Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6198

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2019
Datum publicatie
28-01-2020
Zaaknummer
C/16/493460 / KG ZA 19-761
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding, geschil over inspanningsverplichting tot instandhouding kunstwerk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/493460 / KG ZA 19-761

Vonnis in kort geding van 24 december 2019

in de zaak van

[eiser] ,

handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [handelsnaam] ,

eiser,

advocaten mr. A.H. Bourdrez en mr. B.M. van Werven te Amsterdam,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

hierna: Provincie Utrecht,

2. de stichting

STICHTING HET UTRECHTS LANDSCHAP,

gevestigd te De Bilt,

hierna: Utrechts Landschap,

gedaagden,

hierna samen: Provincie Utrecht c.s.,

advocaten mr. T. Fokkens en mr. M. Korterink te Arnhem.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 12 december 2019,

  • -

    de producties 1 tot en met 26 van [handelsnaam] ,

  • -

    de producties 1 tot en met 19 van Provincie Utrecht c.s.,

  • -

    de mondelinge behandeling van 20 december 2019,

  • -

    de pleitnota van [handelsnaam] ,

  • -

    de pleitnota van Provincie Utrecht c.s.,

  • -

    de faxberichten van de advocaten van partijen van 23 december 2019 waarin is verzocht om vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 24 december 2019 vonnis uitgesproken. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking en is op

3 januari 2020 vastgesteld.

2 De beoordeling

Waar gaat het over?

2.1.

In 2013 heeft [handelsnaam] samen met Studio [A] in opdracht van de stichting Vrede van Utrecht een kunstwerk gemaakt, bestemd voor een loods met de naam [.] op de (voormalige) vliegbasis Soesterberg. Provincie Utrecht was destijds eigenaar van de vliegbasis. Zij heeft een deel van de kosten voor het kunstwerk betaald.

2.2.

In september 2013 is het kunstwerk met de naam [naam kunstwerk] opgeleverd als onderdeel van collectie De Basis van in totaal negen kunstwerken op de vliegbasis. De mobiele sculptuur staat gestald in [.] en kan over de landingsbanen rijden. In de mobiele sculptuur bevindt zich een (vergader)ruimte voor circa tien personen. Hierna volgen enkele afbeeldingen.

[.] met geopende deuren

de mobiele sculptuur op de landingsbaan

2.3.

Vrede van Utrecht heeft het kunstwerk samen met andere kunstwerken uit collectie De Basis in eigendom overgedragen aan Provincie Utrecht. In december 2017 heeft Provincie Utrecht de vliegbasis Soesterberg verkocht aan Utrechts Landschap. Sindsdien is Utrechts Landschap eigenaar van [.] en Provincie Utrecht van de mobiele sculptuur.

Omdat deze gang van zaken destijds al voorzien was, waren Provincie Utrecht en Utrechts Landschap betrokken bij de opdracht aan [handelsnaam] door Vrede van Utrecht om het kunstwerk tot stand te brengen.

2.4.

Utrechts Landschap wil [.] per 1 januari 2020 gaan verhuren aan een fysiotherapiepraktijk. Provincie Utrecht wil de mobiele sculptuur eind 2019 uit [.] verwijderen en in een andere loods op de vliegbasis opslaan. [handelsnaam] verzet zich daar tegen, omdat volgens hem destijds uitdrukkelijk is overeengekomen dat het kunstwerk permanent tentoongesteld zou worden. Provincie Utrecht c.s. stelt dat er slechts een inspanningsverplichting tot instandhouding gold van maximaal vijf jaar na oplevering, dus tot uiterlijk september 2018. Overleg tussen partijen heeft niet tot een regeling geleid.

2.5.

[handelsnaam] vordert daarom in deze procedure voorlopige voorzieningen strekkende tot behoud van de bestaande situatie. [handelsnaam] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het voorgenomen handelen van Provincie Utrecht c.s. inbreuk maakt op de aan hem als maker toekomende persoonlijkheidsrechten ex artikel 25 lid 1 sub c en d Auteurswet (Aw) en misbruik van recht oplevert in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW en ook een toerekenbare tekortkoming in de op Provincie Utrecht c.s. rustende verplichting tot beheer van het kunstwerk. Het spoedeisend belang vloeit al voort uit de aard van deze zaak en is ook niet betwist.

