Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6117

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2019
Datum publicatie
10-01-2020
Zaaknummer
UTR 18/4103
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Ten onrechte geen tweede spoor ingezet. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/4103

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Kat),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Witte).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij het loon van [A] (werknemer) 52 weken moet doorbetalen tot 6 mei 2019 (loonsanctie). De aanvraag van werknemer om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) wordt daarom nog niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 28 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Werknemer heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank van 5 december 2018, waarin wordt gevraagd of hij als partij wil deelnemen aan de beroepsprocedure en of hij toestemming verleent om eiseres kennis te laten nemen van de medische stukken in deze procedure. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de werknemer niet als partij deelneemt en dat hij geen toestemming verleent.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [B] . Omdat werknemer geen toestemming heeft gegeven, heeft [B] de inhoudelijke behandeling niet bijgewoond.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat zij, nu werknemer geen toestemming heeft gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan eiseres te verstrekken, de motivering van haar oordeel voor zover nodig zal beperken om te voorkomen dat deze gegevens alsnog openbaar worden.

Feiten en verloop

2.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Werknemer is op 9 mei 2016 uitgevallen voor zijn werk bij eiseres als beheerder voor 33 uur per week. Na het moment van uitval is werknemer gaan opbouwen in uren. Eiseres heeft op 20 maart 2017 een arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek laten verrichten door arbeidsdeskundige [C] van [bedrijfsnaam] . Bij de eerstejaarsevaluatie heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat de re-integratie stagneert bij

5 à 6 uur werk per dag en dat er verder uitgebouwd moet worden zodat werknemer eind mei 2017 weer volledig kan werken in eigen (aangepast) werk.

2.2.

Werknemer heeft een deskundigenoordeel aangevraagd op 6 juni 2017. Hieruit volgt dat werknemer per 29 mei 2017 zijn volledig aantal uren in aangepast eigen werk kan werken. Werknemer werkt op het moment van het deskundigenoordeel 26 van de 33 uur. Op

29 augustus 2017 meldt werknemer zich volledig ziek in verband met een behandeling. Vanaf 15 januari 2018 zijn er weer mogelijkheden voor passend werk, maar deze worden volgens de bedrijfsarts niet benut. Op 9 en 12 februari 2018 rapporteert de bedrijfsarts opnieuw dat het aantal uren in het aangepaste eigen werk uitgebouwd kan worden.

2.3.

Op 23 februari 2018 geeft eiseres in de Eindevaluatie aan dat er nog mogelijkheden zijn in Spoor 1 en dat er geen Spoor 2 is ingezet op advies van de bedrijfsarts. Omdat werknemer zich niet aan het opbouwschema houdt, legt eiseres op 8 maart 2018 een loonstop op. Op
20 maart 2018 vindt opnieuw een arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek plaats en op
23 maart 2018 adviseert de bedrijfsarts om opnieuw de uren weer te gaan opbouwen na de loonstop. Werknemer hervat zijn werk vervolgens weer per 4 april 2018 door vier keer per week één uur vanuit huis te werken.

2.4.

Naar aanleiding van de aanvraag van een WIA-uitkering door de werknemer heeft verweerder op 12 april 2018 en 16 april 2018 een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht. Hierna heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2.5.

Op de zitting is gebleken dat de periode van de loonsanctie op verzoek van eiseres bij een later besluit is verkort tot 18 februari 2019.

Wat is er in geschil?

3. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van re-integratie met een bevredigend resultaat, omdat de werknemer nadat de wachttijd van 104 weken is verstreken niet (gedeeltelijk) werkzaam is in een functie die aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden. Werknemer werkte op 6 mei 2018 namelijk slechts 12 uur per week. Verder zijn partijen het erover eens dat werknemer geen benutbare mogelijkheden had in de periode van 29 augustus 2017 tot 15 januari 2018. Het is ook niet in geschil dat er geen re-integratietraject in Spoor 2 is opgestart.

4. Verweerder heeft aan de loonsanctie ten grondslag gelegd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest. Verweerder verwijt eiseres in het kader van de re-integratie in Spoor 1 dat de conclusie dat er geen passende functies, of andere herplaatsingsmogelijkheden, binnen het eigen bedrijf zijn niet concreet is onderbouwd. Daarnaast wordt eiseres verweten dat zij, ondanks het bestaan van arbeidsmogelijkheden per 15 januari 2018, geen re-integratietraject via Spoor 2 heeft ingezet. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder baseert zich hiervoor op rapporten van verzekeringsarts bezwaar en beroep [D] van 13 september 2018 en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [E] van
27 september 2018. Eiseres vindt dat er ten onrechte een loonsanctie is opgelegd. De rechtbank moet dus aan de hand van wat eiseres in beroep aanvoert beoordelen of verweerder terecht een loonsanctie heeft opgelegd.

