Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:6064

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2019
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
8143259
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

loonvordering; ziekmelding; niet nakomen re-integratieverplichtingen door werkgever; 70% of 100% doorbetaling loon?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0069
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8143259 UV EXPL 19-285 BJ/33913

Kort geding verstekvonnis van 20 december 2019

inzake

[eiseres] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

eisende partij,

verder ook te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. L. van Dijk,

tegen:

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende in [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 november 2019, met bijlagen,

  • -

    de mondelinge behandeling op 13 december 2019, waarvan aantekeningen zijn gemaakt,

  • -

    de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde.

1.2.

De kantonrechter heeft aan het einde van de mondelinge behandeling meegedeeld dat uiterlijk op 27 december 2019 uitspraak zal worden gedaan.

2 De overwegingen van de kantonrechter

Achtergrond

2.1.

[eiseres] werkt sinds 1 mei 2015 voor de eenmanszaak van [gedaagde] als verzorgende in de thuiszorg. [eiseres] werkte minimaal 8 uur en maximaal 16 uur per week. Zij verdiende € 17,02 bruto per uur. Dat staat in de arbeidsovereenkomst die [eiseres] en [gedaagde] hebben gesloten. Verder is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (hierna: de cao) van toepassing.

2.2.

[eiseres] heeft zich op 22 mei 2017 ziek gemeld bij [gedaagde] . Zij heeft [gedaagde] (vanaf september/oktober 2017) een aantal brieven gestuurd en gevraagd om haar ziekmelding aan het UWV door te geven, maar [gedaagde] reageerde daar niet op. Ook heeft [eiseres] een aantal keer moeten vragen om doorbetaling van het salaris en de opbouw van haar pensioen. [eiseres] heeft eind 2017/begin 2018 een advocaat ingeschakeld vanwege haar pensioenopbouw. Daar was [gedaagde] volgens [eiseres] boos over, omdat [gedaagde] het liever direct met [eiseres] wilde afhandelen. [eiseres] en [gedaagde] waren vroeger vriendinnen, maar de communicatie verloopt nu heel moeizaam. [gedaagde] heeft wel een aantal salarisbetalingen gedaan, maar hoe die precies zijn opgebouwd weet [eiseres] niet omdat ze sinds februari 2018 geen loonspecificaties meer heeft ontvangen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] nog steeds niet al het loon betaald.

2.3.

[eiseres] heeft op de zitting verteld dat [gedaagde] in januari 2018 wel heeft toegezegd dat zij [eiseres] zou aanmelden bij de bedrijfsarts. [eiseres] heeft daarna afgewacht maar werd niet opgeroepen. [eiseres] heeft zich uiteindelijk in 2019 zelf ziek gemeld bij het UWV. Ze heeft sinds juli/augustus 2019 weer (andere) rechtsbijstand. [eiseres] heeft [gedaagde] in een brief van 30 augustus 2019 gevraagd om betaling van het restant van het salaris over december 2018, de eindejaarsuitkering van 2018 en het vakantiegeld 2018-2019. Op 19 september 2019 is er een brief gestuurd naar [gedaagde] door de gemachtigde van [eiseres] met hetzelfde verzoek. Er is ook om de ontbrekende loonstroken gevraagd.

2.4.

In een e-mail van 24 september 2019 heeft [gedaagde] aan [eiseres] geantwoord dat zij het loon vóór 15 oktober 2019 zal betalen. Ook vermeldt [gedaagde] in haar e-mail dat zowel het UWV als de bedrijfsarts op de hoogte zijn en [eiseres] op korte termijn bericht ontvangt.

2.5.

Het UWV heeft in september 2019 bepaald dat [gedaagde] nog tot 26 november 2020 het loon moet doorbetalen aan [eiseres] , omdat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de re-integratieverplichtingen.

2.6.

In een e-mail van 10 oktober 2019 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] nogmaals verzocht om betaling van het achterstallige loon en meegedeeld dat [eiseres] nog niets heeft gehoord van een bedrijfsarts.

2.7.

Op 17 oktober 2019 heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.185,88 betaald aan [eiseres] voor het loon en vakantiegeld van mei 2019.

Dit kort geding

2.8.

[eiseres] vordert in deze procedure dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot:

  1. betaling van een bedrag € 5.659,70 bruto, voor het nog verschuldigde salaris over de maanden december 2018 tot en met oktober 2019;

  2. betaling van het bruto maandsalaris van € 987,16 vanaf november 2019, tot de dag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is beëindigd;

  3. het verstrekken van de salarisspecificaties vanaf december 2018 tot en met oktober 2019 waarin de betalingen onder a. zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00;

  4. betaling van de wettelijke verhoging van 50% vanwege de vertraging in de betaling van het salaris;

  5. betaling van de wettelijke rente over de kosten onder a., b. en d. vanaf het opeisbaar worden van die bedragen totdat de bedragen zijn betaald;

  6. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;

  7. betaling van de proceskosten.

