Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5923

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
7835246 UE VERZ 19-181
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Eenzijdig ongeval met een scooter tijdens bezorgen van maaltijden. Werkgever is aansprakelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1339
PS-Updates.nl 2020-0007
JHSE 2020/0
VR 2020/40
JA 2020/38
Prg. 2020/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7835246 UE VERZ 19-181 SM/1152

Beschikking van 4 december 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. F. Uijlen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.T. Eisenmann.

1 het verloop van de procedure

1.1.

De deelgeschilprocedure is begonnen met een verzoekschrift van [verzoekster] met producties. Op verzoek van de rechtbank heeft [verzoekster] in een aanvullend verzoekschrift een indicatie gegeven van de geleden schade. [verweerster] heeft een verweerschrift ingediend met producties. De mondelinge behandeling was op 24 oktober 2019. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Namens [verweerster] is een pleitnota voorgedragen. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechter beslist dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2 het geschil

2.1.

[verzoekster] was in dienst van [verweerster] . Eén van haar taken was het bezorgen van pizza’s op een scooter. Op 13 december 2014 is zij tijdens het bezorgen van pizza’s met de scooter gevallen. Zij heeft daarbij een wond aan haar knie en haar hoofd opgelopen. [verzoekster] heeft [verweerster] op 5 januari 2018 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval. [verweerster] heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

2.2.

In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoekster] een verklaring voor recht dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Primair omdat [verweerster] haar zorgplicht als werkgever niet is nagekomen (artikel 7:658 BW). Subsidiair omdat [verweerster] zich niet heeft gedragen als goed werkgever, omdat zij er niet voor heeft gezorgd dat haar werknemers die tijdens hun werkzaamheden moeten deelnemen aan het verkeer, goed zijn verzekerd (artikel 7:611 BW) .

2.3.

Volgens [verweerster] lijkt het er op dat [verzoekster] de deelgeschilprocedure inzet met het doel haar tot onderhandelen te dwingen en daar is de deelgeschilprocedure niet voor bedoeld. Inhoudelijk stelt [verweerster] zich op het standpunt dat zij aan haar zorgplicht als werkgever heeft voldaan, omdat zij alle veiligheidsmaatregelen heeft getroffen en alle aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat haar werknemers schade lijden als gevolg van een ongeval met de scooters. [verweerster] wijst ook de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW af. Volgens haar moet bij de vraag of zij zich heeft gedragen als goed werkgever ook worden betrokken of zij de mogelijkheid had om een verzekering af te sluiten tegen een redelijke prijs. Dat was niet het geval. Vanwege de grote risico’s die zijn verbonden aan de maaltijdbezorging met brommers of scooters, zijn deze werkzaamheden volgens haar bijna onverzekerbaar, of in ieder geval slechts tegen een zeer hoge premie. Verder gaat [verweerster] in op het causaal verband tussen het ongeval en de schade die [verzoekster] stelt te lijden. Het ongeval heeft volgens [verweerster] niet of nauwelijks tot schade geleid. Pas op een veel later moment heeft [verzoekster] klachten gekregen aan haar knie en moest zij daarvoor een operatie ondergaan. Het is aannemelijk dat deze knieproblemen het gevolg zijn van het voetballen. [verzoekster] voetbalde op hoog niveau en is daar volgens [verweerster] na het ongeval mee doorgegaan.

3 de beoordeling

3.1.

De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen het op bepaalde punten niet eens kunnen worden, waardoor de buitengerechtelijke onderhandelingen worden belemmerd. Een partij (of partijen gezamenlijk) kunnen in een deelgeschilprocedure de rechter verzoeken op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met buitengerechtelijke onderhandelingen, met als uiteindelijk doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Om dit rechtelijk oordeel te krijgen is het niet per definitie noodzakelijk dat partijen (nog) met elkaar in onderhandeling zijn. Juist als partijen het niet eens zijn over de aansprakelijkheid kan een oordeel van de rechter hierover de onderhandelingen (weer) op gang helpen. Als geen aansprakelijkheid wordt aangenomen is daarmee het geschil tussen partijen beslecht en als wel aansprakelijkheid wordt aangenomen kunnen partijen zich richten op de omvang van de schade en het causaal verband tussen de schade en het ongeval. Verder is het zo - anders dan [verweerster] naar voren heeft gebracht - dat [verzoekster] in ieder geval (enige) letselschade heeft opgelopen bij het ongeval. Zij is immers gewond geraakt aan haar hoofd en knie. Zij heeft dus belang bij een uitspraak over de aansprakelijkheid.

