft vervolgens dat er na een reeks van incidenten op de [school 1] , een “ernstige aanranding” is gepleegd door die leerling tijdens een slaapfeestje bij hem thuis. Verder verwijt hij [eiseres sub 2] dat zij dit dossier niet professioneel heeft afgewikkeld door de leerling zonder dossier of waarschuwing naar een middelbare school te laten gaan, waar hij – volgens [gedaagde] – een meisje heeft misbruikt. Hij schrijft ook dat [eiseres sub 2] onderscheid maakt tussen ouders en dat de meest ernstige consequentie daarvan misbruik en verkrachting is geweest. Deze beweringen dekken dus de lading van de uitspraak zoals [afkorting] c.s. die weergeeft.

4.7.

[afkorting] c.s. zegt hierover het volgende. De betreffende leerling is naar de [school 1] overgeplaatst nadat de [school 1] uitgebreid is geïnformeerd over deze leerling en nadat die leerling met goed resultaat een proefperiode had doorlopen van drie weken in plaats van de gebruikelijke drie dagen. Ook is zijn klassenleraar op de hoogte gesteld van de incidenten op de vorige school, die overigens niet seksueel van aard waren. Op de [school 1] heeft de leerling nog wat gedragsproblemen vertoond, maar zijn gedrag viel binnen de kaders van het toelaatbare en was hetzelfde als het gedrag dat andere jongens lieten zien. [gedaagde] geeft maar één voorbeeld van een incident (slaapfeestje) en dat incident vond plaats buiten school. [school 1] is pas enkele maanden nadien bekend geworden met dit incident. Daarna heeft [eiseres sub 2] dit incident serieus opgepakt. Ze heeft op kosten van de [school 1] externe begeleiding van onder andere het Kinder- en Jeugdtraumacentrum te Haarlem voor de kinderen geregeld en er is nauw contact geweest met de vertrouwensinspecteur van onderwijs. Ook is een pedagoog ingeschakeld om in de klas te werken. [eiseres sub 2] heeft de middelbare school waar de betreffende leerling naar toe is gegaan op de hoogte gesteld van het incident op het slaapfeestje en de gedragsproblemen. Er heeft uitgebreid telefonisch contact plaatsgevonden tussen [eiseres sub 2] en de teamleider van de brugklas.

4.8.

In zijn reactie hierop maakt [gedaagde] verwijten aan [eiseres sub 2] over de afhandeling van het incident op het slaapfeestje. In dat kader verwijst hij ook naar een lijst van incidenten (waaronder dit incident) die de moeder van het slachtoffer heeft opgesteld.

4.9.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In deze uitlating uit [gedaagde] zeer ernstige beschuldigingen aan het adres van [eiseres sub 2] . Daarom en omdat hij deze beschuldigingen brengt alsof het een feit betreft, moeten deze goed zijn onderbouwd. Dat is niet het geval. [afkorting] c.s. heeft voldoende weersproken dat [eiseres sub 2] onzorgvuldig heeft gehandeld bij de komst van de betrokken leerling naar de [school 1] en zijn vertrek naar de middelbare school. [gedaagde] maakt [eiseres sub 2] verder nog verwijten over de afhandeling van het slaapfeestje-incident, maar – los van de omstandigheid dat [afkorting] c.s. ook deze verwijten tegenspreekt – dat is geen onderbouwing voor zijn beschuldiging dat dit incident plaatsvond door toedoen van [eiseres sub 2] . Van de andere mogelijk incidenten onderbouwt [gedaagde] niet dat deze incidenten plaatsvonden door de schuld van [eiseres sub 2] . Voor zover die onderbouwing hetzelfde is als voor het incident op het slaapfeestje, geldt dat al is geoordeeld dat deze ontoereikend is. De beschuldigingen vinden dus onvoldoende steun in het aanwezige bewijsmateriaal. Er is niet gebleken dat de misstand die [gedaagde] aan de kaak wilde stellen ook daadwerkelijk bestaat.

Uitspraak 2: Dat de door [gedaagde] in zijn brief genoemde leerling bont en blauw geslagen op school is gekomen en dat daarvan door de [school 1] geen melding is gemaakt, noch naar aanleiding daarvan actie is ondernomen.

4.10.

[gedaagde] verwijst voor de onderbouwing van zijn uitlating dat de pleger van het incident op het slaapfeestje bont en blauw geslagen op de [school 1] is gekomen, naar de lijst van de moeder van het slachtoffer (zie 4.8). Over de handelswijze van de [school 1] naar aanleiding daarvan, zegt [gedaagde] dat hij heeft vernomen dat een en ander is opgelost door de vader van de leerling te vragen naar de oorzaak van het letsel en dat de leraar/schoolleiding genoegen schijnt te hebben genomen met de bij herhaling gedane mededeling dat de jongen van de trap was gevallen.