2.9.

Een zaak kan alleen in een kort geding worden beoordeeld als sprake is van spoedeisendheid. De kantonrechter vindt deze zaak spoedeisend omdat [eiseres] stelt dat zij in financiële problemen zit vanwege de achterstallige en onregelmatige loonbetalingen. Verder weet [eiseres] al langere tijd niet hoe haar loon is opgebouwd en heeft zij geen inzicht in wat er wel en niet wordt afgedragen (bijvoorbeeld aan pensioen) door [gedaagde] .

2.10.

[eiseres] heeft [gedaagde] met de dagvaarding van 28 november 2019 op de juiste manier opgeroepen voor dit kort geding. [gedaagde] is echter niet verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd. In de wet staat dat in dat geval de vordering van [eiseres] kan worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat de vordering onrechtmatig of ongegrond is. Dat betekent dat de kantonrechter moet beoordelen of alles wat [eiseres] heeft aangevoerd (zowel feitelijk als juridisch) voldoende is om het gevorderde toe te kunnen wijzen.

De berekening van het loon

2.11.

[eiseres] is bij de berekening van de vordering uitgegaan van het gemiddelde maandsalaris van de drie maanden voordat zij ziek werd, een bedrag van € 987,16 bruto per maand. [gedaagde] heeft dit bedrag kennelijk in het eerste ziektejaar maandelijks aan [eiseres] betaald en ook in de maanden juni tot en met november 2018. Op grond van de cao (artikel 8.1) wordt in het eerste jaar 100% van het loon wordt doorbetaald. In het tweede ziektejaar wordt op grond van de cao slechts 70% van het loon doorbetaald. [eiseres] heeft op de zitting uitgelegd dat zij bij haar berekening toch uit is gegaan van doorbetaling van 100% van het loon. In artikel 8.9 van de cao staat namelijk dat als een werknemer in het tweede ziektejaar een aantal uur productieve arbeid en/of re-integratieactiviteiten verricht, 100% van het loon wordt betaald over die uren. [eiseres] redeneert dat als [gedaagde] het goed had geregeld, en [eiseres] dus had laten oproepen door de bedrijfsarts en het traject van re-integratie in gang had gezet, het misschien nu wel zo was geweest dat [eiseres] al weer (deels) kon werken. Dan had ze over die uren 100% loon ontvangen. Het is aan [gedaagde] te wijten dat dat allemaal niet zo is gelopen en er nog geen begin is gemaakt met de re-integratie van [eiseres] . Dan kan het volgens [eiseres] niet zo zijn dat de gevolgen van het nalaten van [gedaagde] bij [eiseres] worden gelegd. Zij vindt daarom dat zij recht heeft op 100% doorbetaling van het loon, ook in het tweede ziektejaar.

2.12.

De kantonrechter overweegt als volgt. [eiseres] heeft wel een punt dat het feit dat zij nog niet met haar re-integratie heeft kunnen beginnen grotendeels te wijten is aan [gedaagde] . [gedaagde] had de ziekmelding van [eiseres] tijdig aan het UWV moeten doorgeven en een bedrijfsarts moeten inschakelen. De vraag is of het feit dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan betekent dat [eiseres] recht heeft op doorbetaling van 100% van het loon in plaats van het gebruikelijk percentage van 70% in het tweede ziektejaar. De kantonrechter vindt van niet. Het is onduidelijk of [eiseres] op dit moment al weer (deels) zou kunnen werken (en daartoe ook al vanaf 2018 in staat was). [eiseres] heeft in ieder geval op geen enkele manier onderbouwd dat dat zo is. Zij had wel met iets moeten komen nu ze de vrij vergaande consequentie (van doorbetaling van 100% van het loon) verbindt aan het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen. Omdat dit een kort geding is, is er geen ruimte om in deze procedure alsnog met een onderbouwing te komen.

2.13.

Verder vindt de kantonrechter dat [eiseres] ook zelf eerder bij het UWV navraag had kunnen doen, of een re-integratietraject had kunnen forceren door [gedaagde] al eerder (na januari 2018) in gebreke te stellen op het punt van de re-integratie. In plaats daarvan heeft [eiseres] vanaf januari 2018 tot de zomer van 2019 stilgezeten. Ze had begin 2018 nog wel rechtsbijstand, dus er had – zeker in die periode – meer van haar mogen worden verwacht. [eiseres] heeft op de zitting verteld dat ze vanaf haar ziekmelding wel een aantal brieven heeft geschreven aan [gedaagde] , maar daarvan zit er maar één in het dossier en die is van eind augustus 2019.