3.2.

Het voorgaande betekent dat het verzoek over de aansprakelijkheid geschikt is om in een deelgeschil te behandelen. Het verzoek zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld. [verzoekster] vraagt in deze procedure uitsluitend een oordeel over de aansprakelijkheid. De kantonrechter beperkt zich daarom tot dat punt, en zal niet ingaan op de discussie van partijen over het causaal verband en de aard en omvang van de schade.

3.3.

Artikel 7:658 lid 1 BW eist een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen en gereedschappen en van de organisatie van de werkzaamheden. De werkgever moet op grond van dit artikel die maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om ongevallen die zich bij de werkzaamheden zouden kunnen voordoen te voorkomen. Dit is de zorgplicht van de werkgever. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden. Artikel 7:658 BW heeft echter niet tot doel een absolute waarborg te geven voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

3.4.

Voor de stelplicht en bewijslast in het kader van artikel 7:658 BW gelden de volgende uitgangspunten:

- de werknemer moet stellen en bij betwisting bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen is daarvoor voldoende dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek ruim mag worden genomen. Dit betekent niet zonder meer dat de werknemer ook moet bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken en wat de oorzaak daarvan is (zie onder meer HR 4 mei 2011, ECLI:NL:HR:2001:AB1430, en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432);

- als vast komt te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan nog aan aansprakelijkheid ontkomen als hij stelt, en zo nodig bewijst, dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Van bewust roekeloos handelen is slechts sprake indien de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan daadwerkelijk bewust is geweest.

3.5.

De toedracht van het ongeval staat niet vast. [verzoekster] zegt dat zij, doordat de scooter gladde banden had en het wegdek nat was, onderuit is gegaan. [verweerster] zegt dat [verzoekster] vermoedelijk tegen een paaltje is gereden en daardoor is gevallen. Behalve [verzoekster] heeft niemand het ongeval zien gebeuren, dus meer duidelijkheid over de toedracht kan niet worden gekregen.

3.6.

In ieder geval staat vast dat het ongeval is gebeurd terwijl [verzoekster] voor [verweerster] aan het werk was. Verder is tussen partijen niet in geschil dat het ongeval niet is gebeurd door opzet van [verzoekster] of omdat zij roekeloos heeft gereden. Dat betekent dat [verweerster] in beginsel aansprakelijk is voor het ongeval, tenzij zij aantoont dat zij al die maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs noodzakelijk waren om het ongeval te voorkomen.

3.7.

De scooters waarmee de werknemers op pad gingen om de pizza’s te bezorgen zijn te beschouwen als “werktuigen” als bedoeld in artikel 7:658 lid 1. [verweerster] moest er voor zorgen dat deze scooters veilig waren in het gebruik. [verweerster] heeft het volgende toegelicht over de scooters die zij aan haar werknemers ter beschikking stelt voor het bezorgen van de pizza’s: [verweerster] heeft de scooters niet in eigendom, maar geleased bij [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam] ). Dit heeft zij juist gedaan uit oogpunt van veiligheid, omdat de scooters door de leasemaatschappij worden onderhouden. [verweerster] laat de scooters wekelijks controleren door [bedrijfsnaam] en laat waar nodig onderhoud plegen. [bedrijfsnaam] verplicht de bestuurder van de scooter om de scooters te contoleren op zichtbare schade en gebreken en [verweerster] legde deze verplichting ook op aan haar werknemers, voordat zij de scooters gebruikten. [verweerster] maakte zelf elke maandag een “brommerlijst” waarin eventuele mankementen aan de scooters werden genoteerd, zodat deze konden worden verholpen. Aan het begin van de dag werden alle scooters buiten gezet door een vaste medewerker van [verweerster] , die bekijkt of er mankementen zijn. Aan het einde van de dag werd een “flashreport” opgemaakt waarin onder meer de weersomstandigheden werden opgenomen en eventuele problemen met betrekking tot de scooters. Als het slecht weer was werd het restaurant gesloten of werden bezorgers met de auto op pad gestuurd. Het weer op 13 december 2014 was echter niet van dien aard dat dat nodig was.

3.8.