Spoor 1

6. Eiseres voert aan dat er geen re-integratiekansen zijn gemist in Spoor 1. Arbeidsdeskundige [C] heeft in zijn rapport van 20 maart 2017 uiteen gezet wat de andere functies binnen het bedrijf zijn en waarom deze niet geschikt zijn voor werknemer. Het eigen (aangepaste) werk is het meest ideale werk dat er in de organisatie is voor werknemer.

7. In de Werkwijzer poortwachter (de Werkwijzer) van het UWV staat dat een onderzoek naar de herplaatsingsmogelijkheden via Spoor 1 in ieder geval bestaat uit een inventarisatie van alle binnen de eigen organisatie voorkomende functies op en onder het niveau van de arbeidsongeschikte werknemer. Daarnaast moet de geschiktheid van deze functies beoordeeld worden, op basis van een vergelijking van de daarin voorkomende belasting met de belastbaarheid van de werknemer, daarbij ook rekening houdend met zijn bekwaamheden.

8. Arbeidsdeskundige [C] heeft in zijn rapport van 20 maart 2017 gemotiveerd dat het eigen werk van werknemer passend te maken is door het doorvoeren van enkele wijzigingen in de werkomgeving en de manier van werken. In het kader van een mogelijke herplaatsing in ander werk bij de eigen werkgever heeft [C] globaal de opties met werknemer en eiseres besproken. De andere, met name genoemde, functies in de organisatie zijn niet beter passend omdat de huidige functie nog het beste aansluit bij de mogelijkheden van werknemer. Hij hoeft geen zwaar lichamelijk werk te doen en heeft de mogelijkheid af te wisselen in houding en belasting. Hij kan zelfs thuis uitrusten en dan deels nog thuis werken. Bij andere functies, op kantoor, moet hij meer en langduriger zitten. Bij functies in de buitendienst moet werknemer langer autorijden of is de lichamelijke belasting groter.

In het rapport van 20 maart 2018 heeft [C] opnieuw beoordeeld of er ander werk bij eiseres geschikt zou zijn voor werknemer. Door een toename van de beperkingen zijn de mogelijkheden voor re-integratie in ander werk volgens [C] verder afgenomen.

9. De rechtbank is van oordeel dat arbeidsdeskundige [C] voldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de andere opties waren en dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat het eigen aangepaste werk het meest geschikt is voor werknemer. Verweerder heeft eiseres verweten dat dit punt niet concreet is onderbouwd, maar de rechtbank volgt verweerder hier niet in. Verweerder heeft gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat er mógelijk re-integratiekansen in het Spoor 1 zijn gemist. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om duidelijk aan te geven wat eiseres nog meer zou moeten onderbouwen. De enkele stelling van verweerder dat het concreter onderbouwd moet worden, is gelet op de rapporten van 20 maart 2017 en 20 maart 2018 onvoldoende. Verweerder heeft op de zitting ook niet kunnen toelichten wat eiseres nog meer had moeten doen ter concretisering van de andere functies in Spoor 1.

10. De rechtbank concludeert dat het standpunt van verweerder dat eiseres mogelijk re-integratiekansen in Spoor 1 heeft gemist onvoldoende onderbouwd is. De beroepsgrond slaagt. Verweerder had dit verwijt niet aan de loonsanctie ten grondslag mogen leggen.

Spoor 2

11. Eiseres voert aan dat er terecht geen traject in Spoor 2 is ingezet, omdat er concreet perspectief was dat werknemer binnen drie maanden na het Actueel oordeel van bedrijfsarts [F] van 12 februari 2018 structureel werk zou hervatten binnen de eigen organisatie in eigen, aangepast of ander passend werk. Volgens de Werkwijzer hoeft er dan geen traject in Spoor 2 ingezet te worden. Er was geen enkele aanleiding voor eiseres om de juistheid van die prognose in twijfel te trekken. Eiseres heeft zich ook ingespannen door, zodra er weer arbeidsmogelijkheden ontstonden op 15 januari 2018, aan te sturen op urenopbouw in het eigen aangepaste werk. Het kan eiseres niet worden tegengeworpen dat werknemer in maart 2018 toch weer onverwacht uitviel.

