Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5885

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2019
Datum publicatie
11-12-2019
Zaaknummer
16/019362-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee mannen uit Amsterdam zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot gevangenisstraffen van 2 en 3 jaar. Het duo van 22 en 29 jaar wist door middel van phishing in het bezit te komen van bankgegevens, passen en creditcards van anderen. Ze haalden hiermee grote geldbedragen van de bijbehorende rekeningen. Ook deden ze (dure) aankopen op internet.

Bij phishing wordt rekeninghouders online gevraagd hun (inlog)gegevens af te geven die nodig zijn om te kunnen internetbankieren. Dit gebeurt met e-mails die zogenaamd van een bank afkomstig zijn. Vervolgens worden de rekeninghouders doorgestuurd naar websites die sprekend op die van de banken lijken. Eén van de verdachten verklaarde op zitting dat hij eerst begon met het zoeken naar informatie over phishing. Later verstuurde hij voor het eerst phisingmails, waarin stond dat de rekeninghouder een nieuwe bankpas aan moest vragen en zijn inloggegevens moest invoeren. Ook leerde hij hoe hij zelf een phishingssite online kon krijgen. De gegevens die de gedupeerden achter lieten, kwamen terecht in een mailbox waar de verdachte de inloggegevens van had. Op die manier kon hij bij hun inlog- en bankgegevens en konden mededaders geld opnemen en betalingen doen.

De mannen maakten zich volgens de rechtbank, met ieder zijn eigen rol, op een uitgekookte manier schuldig aan meerdere diefstallen, phishing, computervredebreuk, het ter beschikking stellen van software om computervredebreuk te plegen en witwassen. De slachtoffers ontdekten achteraf dat hun spaarrekeningen waren leeggehaald en dat het geld was overgemaakt naar anderen. Ook was het geld van hun betaalrekening bij geldautomaten opgenomen. De verdachten bestelden daarnaast spullen bij webwinkels en haalden de goederen vervolgens bij afhaalpunten op.

Door het handelen van de verdachten is het vertrouwen van de slachtoffers in het betalingsverkeer en het bankwezen beschadigd. Dat rekent de rechtbank de verdachten zwaar aan. In deze tijd, waarin het online bestellen en betalen aan de orde van de dag is, is dit vertrouwen van groot belang. De verdachten werden gedreven door eigen financieel gewin en hebben zich niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers of voor de maatschappij in het algemeen. De rechtbank legt de 22-jarige verdachte een gevangenisstraf op van 3 jaar. Zijn rol in het geheel was volgens de rechtbank de basis voor het plegen van de misdrijven. De 29-jarige verdachte is schuldig aan het medeplegen van de phishing-praktijken. Ook had hij xtc-pillen en een handgranaat in zijn bezit. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf van 2 jaar op, waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Ook moeten de twee samen bijna 150.000 euro terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/019362-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 december 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1990] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 april 2019, 5 juni 2019, 5 juli 2019, 6 september 2019, 13 november 2019 en 27 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en diens raadsman mr. P.A. van der Waal, advocaat te Amsterdam, alsmede [aangever 1] namens de benadeelde partij de Coöperatieve Rabobank U.A. naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

op 22 januari 2019 in Amsterdam samen met anderen of alleen opzettelijk 5713 xtc-pillen aanwezig heeft gehad;

feit 2:

op 22 januari 2019 in Amsterdam samen met anderen of alleen een handgranaat voorhanden heeft gehad;

feit 3 primair:

in de periode van 12 juni 2018 tot en met 31 oktober 2018 in Amsterdam, Almere en/of Diemen samen met anderen of alleen € 18.880,- heeft gestolen door middel van valse sleutels;

subsidiair:

in de periode van 12 juni 2018 tot en met 31 oktober 2018 in Amsterdam, Almere en/of Diemen samen met anderen of alleen zich schuldig heeft gemaakt aan heling van € 18.880,-;

feit 4:

in de periode van 30 mei 2018 tot en met 1 december 2018 in Almere medeplichtig is geweest aan het medeplegen van oplichting van [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] ;

feit 5 primair:

in de periode van 26 oktober 2018 tot en met 1 november 2018 in Amsterdam medeplichtig is geweest aan het medeplegen van oplichting van ICS;

subsidiair:

op 1 november 2018 in Amsterdam samen met anderen of alleen een ICS creditcard heeft gestolen;

meer subsidiair:

op 1 november 2018 in Amsterdam samen met anderen of alleen zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een creditcard;

feit 6:

op 6 oktober 2018 in Amsterdam samen met anderen of alleen € 3.318,- heeft gestolen door middel van een valse sleutel.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

Inleiding

Feiten 3 tot en met 6 betreffen het zogeheten “phishing” naar bank-, pinpas- en creditcard gegevens. De daarbij verkregen inloggegevens, bankpassen en creditcards werden gebruikt om op het internet dure aankopen te doen of om grote geldbedragen van de rekeningen van de gedupeerden af te halen.