Waaruit bestaat het kunstwerk?

2.6.

De eerste vraag die voorligt is of [.] onderdeel uitmaakt van het kunstwerk [naam kunstwerk] .

2.7.

[handelsnaam] stelt dat de mobiele sculptuur en de [.] een onverbrekelijke eenheid vormen. Het doel van de opdracht was om een kunstwerk te maken dat (de gevaren van) de Koude Oorlog verbeeldt op de locatie waar de NAVO ooit actief was. De mobiele sculptuur is qua vorm en functie specifiek ontworpen voor [.] . Die [.] is als basis gekozen vanwege het feit dat dit de enige originele, nog functionerende [.] op de vliegbasis is en vanwege de ligging daarvan. Dit alles blijkt volgens [handelsnaam] uit het definitieve ontwerp (productie 10 [handelsnaam] ), dat mede door Provincie Utrecht c.s. is ondertekend.

2.8.

Provincie Utrecht c.s. betwist dat [.] deel uitmaakt van het kunstwerk. Zij voert daartoe aan dat [handelsnaam] alleen de mobiele sculptuur heeft ontworpen. [.] bestond al in de huidige vorm en was beschikbaar en bedoeld als (tijdelijk) onderkomen daarvoor. Dit blijkt volgens haar uit de verklaringen van 18 december 2019 van de daarbij betrokken programmamanager [B] en projectleider [C] (producties 18 en 19 Provincie Utrecht c.s.).

2.9.

De voorzieningenrechter vindt dat [handelsnaam] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [.] tot het kunstwerk behoort. In het genoemde definitieve ontwerp is - voor zover relevant - opgenomen:

“(…)

Overeengekomen met CBKU/Vrede van Utrecht, Provincie Utrecht, SKOR, Utrechts Landschap, Vliegbasis Soesterberg.

Het kernpunt van betreft de samenhang van het totale ensemble: [.] met alle interne en externe onderdelen in samenhang met het mobiele kunstwerk. Het doel is het totale esemble zonder extra toevoegingen zo helder mogelijk het verhaal over de Koude Oorlog te laten communiceren.

(…)

[.] vormt samen met een mobiele sculptuur het kunstwerk [naam kunstwerk] . Het kunstwerk en [.] zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen als zodanig behandeld te worden. Cruciaal uitgangspunt voor het kunstwerk is de ligging van de [.] in de directe nabijheid zichtbaarheid en bereikbaarhied van de startbaan. Het verbindt op deze wijze visueel het gehele [.] met de startbaan. Met ‘ [.] ’ wordt het hele ensemble van de [.] bedoeld: de setting van [.] in het bos, ruig grasland en betonplaten. Het kunstwerk is nauwkeurig ontworpen voor [.] , zowel qua vorm als functie. Het is de enige [.] op vliegbasis Soesterberg die in originele staat verkeert en nog functioneert. Om [.] in zijn originele staat te houden zijn de akoestiek en het klimaat in het kunstwerk opgelost.

(…)”

2.10.

Provincie Utrecht c.s. heeft niet betwist dat dit definitieve ontwerp mede door haar is goedgekeurd. Hierin staat duidelijk beschreven dat [.] met al haar interne en externe onderdelen en de mobiele sculptuur gezamenlijk het kunstwerk vormen en als één geheel behandeld moeten worden en dat alle betrokken partijen daarmee akkoord zijn gegaan. Dat [B] en [C] nu verklaren dat de [.] alleen ter beschikking was gesteld voor een kunstwerk doet daar niet aan af. Dit sluit namelijk niet uit dat de [.] vervolgens deel uit is gaan maken van het vervaardigde kunstwerk. Bij de verdere beoordeling gaat de voorzieningenrechter dan ook uit van een kunstwerk bestaande uit het geheel van [.] , intern en extern, en de mobiele sculptuur.

Kern van het geschil

2.11.

