Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5998

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
7661800 AC EXPL 19-1156
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldenaar heeft bevrijdend betaald aan pandhouder. Pandgever heeft bevoegdheid om schikking te treffen aan pandhouder overgedragen. Uitleg maatstaf Neo River-arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0014
RI 2020/29
JOR 2020/100 met annotatie van Faber, N.E.D.
NJF 2020/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7661800 AC EXPL 19-1156 HAB/17443

Vonnis van 18 december 2019

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

procederend in persoon,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. O.E. de Witt Wijnen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de comparitie van partijen op 12 september 2019, waarvan de zittingsaantekeningen aan partijen zijn toegestuurd

- de brief van mr. De Witt Wijnen met een aanvulling over de zittingsaantekeningen en een opmerking over bijlage F bij dagvaarding

- een brief van [eiser] waarin hij ingaat op de opmerking van mr. De Witt Wijnen over bijlage F bij dagvaarding.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

Procedureel punt

2.1.

De kantonrechter heeft partijen niet in de gelegenheid gesteld om na de zitting van 12 september 2019 nog inhoudelijk in te gaan op de zaak of nadere stukken in het geding te brengen. De kantonrechter laat dan ook de opmerkingen die beide partijen hebben gemaakt over bijlage F bij dagvaarding, buiten beschouwing. Uit de overwegingen hierna zal overigens blijken dat bijlage F bij dagvaarding geen rol speelt in het oordeel over deze zaak. Die bijlage is namelijk alleen van belang voor de vraag of de vordering is verjaard. De kantonrechter komt niet toe aan die vraag. De opmerkingen van [gedaagde] over de zittingsaantekeningen maken deel uit van het dossier.

Waar gaat het om?

2.2.

[eiser] was bestuurder van [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ). Dat bedrijf is in 2012 failliet gegaan. [eiser] heeft uit dat faillissement de openstaande debiteuren gekocht. Hij meent dat [gedaagde] één van die debiteuren is en dat er nog een rekening van [bedrijfsnaam] openstaat van € 19.038. Hij vordert betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente.

Het oordeel van de kantonrechter

2.3.

De kantonrechter wijst de vordering af. [gedaagde] heeft voor de openstaande rekening al een bedrag betaald tegen finale kwijting aan ABN Amro. Hierna wordt de beslissing verder uitgelegd.

Tijdlijn

2.4.

Dit zijn de relevante gebeurtenissen in deze zaak:

  • -

    [gedaagde] en [bedrijfsnaam] hebben zaken met elkaar gedaan. In 2011 heeft [gedaagde] twee keer een vijzelpers gekocht van [bedrijfsnaam] . [gedaagde] was niet tevreden over de tweede vijzelpers en [bedrijfsnaam] heeft toen een aantal keer onderdelen vervangen. Volgens [gedaagde] waren de problemen daarmee niet voorbij. Er is in de loop van 2012 discussie ontstaan tussen [gedaagde] en [bedrijfsnaam] over betaling en creditering van facturen van [bedrijfsnaam] en over het retourneren van (onderdelen van) de vijzelpers.

  • -

    ABN Amro was de huisbankier van [bedrijfsnaam] . Zij had een pandrecht op de vorderingen van [bedrijfsnaam] op derden. ABN Amro heeft haar pandrecht openbaar gemaakt op 1 mei 2012.

  • -

    [bedrijfsnaam] is failliet gegaan op 21 augustus 2012.

  • -

    De curator van [bedrijfsnaam] heeft het pandrecht van ABN Amro erkend en ABN Amro is tijdens het faillissement de openstaande vorderingen van [bedrijfsnaam] op debiteuren gaan innen.

  • -

    ABN Amro heeft [gedaagde] aangeschreven tot betaling van de toen volgens [bedrijfsnaam] openstaande rekening van € 12.733. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen het openstaande bedrag met verwijzing naar de discussie die tussen haar en [bedrijfsnaam] is gevoerd over de vijzelpers.

  • -

    Op 13 november 2012 hebben ABN Amro en [gedaagde] afgesproken dat [gedaagde] € 5.000 aan ABN Amro betaalt tegen finale kwijting. [gedaagde] heeft dat bedrag op 20 december 2012 aan ABN Amro betaald.

Standpunt [eiser]

2.5.

stelt dat de schikking tussen ABN Amro en [gedaagde] niet rechtsgeldig is. Dat blijkt volgens [eiser] uit het Neo River arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:415). Daarin staat dat de pandhouder (ABN Amro), na openbaarmaking van het pandrecht, de bevoegdheden heeft die de wet hem toekent zoals het vorderen van betaling en het in ontvangst nemen van betalingen. Andere schuldeisersbevoegdheden blijven bij de pandgever ( [bedrijfsnaam] /curator) zoals het verlenen van kwijtschelding en het treffen van een afbetalingsregeling. [eiser] betoogt dat ABN Amro dus niet bevoegd was om (zonder instemming van [bedrijfsnaam] /curator) een schikking te treffen met [gedaagde] .

Standpunt [gedaagde]

2.6.

voert, kort gezegd, de volgende verweren:

  1. [gedaagde] betwist dat de vorderingen uit het faillissement van [bedrijfsnaam] rechtsgeldig zijn overgedragen aan [eiser] . De akte van cessie is onvoldoende specifiek.