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten, voor zover van toepassing in de primaire variant, wettig en overtuigend te bewijzen. Hij heeft hiervoor onder meer verwezen naar de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 3 acht de officier van justitie het wegnemen van geld ten aanzien van benadeelde [benadeelde 1] niet wettig en overtuigend te bewijzen en vordert verdachte van dit deel vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 en 5 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de oplichting al was voltooid op het moment dat de bestelling was afgegeven ter aflevering vanuit een afhaalpunt. Hetzelfde geldt voor de valselijk aangevraagde creditcard die was verstuurd naar het adres waar verdachte deze vervolgens uit de brievenbus had gehengeld. Ondersteunende gedragingen na afloop van een misdrijf verricht, vallen buiten het bereik van artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft geen handelingen verricht die voorafgaande of gelijktijdige medeplichtigheid opleveren.

Evenmin kan de medeplichtigheid bewezen worden omdat niet uit het dossier blijkt dat verdachte wetenschap had van de oplichting of door hem de aanmerkelijke kans op oplichting is aanvaard.

Voorts is er geen sprake van causaal verband tussen de door verdachte verrichte gedragingen en het bewegen van [bedrijf 1] tot afgifte van producten en International Card Services (hierna: ICS) tot afgifte van een tweede creditcard.

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 5 subsidiair en 6 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 6

De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de onder 1, 2, 3 primair en 6 primair ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

feit 1:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 november 2019;

  • -

    een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming;2

- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen;3

- een proces-verbaal van correctie van telling van de aangetroffen tabletten van 562 naar 5620;4

- een NFI-rapport van 23 januari 2019 met betrekking tot 48,15 gram oranje tabletten;5

- een NFI-rapport van 25 januari 2019 met betrekking tot 2500 gram blauw/wit tabletten;6

feit 2:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 november 2019;

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van een handgranaat;7

- een rapport van het NFI van 27 juni 2019 te weten een explosievenonderzoek aan een vermeende handgranaat aangetroffen in een kelderbox aan de [adres] in [woonplaats] op 22 januari 2019;8

feit 3 primair

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 november 2019;

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een aangifte door [aangever 2] namens ICS op 20 september 2018;9

- een schriftelijk bescheid, te weten een aangifte door [aangever 1] namens de Coöperatieve Rabobank U.A.10

- een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] , met bijlage;11

- een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 3] , met bijlage;12

- een proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 4] ;13

- een proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , namens [benadeelde 5] ;14

- een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot [verdachte] ’90;15

- een proces-verbaal zaak ICS/Rabobank fraude;16

De rechtbank acht ten aanzien van feit 3 primair niet bewezen dat verdachte op 31 oktober 2018 € 4.000,- van de rekening van [benadeelde 1] heeft gepind en op 12 december 2018 een bedrag ter grootte van € 460,- heeft gepind van de rekening van [benadeelde 4] . Uit het dossier blijkt namelijk dat deze bedragen door een ander dan verdachte zijn gepind.

Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte bedragen van € 1.250,- en € 10,- heeft gepind van de rekening van [aangever 3] / [benadeelde 5] . De geldopnames hebben plaatsgevonden op 6 oktober 2018 om 19:04 uur en om 19.17 uur. Even daarvoor om 18:56 uur heeft verdachte met deze pas gepind in de Media Markt. Dit heeft hij bekend. Gelet op de korte tijd tussen het pinnen in de Media Markt en de geldopnames acht de rechtbank deze geldopnames ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met een ander of anderen, een bedrag van € 15.680,- heeft gestolen door middel van valse sleutels.