Vervolgens ligt ter beoordeling voor of in zodanige mate aannemelijk is dat de vorderingen van [handelsnaam] in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen, dat daarop in dit kort geding mag worden vooruitgelopen. Het is aan [handelsnaam] om daar voldoende feiten en omstandigheden voor aan te voeren. De voorzieningenrechter acht de kans dat een bodemrechter tot toewijzing van zijn vorderingen zal beslissen op dit moment onvoldoende. De vorderingen zijn in de kern namelijk gebaseerd op de stelling dat op de Provincie Utrecht c.s. als eigenaar van het kunstwerk (nog steeds) een inspanningsverplichting tot instandhouding van het kunstwerk rust en die stelling heeft [handelsnaam] in het licht van de gemotiveerde betwisting door Provincie Utrecht c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dat maakt dat de vorderingen van [handelsnaam] moeten worden afgewezen. Als die verplichting op grond van de met [handelsnaam] gemaakte afspraken niet meer op Provincie Utrecht c.s. rust, zoals zij stelt, staat het haar namelijk in beginsel vrij om te beslissen over het al dan niet laten voortbestaan van het kunstwerk en komt [handelsnaam] geen beroep meer toe op schending van zijn persoonlijkheidsrechten, misbruik van recht of wanprestatie door Provincie Utrecht c.s. Dit oordeel zal hierna worden toegelicht.

Hoe lang zou het kunstwerk behouden moeten blijven?

2.12.

[handelsnaam] stelt dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst van opdracht de bedoeling hadden om een kunstwerk met een permanent karakter tot stand te (laten) brengen. Om die reden is de in artikel 24 van de conceptovereenkomst (productie 8 [handelsnaam] ) opgenomen standaardbepaling, die luidt: “Het kunstwerk zal in principe voor een periode van 5 jaar behouden blijven. Zonder onderhoudsverplichtingen voor de Provincie. Na deze periode wordt beoordeeld in hoeverre het beeld nog voldoet aan de uitgangspunten zoals voor deze opdracht gesteld. Bij de beoordeling hiervan wordt de kunstenaar betrokken.” volgens [handelsnaam] bewust niet in de door Vrede van Utrecht en [handelsnaam] op 5 en 6 maart 2013 ondertekende overeenkomst (productie 7 [handelsnaam] ) opgenomen. [handelsnaam] heeft ter zitting toegelicht dat al het contact rond de opdracht via [D] , voormalig programmaleider, verliep en dat hij bij haar mondeling bezwaar heeft gemaakt tegen opname van deze standaardbepaling in de overeenkomst en dat de overeenkomst toen is aangepast.

2.13.

[handelsnaam] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de verklaring van [E] (productie 20 [handelsnaam] ), voormalig [functie] Vrede van Utrecht, die mede namens [F] , voormalig zakelijk leider Vrede van Utrecht, heeft verklaard:

“ [naam kunstwerk] is een van de blijvende kunstwerken van de collectie.”

[E] en [F] hebben destijds de overeenkomst met [handelsnaam] namens Vrede van Utrecht ondertekend.

2.14.

[handelsnaam] verwijst verder naar de verklaring van voormalig programmaleider [D] (productie 21 [handelsnaam] ), die onder andere heeft verklaard:

“Vanaf 2011 werd gewerkt aan een Collectie De Basis, met tijdelijke kunstwerken en permanente kunstwerken. Permanent omdat het verhaal van de vliegbasis daarmee zichtbaar zou blijven (rode draad). Tijdelijk omdat het voor een toekomstige publiek programmering interessant zou zijn om ook te wisselen. Vanuit het CBKU zijn alle opdrachten en contracten gestart.” en “Onder de Vrede van Utrecht werden de laatste contracten gesloten voor uitvoering voor 2 kunstwerken: van [G] / [H] en voor [naam architectenbureau] (nu [handelsnaam] )/Studio [A] . Beide permanent op de vliegbasis.”

2.15.

Deze verklaringen bieden weinig steun, omdat zij niet zijn ondertekend door [F] en [D] en daarin niet duidelijk is bevestigd dat met [handelsnaam] geen inspanningsverplichting tot instandhouding van het kunstwerk voor maximaal vijf jaar is overeengekomen.

2.16.

Daar komt bij dat Provincie Utrecht c.s. heeft aangevoerd dat de termen blijvend en permanent met betrekking tot collectie De Basis niet werden gebruikt in de betekenis van onbepaalde tijd, maar van vijf jaar. Zij heeft daarbij verwezen naar het door CBKU, Vrede van Utrecht en Utrechts Landschap opgestelde projectplan van juni 2011 (productie 15 Provincie Utrecht c.s.) waarin daarover is vermeld:

12.4 Beheer en onderhoud beeldende kunst

De beeldende kunst collectie De Basis is gericht op een achttal (semi)permanente werken, waarvan er enkele gekoppeld zijn aan gebouwen/objecten.