2.14.

Tot slot vindt de kantonrechter voor het oordeel dat geen recht op 100% doorbetaling van het loon in het tweede ziektejaar bestaat ook van belang dat [gedaagde] een eenmanszaak heeft, met – naast [eiseres] – nog een andere werknemer. [gedaagde] moet dus hard werken om de loonbetalingen aan [eiseres] (waar geen inkomsten voor de eensmanszaak tegenover staan) te kunnen compenseren. Het voorlopig oordeel in dit kort geding luidt dan ook dat [eiseres] in het tweede ziektejaar slechts recht had op 70% van het loon. Dat heeft tot gevolg dat de berekening van het salaris vanaf december 2018 tot en met oktober 2019 een andere uitkomst heeft dan de uitkomst van de berekening van [eiseres] .

2.15.

[eiseres] heeft met ingang van het tweede ziektejaar, (dus vanaf juni 2018) in de maanden juni tot en met november 2018 een bedrag van (6 x 987,16=) € 5.922,96 aan salaris ontvangen. Verder heeft [eiseres] opgegeven dat ze over de periode december 2018 tot en met oktober 2019 een bedrag van € 7.076,83 heeft ontvangen van [gedaagde] . Dat is bij elkaar opgeteld dus € 12.999,79 voor de periode juni 2018 tot en met oktober 2019.

Bij een herberekening waarbij [eiseres] recht heeft op 70% van het loon vanaf juni 2018 tot en met oktober 2019 was [gedaagde] een bedrag van (70% van 17 x € 987,16 =) € 11.747,204 verschuldigd aan [eiseres] . Dat is dus een lager bedrag dan het bedrag dat [eiseres] inmiddels heeft ontvangen. [eiseres] heeft daarom – naar voorlopig oordeel van de kantonrechter – geen loonvordering op [gedaagde] . De vordering is dus ongegrond en zal dan ook worden afgewezen.

Toekomst

2.16.

[gedaagde] zal het loon van [eiseres] moeten blijven betalen vanaf november 2019. Uit de beoordeling hierboven volgt dat niet is gebleken dat [gedaagde] tot november 2019 in gebreke is gebleven met het betalen van het loon. De kantonrechter acht daarom aannemelijk dat [gedaagde] ook vanaf november 2019 aan haar loonbetalingsverplichting zal voldoen. [eiseres] heeft daarom geen belang bij toewijzing van de vordering om het loon vanaf november 2019 te (blijven) betalen. Deze vordering zal dus worden afgewezen.

2.17.

De kantonrechter merkt daarbij op dat de huidige situatie voor beide partijen heel vervelend is en dat het niet wenselijk is dat deze situatie veel langer voortduurt. Het is daarom van belang dat [eiseres] en [gedaagde] samen om de tafel gaan zitten om in goed overleg tot een oplossing te komen voor de komende periode. [gedaagde] kan daarbij (met een toevoeging) een beroep doen op gefinancierde rechtsbijstand. Zo kan verdere (financiële) schade voor beide partijen worden beperkt.

Loonspecificaties

2.18.

De kantonrechter zal de vordering tot het afgeven van loonspecificaties toewijzen. [eiseres] heeft deze specificaties nodig om na te kunnen gaan hoe het salaris is opgebouwd. Het verstrekken van loonspecificaties is een verplichting die ook geldt als een werknemer ziek is. Aan deze veroordeling zal geen dwangsom worden verbonden. De kantonrechter vertrouwt erop, ook met het oog op het overleg dat [eiseres] en [gedaagde] hoe dan ook nog met elkaar moeten gaan voeren, dat [gedaagde] de specificaties aan [eiseres] zal verstrekken zonder dat daarvoor dwangmiddelen nodig zijn.

Kosten

2.19.

De vordering tot betaling van de wettelijke verhoging zal worden afgewezen. Er zijn te weinig (onderbouwde) feiten en omstandigheden aangevoerd in dit kort geding om te kunnen beoordelen of [gedaagde] het loon te laat heeft betaald en zo ja in welke mate. Daar komt bij dat [eiseres] in de periode van juni tot en met november 2018 100% van het loon heeft ontvangen hoewel er in beginsel maar recht bestond op 70% van het loon in die periode.

Vooralsnog is dus niet gebleken dat de balans (in totaal bezien) in haar nadeel is uitgevallen.

2.20.

De gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen, omdat de bedragen waarover die rente wordt gevorderd ook niet worden toegewezen. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal om dezelfde reden worden afgewezen.

2.21.

[eiseres] heeft voor een deel gelijk en voor een deel ongelijk gekregen. Daarom zal de kantonrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de salarisspecificaties te verstrekken vanaf december 2018 tot en met oktober 2019;

3.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2019.