Feit 6 primair

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 november 2019;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] namens [benadeelde 5] , met bijlagen;17

- een proces-verbaal van bevindingen;18

Ten aanzien van feit 4

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft ter terechtzitting op 13 november 2019 verklaard dat hij pakketjes heeft opgehaald uit een pakketautomaat op het ’ [adres] in [woonplaats] . Ook heeft hij pakketjes overgenomen van een pakketbezorger. Hij heeft eenmaal in een pakket gekeken, daar zaten Apple producten in. Via een WhatsApp- en later een Snapchat-groep werd het verzoek gestuurd om een pakket op te halen. Als verdachte hierop reageerde kreeg hij de code toegestuurd van de pakketautomaat of stuurde hij de pakketbezorger een bericht. Na afhalen van het pakket gaf hij dit aan een ander bij een Febo in Amsterdam. Verdachte heeft verklaard dat hij hier tussen de € 100,- en € 150,- voor kreeg. De appgroep waarin hij deze berichten ontving, was dezelfde appgroep als waarin hij berichten ontving om geld te pinnen. Over het geld pinnen met de bankpas van een ander heeft verdachte verklaard dat hij de indruk kreeg dat er iets niet klopte.19

Op 11 september 2018 is namens ICS aangifte gedaan:

Op 13 augustus 2018 hebben er diverse frauduleuze inlogmomenten plaatsgevonden op de WebPortal van cardhouder [benadeelde 6] . Op 13 augustus 2018 werden via de Webportal, rechtmatige e-mailadresgegevens aangepast naar: [e-mail] @yopmail.com. ICS heeft contact opgenomen met de rechtmatige cardhouder. Hij verklaarde onder meer dat hij geen bestelling bij [bedrijf 1] had gedaan, hij geen e-mailadres wijziging had gedaan via zijn Webportal, hij een phishing e-mail had ingevuld en dat hij hier ook niemand toestemming voor heeft gegeven. [bedrijf 1] gaf aan dat de bestelling een Apple MacBook Pro betrof die afgeleverd was op het [adres] in [woonplaats] . De betaling is gedaan met cardnummer [cardnummer] . De schade bedraagt € 1.999,-.20

Op 8 januari 2019 is namens ICS wederom aangifte gedaan:

Op 12 augustus 2018 heeft er een frauduleus inlogmoment plaatsgevonden op de WebPortal

van Cardhouder [benadeelde 7] . ICS heeft contact opgenomen met de rechtmatige Cardhouder. Zij verklaarde onder meer dat zij mogelijk een phishing e-mail had ingevuld, zij op 12 augustus 2018 geen transactie heeft gedaan bij [bedrijf 1] en zij hier ook niemand toestemming voor heeft gegeven. Met de creditcard van cardhouder [benadeelde 7] heeft een frauduleuze transactie bij [bedrijf 1] plaatsgevonden.

Op 12 augustus 2018 hebben er diverse frauduleuze inlogmomenten plaatsgevonden op de

WebPortal van cardhouder [benadeelde 8] . ICS heeft contact opgenomen met de rechtmatige cardhouder. Hij verklaarde onder meer dat hij mogelijk een phishing e-mail had ingevuld, hij op 12 augustus 2018 geen transacties heeft gedaan bij [bedrijf 1] en hij hier ook niemand toestemming voor heeft gegeven. Met de creditcard van cardhouder [benadeelde 8] hebben frauduleuze transacties plaatsgevonden.

Op 12 augustus 2018 hebben er diverse frauduleuze inlogmomenten plaatsgevonden op de

WebPortal van cardhouder [benadeelde 9] . ICS heeft contact opgenomen met de rechtmatige cardhouder. Zij verklaarde onder meer dat zij mogelijk een phishing e-mail had ingevuld, zij niemand toestemming heeft gegeven om op 12 augustus 2018 een transactie voor haar te doen bij [bedrijf 1] . Met de creditcard van cardhouder [benadeelde 9] heeft een frauduleuze transactie plaatsgevonden.21 Uit de bijlage blijkt dat met de creditcard van [benadeelde 7] met nummer [cardnummer] een bestelling van € 1.899,- is gedaan, met de creditcard van [benadeelde 8] bestellingen van € 1.079 en € 1.899,- en met de creditcard van [benadeelde 9] een bestelling van € 1.899,-. Alle bestellingen zijn gedaan bij [bedrijf 1] .22

Ook op 11 februari 2019 is aangifte gedaan namens ICS:

Op 12 augustus 2018 hebben er diverse frauduleuze inlogmomenten plaatsgevonden op de