4.11.

[afkorting] c.s. ontkent dat de betreffende leerling bont en blauw geslagen op school is verschenen en dat kindermishandeling zou zijn genegeerd.

4.12.

De voorzieningenrechter vindt er het volgende van. Ook hier betreft het een zeer ernstige beschuldiging die als een feit wordt gebracht. En ook hier ontbreekt een deugdelijke feitelijke grondslag. Op de lijst waar [gedaagde] naar verwijst, staat niet dat de betreffende leerling bont en blauw op school is verschenen. Daar staat alleen het volgende wat op deze situatie zou kunnen slaan “gesprek over ***’s [naam leerling is geanonimiseerd, toevoeging voorzieningenrechter] grote fantasie (hij had vriendjes verteld dat hij door vader wordt mishandeld, ouders ontkennen)”. Dat duidt er eerder op dat men er toen vanuit ging dat er géén sprake was van mishandeling. Verder zegt [gedaagde] zelf dat hij de handelwijze van de school na dit vermeende incident van horen zeggen heeft. Dit is niet genoeg om aan te nemen dat er inderdaad sprake is van een misstand.

Uitspraak 3: Dat sprake is van mismanagement en een doofpotcultuur op de [school 1] , als gevolg van het gedrag van [eiseres sub 2] .

Uitspraak 4: Dat kinderen op de [school 1] van ouders die [eiseres sub 2] onwelgevallig zijn gevaar lopen.

Uitspraak 5: Dat sprake is van een zeer ongezonde, gevaarlijke, sektarische cultuur op de [school 1] .

Uitspraak 7: Dat sprake is van manipulatief handelen van [eiseres sub 2] .

4.13.

Ter onderbouwing van deze uitspraken verwijst [gedaagde] naar een vijftal verklaringen van ouders van (voormalige) leerlingen van de [school 1] , naar de aangifte van de moeder van het slachtoffer van het incident op het slaapfeestje met als bijlage de door haar opgestelde lijst met incidenten en naar wat hij zijn eigen casus noemt.

4.14.

Dat laatste gaat volgens [gedaagde] over het volgende. Nadat er thuis een incident was geweest heeft [gedaagde] in overleg met de politie zijn kinderen bij zijn eigen moeder ondergebracht zonder dat de moeder van de kinderen (de ex-partner van [gedaagde] waarmee hij naar eigen zeggen in een “buitencategorie echtscheiding” is verwikkeld) hiervan wist. Toen de ex-partner van [gedaagde] de kinderen van school kwam halen, waren zij daar niet en raakte zij in paniek. [eiseres sub 2] heeft toen in bijzijn van de ex-partner van [gedaagde] telefonisch contact met [gedaagde] opgenomen en aan hem gevraagd waar de kinderen waren. Hij heeft de verblijfplaats van de kinderen niet verteld. [gedaagde] heeft gezegd dat de kinderen in overleg met de politie op een veilige plek waren ondergebracht en hij heeft [eiseres sub 2] verwezen naar de wijkagent aan wie hij gemeld had waar de kinderen waren. Deze wijkagent reageerde terughoudend. [eiseres sub 2] heeft toen een toevallig ook op de [school 1] aanwezige vader die bij de politie zit aangeschoten en die heeft de ex-partner van [gedaagde] geadviseerd om aangifte te doen van vermissing. Dat heeft zij gedaan. Dit heeft er uiteindelijk toe geleidt dat de kinderen van [gedaagde] door de politie bij zijn moeder zijn weggehaald en dat hij zijn kinderen twee maanden niet heeft gezien en daarna nog twee maanden slechts een keer per week onder begeleiding.

4.15.