Deze werken komen in eigendom van de Provincie Utrecht wanneer het kunstwerk zich aan of in de gebouwen bevindt. Bij de opstelling van de begroting zijn bedragen voor beheer opgenomen voor een periode van vijf jaar.

Voor permanente kunstwerken wordt tegenwoordig uitgegaan van een periode van 5 jaar. Na 5 jaar wordt opnieuw bekeken of een werk wordt gecontinueerd of dat het teruggaat naar de kunstenaar.”

Verder heeft Provincie Utrecht c.s. documenten overgelegd van [F] en [D] , die dateren van na het sluiten van de overeenkomst met [handelsnaam] , waarin zij expliciet hebben aangegeven dat sprake was van een inspanningsverplichting tot instandhouding van het kunstwerk voor maximaal vijf jaar (zie de hierna te bespreken producties 4 en 7 van Provincie Utrecht c.s.).

2.17.

Provincie Utrecht c.s. voert als verweer tegen de stelling van [handelsnaam] het volgende aan. Provincie Utrecht c.s. stelt dat de opdracht tot het realiseren van de kunstwerken op vliegbasis Soesterberg samenhing met de overgang van een groot deel van de vliegbasis van het Rijk / Defensie naar Provincie Utrecht in 2009 en herinrichting als natuurgebied en openstelling voor het publiek eind 2014. Vanaf het begin was al duidelijk dat het gebied dan eind 2017 / begin 2018 zou worden overgedragen aan Utrechts Landschap. Met alle kunstenaars is daarom afgesproken dat de opdrachtgever zich zou inspannen om de kunst (maximaal) vijf jaar in stand te houden, welke periode gelijk was aan de periode tot het moment van overdracht aan Utrechts Landschap. Vrede van Utrecht heeft de eigendom en het beheer van de kunstwerken overgedragen aan Provincie Utrecht met inbegrip van het bijbehorende budget voor maximaal vijf jaar. Daarbij is de afspraak gemaakt dat als het budget eerder op zou zijn, de inspanningsverplichting tot instandhouding dan al zou vervallen. In de met [handelsnaam] gesloten overeenkomst van opdracht is niets opgenomen over de duur van de instandhouding. Uit allerlei andere stukken blijkt duidelijk dat de termijn voor instandhouding van maximaal vijf jaar ook met hem is overeengekomen.

2.18.

Deze stellingen worden onder meer ondersteund door het navolgende uit de documenten die Provincie Utrecht c.s. heeft ingebracht.

2.19.

In een brief van 14 december 2012 (productie 1) heeft CBKU, de opdrachtgever van de eerste zeven kunstwerken, aan de Stuurgroep Vliegbasis Soesterberg, over de gemaakte afspraken geschreven:

“Onder verwijzing naar het gesprek dat wij hebben gevoerd met de projectleider mevrouw [C] op 14 november 2012, bevestigen wij bij deze graag de besproken afspraken inzake de overdracht en het beheer van de reeds gerealiseerde, c.q. nog te realiseren beeldende kunstwerken, vallend onder de noemer “Collectie BK De Basis”.

(…)

CBKU heeft bij de opdrachtverstrekking aan de diverse kunstenaars niet alleen afspraken gemaakt over de aanleg maar ook over het beheer en onderhoud van de kunstwerken. (…)

Wij vragen de eigenaar, en daarmee de stuurgroep Vliegbasis Soesterberg, deze afspraken over te nemen. (…) Voor alle kunstwerken is een inspanningsverplichting tot instandhouding afgesproken van maximaal 5 jaar (te rekenen vanaf het moment van oplevering) en met een maximum aan financiele inspanning. In de projectbegroting is een realistisch budget gereserveerd van € 33.215,- voor het onderhoud en beheer van de kunstwerken. Dit budget, dat nodig is om de afspraken na te komen, komt ter beschikking aan he t project Vliegbasis Soesterberg. (…)

In de bijlage bij de brief is bovenaan vermeld:

Onderstaande collectie kunstwerken horen bij de vliegbasis en komen in beheer bij projectbureau Vliegbasis Soesterberg, voor de periode dat de Provincie Utrecht eigenaar is van de basis en de gebouwen.