WebPortal van Cardhouder [benadeelde 17] . ICS heeft contact opgenomen met de rechtmatige cardhouder. Hij verklaarde onder meer dat hij mogelijk een phishing e-mail had ingevuld, hij geen bestelling bij [bedrijf 1] had gedaan en dat hij hier ook niemand toestemming voor heeft gegeven. [bedrijf 1] gaf aan dat de bestelling een Apple MacBook Pro betrof die afgeleverd was op het [adres] in [woonplaats] . De schade bedraagt € 1.899,-.23

Namens de Rabobank is op 14 november 2018 aangifte gedaan:

Op 22 oktober 2018 heeft mevrouw [benadeelde 10] gereageerd op een phishingmail ontvangen uit naam van de Rabobank waarin de klant een nieuwe bankpas kon aanvragen en heeft op de phishingsite gegevens achtergelaten. De oude bankpas heeft zij opgestuurd naar [adres] te [woonplaats] . Op 24 oktober 2018 om 20:37 uur heeft er een iDEAL-betaling plaatsgevonden van € 2.488,00 van de rekening van [benadeelde 10] naar de rekening van [bedrijf 1] . Op dezelfde dag om 21:05 uur heeft er weer een iDEAL-betaling plaatsgevonden van de rekening van [benadeelde 10] naar de rekening van Coolbue, ter hoogte van € 2.778,-. Om 20:52 uur op dezelfde dag heeft er een iDEAL-betaling plaatsgevonden van de rekening van [benadeelde 10] naar de rekening van [naam] / [bedrijf 2] . B.V. ter hoogte van € 2.249,-. Het afleveradres was [adres] in [woonplaats] .

Op 30 oktober 2018 heeft mevrouw [benadeelde 1] gereageerd op een phishingmail, ontvangen uit naam van de Rabobank waarin de klant een nieuwe bankpas kon aanvragen en heeft op de phishingsite gegevens achtergelaten. De oude bankpas heeft zij opgestuurd. Op 31 oktober 2018 om 21:08 uur heeft er een iDEAL-betaling plaatsgevonden van € 2.688,00 van de rekening van [benadeelde 1] naar de rekening van [bedrijf 1] . Het afleveradres was [adres] in [woonplaats] .24

Op 24 januari 2019 is namens de Rabobank opnieuw aangifte gedaan:

Op 27 mei 2018 heeft mevrouw [benadeelde 11] een e-mail ontvangen uit naam van de Rabobank. In deze mail stond, dat er een nieuwe bankpas aangevraagd diende te worden. Tot

1 juni 2018 zouden hieraan geen kosten verbonden zijn, hierna zou de pas geld gaan kosten.

In de e-mail stond een link naar een phishingsite, gelijkend op de Rabobank site. [benadeelde 11] heeft op de phishingsite gegevens achtergelaten en hierdoor hebben frauduleuze overboekingen plaatsgevonden. De bankpas heeft zij opgestuurd naar een adres in Amsterdam. Op 30 mei 2018 om 18:19 uur heeft er een iDEAL-betaling plaatsgevonden van € 1.899,00 van de rekening van [benadeelde 11] naar een rekening van de ING Bank, met als omschrijving ‘Hartelijk dank voor je betaling [bedrijf 1] B.V. De bestelling is afgeleverd bij het afhaalpunt [adres] in [woonplaats] .25

[aangever 4] heeft aangifte gedaan namens [benadeelde 12] :

Op 22 november 2018 had ik een mail ontvangen vanaf een e-mailadres namelijk [e-mail] @ben.nl. Ik zag dat er aangekondigd werd dat de betaalpas van de RABO bankrekening zou gaan vervallen. Ik zag dat er een link in de mail stond waarmee men een nieuwe betaalpas kon aanvragen. Ik klikte op de link. Op 1 december 2018 omstreeks 09.30 uur werd ik gebeld door de RABO bank. De medewerker meldde aan mij dat er meerdere verdachte mutaties te zien waren op zowel de spaarrekening als de betaalrekening. Ik verklaarde dat deze mutatie absoluut niet door mij of door Twinss beheer, gedaan waren.26 Uit de rekeningafschriften blijken de volgende betalingen: Op 30 november 2018 om 17:57 en 21:29 uur zijn bestellingen van respectievelijk € 2.838,- en € 2.488,- gedaan bij [bedrijf 1] , op dezelfde dag om 21:49 en 21:52 uur zijn bestellingen van respectievelijk € 2.799,- en € 2.638,- gedaan bij [naam] / [bedrijf 2] B.V.27