De voorzieningenrechter ziet dat de ouders die de verklaringen hebben opgesteld zich grotendeels aansluiten bij de conclusies die [gedaagde] trekt in zijn brief van 13 januari 2019. Een aantal noemt daarbij – al dan niet van horen zeggen – ook dezelfde voorbeelden (slaapfeestje, “bont en blauw”) en verder heeft een aantal ouders zijn/haar eigen verwijt aan de [school 1] vanwege een specifieke casus die alleen hen betreft. Dat een tiental ouders ontevreden en bezorgd is en de verwijten van [gedaagde] (grotendeels) deelt, maakt echter nog niet dat de uitlatingen in zijn brief rechtmatig zijn. Volgens [afkorting] c.s. zitten er 460 kinderen op de [school 1] . De ouders die de verklaringen hebben opgesteld, maken dus maar een (zeer) klein deel uit van het totale ouderbestand. [gedaagde] mag verwijten maken en zijn zorgen uiten. Zo mag hij bijvoorbeeld in gepaste bewoordingen zijn eigen ervaringen en die van andere ouders delen en daaraan een waardeoordeel verbinden, waarbij duidelijk is dat het om (persoonlijke) ervaringen en een waardeoordeel gaat. Wat niet mag, is deze ervaringen/waardeoordeel van hemzelf en een klein aantal ouders in hele sterke bewoordingen brengen als een feitelijke beschrijving van de gang van zaken op de [school 1] , zoals hij nu gedaan heeft. Zeker niet nu zijn uitlatingen niet alleen afzonderlijk zeer ernstige beschuldigingen bevatten, maar vooral wanneer zij in hun onderlinge verband worden gewogen en beoordeeld, een uiterst verontrustend en ernstig beeld schetsen van de situatie op de [school 1] . Een beeld dat geen steun vindt in de beschikbare feiten.

Bovendien geldt nog het volgende. Voor zover de uitspraken die gaan over “gevaar” zien op het incident op het slaapfeestje en de beweerdelijke mishandeling (“bont en blauw”), geldt dat daarover al is geoordeeld dat niet is gebleken dat [afkorting] c.s. hier verkeerd heeft gehandeld (zie 4.9 en 4.12). Voor zover [gedaagde] hier zijn eigen casus mee bedoelt, geldt dat [gedaagde] deze casus heeft voorgelegd aan de Geschillencommissies Bijzonder Onderwijs en dat deze heeft geoordeeld “dat de escalatie, waardoor klager [lees: [gedaagde] , toevoeging voorzieningenrechter] uiteindelijk zijn kinderen twee maanden niet gezien heeft, veroorzaakt is door een samenloop van omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de directeur [lees: [eiseres sub 2] , toevoeging voorzieningenrechter] liggen en haar niet aan te rekenen valt.” Ook dit verwijt is dus niet terecht.

Uitspraak 6: Dat [eiser sub 3] een pathologische leugenaar is.

4.16.

[gedaagde] zegt dat hij niet heeft geschreven dat [eiser sub 3] een pathologisch leugenaar is, maar dat hij heeft geschreven “Hij [lees: [eiser sub 3] , toevoeging voorzieningenrechter] is mij door verschillende ouders en mensen uit de antroposofische wereld omschreven als een pathologisch leugenaar en dat is ook de directe ervaring die ik met hem heb gehad.” Hij onderbouwt deze uitspraak door te zeggen dat hij een gesprek met [eiser sub 3] heeft gehad en dat daarin afspraken zijn gemaakt, die [eiser sub 3] daarna ontkent en niet gestand doet en dat andere mensen hetzelfde is opgevallen. Ook verwijst hij naar een vijftal verklaringen.

4.17.

De voorzieningenrechter vindt er het volgende van. Hoewel het er op lijkt dat [gedaagde] nu louter zijn eigen ervaring en die van anderen weergeeft, is dat niet zo. De (eenmalige) ervaring van [gedaagde] is dat [eiser sub 3] zijn afspraken niet zou nakomen. Het waardeoordeel dat hij daaraan verbindt, is dat [eiser sub 3] een pathologisch leugenaar is. Nog afgezien van het feit dat dit een medische diagnose is die [gedaagde] niet kan stellen, geldt dat het niet nakomen van afspraken iets anders is dan (pathologisch) liegen. Bovendien moeten ook waardeoordelen worden onderbouwd. Zeker zulke ernstige. [gedaagde] kan zich hier niet verschuilen achter de omstandigheid dat hij weergeeft dat anderen dit waardeoordeel (ook) geven. Overigens blijkt uit de verklaringen waar [gedaagde] naar verwijst niet dat anderen [eiser sub 3] als pathologisch leugenaar bestempelen, maar dat een aantal van hen (ook) vindt dat hij zijn afspraken niet nakomt. Maar zelfs als zou uit deze verklaringen wél blijken dat anderen [eiser sub 3] een pathologisch leugenaar noemen, dan nog mag [gedaagde] dat niet zomaar weergeven of hem ook zo noemen. Een dergelijke ernstige beschuldiging moet ondersteuning vinden in de feiten en dat is hier niet gebleken. In dat geval is het niet rechtmatig om zelf een dergelijke beschuldiging te uiten of beschuldigen van anderen te herhalen.

Uitspraak 8: Dat [A] een of meer van de verwijten kan worden gemaakt, die [gedaagde] in zijn brief maakt.

4.18.