Daaronder zijn negen kunstwerken opgesomd, waaronder:

“8. Het kunstwerk “ [naam kunstwerk] ” (werktitel) van [naam architectenbureau] ism [A] voor [.] - in ontwikkeling -“.

2.20.

In notulen van een bespreking van 17 januari 2013 van Stuurgroep Hart van de Heuvelrug (productie 2) is opgenomen:

“Het CBKU is per 31 december 2012 opgehouden te bestaan. In een brief aan de Stuurgroep Vliegbasis Soesterberg vraagt het CBKU aan de eigenaar om het beheer en het onderhoud van de gerealiseerde 7 kunstwerken op zich te nemen. Hiervoor is geld beschikbaar voor een periode van maximaal 5 jaar. Als deze periode afloopt of het beschikbare budget is op, vervalt de onderhoudsverplichting.

De Stuurgroep gaat akkoord met dit voorstel en vraagt mw [C] (…) om een brief hiertoe op te stellen.”

In die brief van 23 januari 2013 (productie 3) is - voor zover van belang- vermeld:

“(…)

Uw verzoek is in de stuurgroepvergadering dd 17 januari 2013 aan de orde geweest. De stuurgroep heeft:

  • -

    Besloten om het beheer en onderhoud van de 7 reeds gerealiseerde beeldende kunstwerken over te nemen,

  • -

    De intentie uitgesproken om ook het beheer en onderhoud van de 2 nog te realiseren beeldende kunstwerken na realisatie over te nemen,

  • -

    Aangegeven om als randvoorwaarden aan het beheer en onderhoud de genoemde maximumtijd van 5 jaar en het maximum aan beschikbaar budget (€ 33.215,-) aan houden.”

2.21.

In een brief van 4 september 2013 (productie 4) heeft Vrede van Utrecht, de opvolgster van CBKU, de eigendom en het beheer van de kunstwerken van collectie De Basis, waaronder het kunstwerk [naam kunstwerk] , overgedragen aan Provincie Utrecht. In die brief heeft zij het volgende bevestigd:

“(…)

Vrede van Utrecht heeft bij de opdrachtverstrekking aan de diverse kunstenaars afspraken gemaakt over de aanleg en over het beheer en het onderhoud van de kunstwerken. Voor alle kunstwerken is een inspanningsverplichting tot instandhouding afgesproken van maximaal 5 jaar (te rekenen vanaf het moment van opleving). Middels deze brief dragen wij deze afspraken aan u als eigenaar en beheerder over.

(…)

Nu alle kunstwerken zijn afgerond, zullen wij ook het onderhoudsbudget aan u overdragen. In de projectbegroting is een realistisch budget gereserveerd van € 33.215,-- voor het onderhoud van beheer van de kunstwerken. Het budget zal per 1 oktober 2013 aan u worden overgedragen. (…)”

Deze brief is ondertekend door [F] , voormalig zakelijk leider Vrede van Utrecht, die enkele maanden daarvoor ook de overeenkomst met [handelsnaam] had ondertekend. [handelsnaam] stelt dat in deze brief abusievelijk is vermeld dat ook met [handelsnaam] tentoonstelling van het kunstwerk voor beperkte tijd is overeengekomen, maar heeft dit verder niet onderbouwd.

2.22.

Bij een e-mail aan de Provincie Utrecht van 29 oktober 2013 (productie 7) heeft voormalig programmaleider [D] haar visie gegeven op wat er met collectie De Basis zou moeten gebeuren. Daarin is onder meer opgenomen:

“Behoud

Met de kunstenaars en ontwerpers zijn intentionele afspraken gemaakt over het behouden van de kunstwerken voor een minimale periode van 5 jaar, geteld vanaf de oplevering. Voor enkele kunstwerken gelden andere afspraken, deze zijn opgenomen in het overdrachtsdossier Collectie De Basis.”

Op de laatste pagina is per kunstwerk aangegeven tot wanneer de termijn loopt. Bij [naam kunstwerk] is vermeld: “minimaal tot september 2018”

Dat komt overeen met een periode van vijf jaar vanaf het moment van oplevering. Dit bevestigt de lezing van Provincie Utrecht c.s. dat met de aanduiding permanent op de vliegbasis in de latere verklaring van [D] niet voor onbepaalde tijd maar vijf jaar is bedoeld.