12. In de Werkwijzer staat dat een tweede-spoortraject uiterlijk binnen 6 weken na de eerstejaarsevaluatie (in de 52e verzuimweek) moet worden gestart. Re-integratieactiviteiten in Spoor 2 kunnen na de Eerstejaarsevaluatie alleen achterwege blijven als er binnen drie maanden een concreet perspectief is op structurele werkhervatting binnen de eigen organisatie in eigen, aangepast of ander passend werk dat zo dicht mogelijk aansluit bij de functionele mogelijkheden. Daarnaast staat in de Werkwijzer dat als er sprake is van meer dan marginale mogelijkheden, er minimaal één keer een adequaat traject in Spoor 2 ingezet moet worden.

13. De rechtbank oordeelt dat van een situatie waarin re-integratieactiviteiten in Spoor 2 achterwege kunnen blijven geen sprake is geweest bij de werknemer en overweegt daartoe als volgt. Op 12 februari 2018 wordt door bedrijfsarts [F] geadviseerd om voor de werknemer een voorziening om op de werkplek te liggen te treffen en vervolgens in passend werk (weer in de ‘setting’ van het eigen werk, zo nodig aangevuld met nog een deel van de tijd vanuit huis werken) in enkele weken uit te breiden tot het volledige aantal uren, waarbij woensdag als roostervrije dag gehouden moet worden. De bedrijfsarts noemt niet expliciet dat er binnen drie maanden structurele werkhervatting zal zijn. Gelet op de voorgeschiedenis van het re-integratietraject had het daarom op de weg van eiseres gelegen om, zoals verweerder op de zitting ook heeft betoogd, direct na het weer ontstaan van arbeidsmogelijkheden op 15 januari 2018 met Spoor 2 te starten en daar zo nodig maatregelen richting de werknemer aan te verbinden. Dit geldt temeer nu in de Werkwijzer staat dat er minimaal één keer een adequaat traject in Spoor 2 ingezet moet worden bij meer dan marginale mogelijkheden.

14. Eiseres voert ook aan dat er terecht geen traject in Spoor 2 is ingezet, omdat werknemer slechts marginale mogelijkheden had vanaf 8 maart 2018. Werknemer hield zich in die week niet aan het opbouwschema, waarna eiseres op 8 maart 2018 een loonstop heeft opgelegd. Door de loonstop is er een arbeidsconflict ontstaan, met als gevolg dat de mogelijkheden tot re-integratie flink afnamen. Dit blijkt ook uit de rapportage van bedrijfsarts [F] van

23 maart 2018. Eiseres onderbouwt het nog slechts bestaan van marginale mogelijkheden bij werknemer door te verwijzen naar zijn klokkaarten. Daarnaast stelt eiseres dat zij terecht geen Spoor 2 heeft ingezet, omdat dit geadviseerd werd door zowel de bedrijfsarts als door arbeidsdeskundige [C] .

15. De rechtbank stelt vast dat er uit de rapportage van bedrijfsarts [F] van

28 maart 2018 niet blijkt dat de werknemer vanaf 8 maart 2018 marginale mogelijkheden had. Dit standpunt heeft eiseres verder ook niet onderbouwd met medisch objectiveerbare informatie. De verwijzing naar de klokkaarten is onvoldoende, omdat dit geen medische informatie is maar een weergave van wat werknemer feitelijk heeft gedaan. Ten aanzien van het argument dat eiseres het advies van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige opgevolgd heeft, wijst de rechtbank erop dat het vaste rechtspraak is (zie bijvoorbeeld uitspraak van de CRvB van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3713) dat een werkgever zelf verantwoordelijk is (en ook blijft) voor de re-integratie van zijn zieke werknemer(s), met inbegrip van de (kwaliteit van de) werkzaamheden van degene die zij daarbij inschakelt. Dat er geadviseerd is geen Spoor 2 in te zetten, of niet geadviseerd is om het Spoor 2-traject in te zetten, maakt dus niet dat het ook echt niet had gehoeven. Daar komt bij dat zelfs al zou het standpunt dat er marginale mogelijkheden waren vanaf 8 maart 2018 slagen, dit niet weg neemt dat eiseres vanaf 15 januari 2018 direct een traject in Spoor 2 in had moeten zetten zoals hiervoor overwogen onder 13.

15. De rechtbank concludeert dat verweerder eiseres terecht heeft verweten dat er geen traject in Spoor 2 is ingezet. De gronden van eiseres slagen niet.

Conclusie
16. De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht een loonsanctie heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R. in 't Veld, voorzitter, en R.C. Moed en
M. Eikelenboom-Renden, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.