Volgens [gedaagde] is het enige verwijt dat hij [A] (de klassenleraar van zijn dochter) maakt, dat hij [gedaagde] niet even goed over zijn dochter informeert als zijn ex-partner. Dat verwijt onderbouwt [gedaagde] met een e-mailwisseling tussen hem en [A] .

4.19.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. [gedaagde] schrijft in zijn brief inderdaad “dat de school en met name meester [A] weigert mij evenwaardig aan de moeder te informeren”. Hij schrijft echter ook “Betreffende de heer [A] is ook nog veel te vertellen. Er ligt inmiddels een geschiedenis die ik tijdens een onderzoek kenbaar wil maken”. Dat is geen concreet verwijt, maar dat maakt het alleen maar kwalijker. Het is niet duidelijk of er een misstand is die [gedaagde] aan de kaak wil stellen en zo ja, welke. Dat maakt dat [gedaagde] nog zorgvuldiger had moeten zijn in zijn uitspraken. Dat is hij echter niet. [gedaagde] zegt in een brief waarin hij het heeft over gevaarlijke situaties, misbruik, aanrandingen en verkrachting dat er óók veel over [A] te vertellen valt. Daarmee wekt hij een hele nare suggestie, die geen steun vindt in de feiten. Overigens vindt het concrete verwijt dat [gedaagde] [A] maakt, ook geen steun in de feiten. Uit de door [gedaagde] overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat [A] [gedaagde] meerdere malen uitnodigt voor een gesprek over zijn dochter. Op die uitnodiging is [gedaagde] niet ingegaan.

Conclusie

4.20.

De voorzieningenrechter vindt het goed voorstelbaar dat [gedaagde] uit oprechte bezorgdheid voor zijn kinderen handelt, maar hij gaat daarbij de grenzen over van wat rechtmatig is. [gedaagde] voelt een diepe noodzaak voor een onderzoek naar de gang van zaken op de [school 1] en zet zich daar voor in. Een dergelijk onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden, maar [gedaagde] aanvaardt de uitkomst daarvan niet, omdat hij grote twijfels heeft bij de onafhankelijkheid daar van. Dat staat hem vrij, maar hij moet zich onthouden van het uiten van zeer ernstige en ongegronde beschuldigingen. Dat heeft hij niet gedaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat de acht uitspraken onrechtmatig zijn, mede gelet op de ruime kring van instanties naar wie hij de brief gestuurd heeft. De vorderingen van [afkorting] c.s. worden toegewezen op de manier die in de beslissing staat.

4.21.

Hiermee is niet gezegd dat de uitlatingen waarvan [afkorting] c.s. geen rectificatie vraagt wél door de beugel kunnen. Dat zal moeten blijken na een beoordeling van die uitlatingen, maar dat is niet aan de voorzieningenrechter gevraagd.

Dwangsom

4.22.

De gevorderde dwangsom wordt toegewezen.

Proceskosten

4.23.

[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten van [afkorting] c.s. betalen. Die worden begroot op:

- dagvaarding € 101,06

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.720,06

4.24.

De door [afkorting] c.s. gevorderde nakosten moet [gedaagde] ook betalen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om de onrechtmatige uitlatingen die hij in zijn brief van 13 januari 2019 heeft gedaan of soortgelijke uitlatingen te staken en gestaakt te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 72 uur na betekening van dit vonnis een brief te sturen aan de in 2.1 genoemde instanties, waarin hij vermeldt dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de onderstaande uitspraken onrechtmatig zijn:

  1. Dat ernstige seksuele incidenten, misbruik, aanrandingen en verkrachting hebben plaatsgevonden door de handelswijze van [eiseres sub 2] ;

  2. Dat de door [gedaagde] in zijn brief genoemde leerling bont en blauw geslagene op school is gekomen en da daarvan door de [school 1] geen melding is gemaakt, noch naar aanleiding daarvan actie is ondernomen;

  3. Dat sprake is van mismanagement en een doofpotcultuur op de [school 1] , ten gevolge van het gedrag van [eiseres sub 2] ;

  4. Dat kinderen op de [school 1] van ouders die [eiseres sub 2] onwelgevallig zijn gevaar lopen;

  5. Dat sprake is van een zeer ongezonde, gevaarlijke, sektarische cultuur op de [school 1] ;

  6. Dat [eiser sub 3] een pathologisch leugenaar is;

  7. Dat sprake is van manipulatief handelen door [eiseres sub 2] ;

  8. Dat [A] een of meer van de verwijten kan worden gemaakt die [gedaagde] in zijn brief maakt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [afkorting] c.s. een dwangsom te betalen van € 250 voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.1 en/of 6.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 12.500 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [afkorting] c.s. tot op heden begroot op € 1.720,06,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2019.1

1 MB (4209)