2.23.

Programmamanager [B] heeft in haar verklaring van 18 december 2019 (productie 18) onder meer aangegeven:

“De Provincie Utrecht heeft het kunstwerk in 2013 overgenomen van de Vrede van Utrecht. Het uitgangspunt bij de opdrachtverstrekking van de collectie “De Basis” was dat de kunstwerken voor een periode van 5 jaar in stand gehouden zouden worden. Dit is ook zo bevestigd bij de overdracht van de kunstwerken van de Vrede van Utrecht naar de Provincie.

Medewerkers van de Vrede van Utrecht geven nu opeens aan dat de [naam kunstwerk] destijds een uitzondering was en dat daarvoor de termijn van 5 jaar niet zou gelden, maar dit is destijds niet zo vastgelegd en ook niet zo gecommuniceerd aan de Provincie. Indien dat wel gebeurd zou zijn, dan had de Provincie Utrecht het kunstwerk zeer waarschijnlijk ook niet overgenomen omdat er niets geregeld is voor beheer en onderhoud en de hiertoe benodigde substantiële financiële middelen. Daarnaast was destijds ook de verkoop van de vliegbasis Soesterberg naar het Utrechts Landschap al in gang gezet en bekend dat de provincie na 5 jaar geen eigenaar meer zou zijn van de vliegbasis en dus ook geen afspraken kon maken over de periode daarna.

Voor een drietal andere kunstwerken van deze collectie is overigens wel een uitzondering gemaakt. Die kunstwerken blijven langer bestaan dan de periode van 5 jaar. (…)”

Voor zover [handelsnaam] hierin leest dat [B] bevestigt dat [naam kunstwerk] een uitzondering vormde, is dat niet te begrijpen. Ter zitting heeft [B] aanvullend verklaard dat het kunstwerk niet één van de drie kunstwerken is ten aanzien waarvan bij de overdracht is afgesproken dat ze na afloop van de termijn van vijf jaar zouden blijven staan.

2.24.

Projectleider [C] heeft in haar verklaring van 18 december 2019 (productie 19) ook nog aangegeven:

“Voor de kunstcollectie De Basis is altijd gesproken over een beheerperiode van 5 jaar. Hieronder valt ook de [naam kunstwerk] . Uitgangspunt was een kunstcollectie voor de transitiefase van het gebied: De fase tussen Defensieterrein naar openbaar toegankelijk Park Vliegbasis Soesterberg met natuur- en cultuurhistorische waarde. Een langere periode voor beheer en onderhoud zou vanuit de Provincie Utrecht ook niet mogelijk zijn, omdat in 2013 de verkoop van de Vliegbasis Soesterberg aan het Utrechts Landschap al in voorbereiding was en dus bekend was dat het Park Vliegbasis Soesterberg na de afgesproken periode van 5 jaar niet meer in eigendom zou zijn van de Provincie Utrecht.”

2.25.

Dit alles wijst erop dat met alle kunstenaars van de kunstwerken van collectie De Basis een inspanningsverplichting tot instandhouding van maximaal vijf jaar is afgesproken en dat deze termijn voor wat betreft het kunstwerk niet is verlengd. Dat dit in de contacten tussen Vrede van Utrecht en Provincie Utrecht c.s. ook steeds zo is besproken, is door [handelsnaam] ook erkend.

2.26.

Verder weegt mee dat de door [handelsnaam] gedane mededelingen en door hem ingenomen standpunten niet consistent zijn gebleken om de volgende redenen.

2.27.

In een artikel in de Volkskrant van 14 september 2013 (productie 5 Provincie Utrecht c.s.) over het kunstwerk is op basis van een interview met [handelsnaam] geschreven:

“(…) Met hun kunstwerk stellen de makers de omgang met leegstaand erfgoed ter discussie. ‘Er staat zo veel overheidserfgoed leeg waar niets mee gebeurt. Herbestemmen is ons te traag en te duur. Je kunt beter op een innovatieve manier tijdelijk gebruikmaken van dit soort cultuurhistorische monumenten. Dat willen we met dit insect op rupsbanden laten zien.’ (…)”

Deze quote over tijdelijk gebruik van de [.] valt niet te rijmen met de ingenomen stelling dat is afgesproken dat het kunstwerk permanent zou worden tentoongesteld. [handelsnaam] heeft ter zitting verklaard dat met ‘tijdelijk gebruikmaken’ is bedoeld dat het object tijdelijk door belangstellenden kan worden gebruikt, zoals voor een vergadering. Daarin volgt de voorzieningenrechter hem niet.