[verweerster] heeft gelijk dat het, doordat [verzoekster] pas ruim drie jaar na het ongeval haar aansprakelijk heeft gesteld, voor haar moeilijk is om aan te tonen dat de banden van de scooter waarmee [verzoekster] is gevallen niet glad waren. Maar dat wil niet zeggen dat zij niet meer zou kunnen aantonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het is algemeen bekend dat gladde banden het gevaar voor slippen en onderuitgaan met een scooter vergroot. [verweerster] moet er daarom als werkgever alert op zijn dat de banden van de scooters voldoende profiel hebben als zij haar werknemers daarmee de weg op laat gaan. Uit de toelichting van [verweerster] blijkt dat zij er in het algemeen voor zorgt dat mankementen aan de scooters worden gerepareerd, maar hieruit blijkt niet dat er aandacht is voor een zo belangrijk veiligheidsaspect als het profiel van de banden van de scooters. Dit had bijvoorbeeld kunnen blijken uit rapporten van [bedrijfsnaam] waarin de controle van het bandenprofiel een vast onderdeel is van de controle. [verweerster] heeft ook niet onderbouwd dat de medewerker die ’s morgens de scooters buiten zet geïnstrueerd is om erop te letten dat de banden voldoende profiel hebben. Het verweer van [verweerster] dat de werknemers zelf ook goed moeten opletten en dat zij een andere scooter mogen nemen als ze vinden dat de banden niet voldoen, gaat niet op. De werknemers zijn over het algemeen jongeren, studenten en scholieren, zoals ook [verzoekster] toen haar het ongeval overkwam. Gewone mankementen zoals een kapotte rem of bel zullen zij wel opmerken, maar het gaat te ver om van hen te verwachten dat zij het profiel van de banden contoleren én beslissen of het verantwoord is met deze scooter de weg op te gaan. Het feit dat [verweerster] een dergelijke beoordeling aan deze jonge werknemers overlaat duidt er juist op dat zij zich er niet voldoende van bewust was, dat zij als werkgever op dit punt een belangrijke taak had om de veiligheid van haar werknemers te waarborgen.

3.9.

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat [verweerster] niet heeft aangetoond dat zij al die maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om het ongeval te voorkomen. Dat achteraf de kwaliteit van de banden en de weersomstandigheden niet meer zijn vast te stellen is daarbij niet doorslaggevend. Het gaat er om dat [verweerster] niet heeft aangetoond dat zij zich voldoende heeft ingespannen om het gevaar van gladde banden te voorkomen. Het verzoek om voor recht te verklaren dat [verweerster] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval op 13 december 2014 zal worden toegewezen.

3.10.

Vanwege de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW heeft [verzoekster] geen belang meer bij de beoordeling van de aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW. De kantonrechter zal dit verzoek daarom niet beoordelen.

3.11.

De kosten voor dit deelgeschil bedragen volgens [verzoekster] € 6.477,00 (20 uur tegen een uurtarief van € 255 exclusief 6% kantoorkosten en 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht.

3.12.

[verweerster] voert aan dat er geen reden is voor vergoeding van de kosten van het deelgeschil, omdat [verzoekster] in aanmerking komt voor gesubsidieerde rechtsbijstand. Bovendien is volgens [verweerster] het aantal bestede uren onredelijk en het tarief bovenmatig.

3.13.

Zelfs als het zo zou zijn dat [verzoekster] vanwege haar inkomenssituatie zou kunnen procederen op grond van een toevoeging op grond van de Wet op de Rechtsbijstand gaat het argument van [verweerster] dat zij daarom geen recht zou hebben op vergoeding van de kosten van het deelgeschil niet op. Op grond van artikel 34g onder a van de Wet op de Rechtsbijstand wordt een toevoeging ingetrokken als de rechtszoekende de kosten van rechtsbijstand kan verhalen op een derde. De aansprakelijkheid van [verweerster] is in dit deelgeschil vast komen te staan. De kosten van het deelgeschil komen dus voor haar rekening en niet (via de toevoeging) voor rekening van de Staat.

3.14.

Artikel 6:96 lid 2 BW regelt hoe de kosten van het deelgeschil moeten worden begroot. De rechtbank moet daarbij de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

3.15.

Het is een beperkt en overzichtelijk deelgeschil. Het aantal uren tegen een relatief hoog tarief, zeker waar daar nog 6% kantoorkosten bij wordt opgeteld, past daar niet bij. De rechtbank begroot de redelijke kosten € 4.600 (inclusief 21 % btw komt dat op € 5.566,00). Daar moet het griffierecht van € 297,00 dat [verzoekster] aan de rechtbank heeft moeten betalen nog bij worden opgeteld.

4
4. De beslissing

De kantonrechter

4.1.

bepaalt dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van 13 december 2014,

4.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.863,00 en veroordeelt [verweerster] tot betaling daarvan aan [verzoekster] ,

4.3.

wijst hetgeen meer of anders is verzocht af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Penders, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2019