  2. De vordering van [eiser] is verjaard omdat [gedaagde] pas in 2018 is aangeschreven tot voldoening.

  3. De bevoegdheid om een minnelijke regeling te treffen berustte wel degelijk bij ABN Amro. [eiser] legt het Neo River arrest verkeerd uit. Het is dagelijkse praktijk dat banken schikkingen treffen bij het innen van vorderingen op basis van het pandrecht. Voor zover nodig heeft [bedrijfsnaam] de bevoegdheid tot het treffen van een minnelijke regeling overgedragen aan ABN Amro door akkoord te gaan met artikel 8.1 van de algemene voorwaarden.

  4. De curator heeft de schikking stilzwijgend bekrachtigd.

  5. [gedaagde] heeft erop mogen vertrouwen dat hij bevrijdend heeft betaald en kan, gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, niet door [eiser] worden aangesproken tot betaling.

  6. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering en heeft bovendien een grotere verrekenbare tegenvordering.

[gedaagde] heeft bevrijdend betaald aan ABN Amro

2.7.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] wél bevrijdend heeft betaald aan ABN Amro. Bij de vestiging van het pandrecht tussen [bedrijfsnaam] en ABN Amro zijn de algemene voorwaarden van ABN Amro van toepassing verklaard. Artikel 8.1 van die voorwaarden bepaalt het volgende:

“De Bank is bevoegd ter zake van de Vorderingen waarop zij een pandrecht heeft, in en buiten rechte nakoming te eisen, betalingen in ontvangst te nemen en daarvoor kwijting te verlenen. De Bank is voorts bevoegd en onherroepelijk en onvoorwaardelijk door de Pandgever gevolmachtigd de Vorderingen door opzegging of anderszins opeisbaar te maken, met de betrokken schuldena(a)r(en) van de Vorderingen zowel minnelijk als gerechtelijke akkoorden aan te gaan […]”

[gedaagde] stelt dat [bedrijfsnaam] daarmee de bevoegdheid tot het treffen van een schikking (voor zover die nog bij haar berustte) heeft overgedragen aan ABN Amro. De kantonrechter vindt dat de tekst van artikel 8.1 er inderdaad op duidt dat [bedrijfsnaam] en ABN Amro hebben beoogd (o.a.) de bevoegdheid tot het treffen van een minnelijke regeling over te dragen aan ABN Amro. [eiser] heeft dat ook niet betwist. Hij heeft daarover alleen gesteld dat het Neo River arrest de regeling in de algemene voorwaarden teniet doet.

2.8.

De kantonrechter is het met die stelling van [eiser] niet eens. De Hoge Raad heeft in het Neo River arrest bepaald dat bij het vestigen van een pandrecht de aan de vordering verbonden schuldeisersbevoegdheden niet zonder meer overgaan op de pandhouder. Of en in hoeverre dit het geval is, hangt af van de wettelijke regeling van het pandrecht. Art. 3:246 lid 1 BW houdt in dat, indien het pandrecht aan de schuldenaar is medegedeeld, de pandhouder bevoegd is in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Na die mededeling is de pandhouder ook bevoegd tot opzegging wanneer de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt (art. 3:246 lid 2 BW). Andere schuldeisersbevoegdheden met betrekking tot de vordering kent de wet de pandhouder niet toe, zodat moet worden aangenomen dat deze bij de pandgever blijven rusten, aldus de Hoge Raad. Het uitgangspunt is dus dat de pandgever bevoegd blijft handelingen te verrichten zoals het treffen van een schikking.

2.9.

De kantonrechter neemt echter aan dat partijen andere afspraken kunnen maken over de schuldeisersbevoegdheden die de wet niet (dwingendrechtelijk) toekent aan de pandhouder op grond van artikel 3:246 BW. De wettelijke bepalingen over pandrecht bevatten immers geen regels over die bevoegdheden. De Hoge Raad heeft er in het Neo River op gewezen dat het een bewuste keuze van de wetgever is dat genoemde bevoegdheden bij de pandgever blijven omdat die bevoegdheden zijn rechten en belangen diepgaand treffen. In de parlementaire geschiedenis (PG BW Boek 3, p. 773) staat daarover: “In het algemeen behoort de bevoegdheid tot het verrichten van deze rechtshandelingen die de rechten en belangen van de pandgever diepgaand treffen, bij de pandgever te blijven.” De kantonrechter leidt uit de woorden “ in het algemeen” af dat er ruimte is voor partijen om door middel van afspraken daarvan af te wijken.

2.10.

Dat hebben [bedrijfsnaam] en ABN Amro gedaan. Toen [bedrijfsnaam] haar vorderingen op derden aan ABN Amro verpandde, hebben zij namelijk afgesproken dat [bedrijfsnaam] daarbij ook overdraagt aan ABN Amro de bevoegdheid om een minnelijke regeling te treffen met de schuldenaar wanneer ABN Amro overgaat tot inning van de vordering. De schikking tussen [gedaagde] en ABN Amro is dan ook rechtsgeldig. Dit betekent dat [gedaagde] bevrijdend heeft betaald aan ABN Amro en dat de vordering van [bedrijfsnaam] op [gedaagde] teniet is gegaan.

Proceskosten

2.11.

[eiser] heeft ongelijk gekregen en moet de proceskosten van [gedaagde] vergoeden, waaronder de nakosten. De kantonrechter begroot die kosten tot nu toe op twee keer € 360,00 voor salaris gemachtigde.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld n artikel 6:119 BW vanaf zeven dagen na de datum van dit vonnis;

3.3.

veroordeelt [eiser] onder de voorwaarde dat hij niet binnen zeven dagen na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de achtste dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de achtste dag na betekening tot de voldoening;

3.4.

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 december 2019.