2.28.

In een e-mail van 22 november 2018 (productie 10 Provincie Utrecht c.s.) heeft [handelsnaam] een door hem opgestelde motivatie voor het behoud van het kunstwerk toegestuurd aan de Provincie Utrecht. Daarin heeft hij onder andere geschreven:

zienswijze inspanningsverplichting en een toekomstig vervolg

De inspanningsverplichting van 5 jaar loopt inmiddels ten einde en met de overdracht van het werk van de Provincie Utrecht naar Stichting Utrechts Landschap is het een goed moment om te evalueren hoe het beeld nog voldoet en het belang voor het behoud van het onderhoud van het werk in samenhang met [.] te duiden.

“Het kunstwerk zal in principe voor een periode van 5 jaar behouden blijven. Zonder onderhoudsverplichtingen voor de Provincie. Na deze periode wordt beoordeeld in hoeverre het beeld nog voldoet aan de uitgangspunten zoals voor deze opdracht gesteld. Bij de beoordeling hiervan wordt de kunstenaar betrokken.”

Vervolg: Met dit document en bijlage tonen we onze betrokkenheid van de [handelsnaam] | Studio [A] samen met [I] en [D] om [naam kunstwerk] de komende jaren voort te zetten. Dit document is een aanzet om mee te helpen bij de taxatie en overdracht van het mobiele kunstwerk aan Stichting Utrechts Landschap.”

In dit document haalt [handelsnaam] expliciet de betreffende bepaling over de vijfjaarstermijn aan en gaat uit van de gelding daarvan. Dit strookt niet met zijn stellingname dat die bepaling niet is overeengekomen.

2.29.

Verder valt op dat mr. Bourdrez in zijn brief van 2 oktober 2019 (productie 15 [handelsnaam] ) aan Utrechts Landschap het standpunt heeft ingenomen dat de uit de conceptovereenkomst verwijderde bepaling in overleg is vervangen door artikel 21 waarin is bepaald: “Eén jaar na oplevering van het kunstwerk verplicht kunstenaar zich tot evaluatie van het kunstwerk in technische en esthetische zin, ervan uitgaande dat na een periode van een jaar voldoende zicht bestaat op de duurzaamheid van het kunstwerk en op eventueel noodzakelijke aanpassingen.” en dat daardoor duurzaamheid het uitgangspunt werd in plaats van de termijn van vijf jaar. Naar [handelsnaam] ter zitting heeft erkend stond deze standaardbepaling echter al in artikel 23 van de conceptovereenkomst en is van het gesuggereerde causale verband tussen het schrappen van de ene bepaling en het opnemen van de andere, dus geen sprake. Overigens is de bepaling van artikel 23 ook opgenomen in overeenkomsten van andere kunstenaars waarin de bepaling over de vijfjaarstermijn wel staat. In dit een en ander ligt daarom geen aanwijzing voor het gelijk van [handelsnaam] .

2.30.

Tot slot is van belang dat op grond van de bepaling over de vijfjaarstermijn op Provincie Utrecht c.s. nog wel de verplichting zou voortvloeien om na afloop van die termijn te beoordelen in hoeverre het kunstwerk nog aan de uitgangspunten voldoet en de kunstenaar daarbij te betrekken. Provincie Utrecht c.s. heeft voldoende aangetoond dat zij aan die verplichting heeft voldaan, zodat haar in dat verband niets te verwijten valt.

2.31.

Zoals gezegd leidt dit tot de conclusie dat de vorderingen van [handelsnaam] moeten worden afgewezen.

2.32.

[handelsnaam] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Partijen hebben verzocht om toepassing van het liquidatietarief. De kosten aan de zijde van Provincie Utrecht c.s. worden aldus begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.619,00

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten, aan de zijde van Provincie Utrecht c.s. tot op vandaag begroot op € 1.619,00,

3.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op

24 december 2019.