Op 2 juli 2018 heeft [aangever 5] aangifte gedaan namens [benadeelde 13] :

Op 13 juni 2018 heb ik een e-mail van de Rabobank ontvangen. In deze e-mail las ik dat de bij mij in gebruik zijnde pinpas van [benadeelde 13] moest worden vervangen. Als ik dit via de link in de mail zou doen zou de pas gratis vervangen worden. Ik heb de link op 17 juni 2018 aangeklikt, ik kwam op een pagina waar ik het bankrekeningnummer en de pincode in moest vullen, dit heb ik gedaan. Op 19 juni 2018 heeft men een aankoop bij [bedrijf 1] van € 1.879,- gedaan. Deze betaling heeft via iDEAL plaatsgevonden.28

[benadeelde 14] heeft aangifte gedaan op 8 november 2018:

Op 30 oktober 2018 kreeg ik een email van de Rabobank. Ik las dat mijn bankpas aan vernieuwing toe was. In de e-mail werd de instructie gegeven hoe ik aan een nieuwe bankpas kon komen, en dat dit voor 4 november 2018 kosteloos kon geschieden, als ik mij digitaal inlogde via de link in de email. Ik heb dit gedaan. Ik heb na het inloggen ergens mijn pincode moeten invoeren en mij werd de vraag gesteld of ik deze pincode wilde behouden. Op 3 november 2018 werd ik gebeld door de Rabobank. Men vroeg mij naar verdachte overmakingen die met mijn bankpas waren gedaan. Men had bij verschillende bedrijven aankopen gedaan. Uit de rekeningafschriften blijken betalingen te hebben plaatsgevonden op 2 november 2018 om 18:35 uur bij [bedrijf 1] voor € 2.858,-.29

[benadeelde 15] heeft op 14 juni 2018 aangifte gedaan:

Op 6 juni 2018 kreeg ik een e-mail van de Rabobank waarin stond dat mijn RABO bankpas was verouderd. Ik kon via een link een nieuwe bankpas aanvragen. Ik heb toen op deze link geklikt. Ik hoorde bij de bank dat er van mijn zakelijke en mijn privé rekening diverse bedragen waren opgenomen. Uit de boekingsdetails blijkt op 7 juni 2018 om 18:08 uur een iDEAL-betaling van € 1.799,- aan [bedrijf 1] B.V.30

Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot [verdachte] ’90 blijkt dat verdachte te zien is bij het ophalen van pakketten besteld bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Dit gaat om bestellingen die zijn afgeschreven van de rekeningen van [benadeelde 11] , [benadeelde 15] , [benadeelde 13] , [benadeelde 8] , [benadeelde 16] (door het creditcardnummer [cardnummer] te herleiden naar [benadeelde 7] ), [benadeelde 17] , [benadeelde 9] , [benadeelde 18] (door het creditcardnummer [cardnummer] te herleiden naar [benadeelde 6] ), [benadeelde 10] , [benadeelde 1] , [benadeelde 14] en [benadeelde 12] . De afgegeven goederen betroffen Apple MacBooks Pro, Apple iPhones en een Asus Zenbook.31

Bewijsoverwegingen

Dat verdachte pakketjes heeft opgehaald staat niet ter discussie nu verdachte dit bekend heeft. Uit de verschillende aangiftes volgt dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. zijn bewogen tot afgifte van elektronische producten. Medeverdachten hebben daarbij gebruik gemaakt van gephishte bankgegevens. Dat wil zeggen dat bewogen is tot afgifte door het aannemen van een valse hoedanigheid en op naam van een ander dan verdachte en zijn mededaders bestellingen doen. Het gaat hier dus om oplichting.

De verdediging heeft gesteld dat de oplichting reeds was voltooid door het afgeven van de bestellingen op het afhaalpunt. Dit betekent dat verdachte geen bijdrage heeft geleverd aan de oplichting, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Met het afleveren van een bestelling bij een afhaalpunt is het delict nog niet afgerond. De bestelling is immers nog niet in handen van de dadergroep gekomen en zal, indien het pakket niet wordt opgehaald, worden geretourneerd aan de afzender ( [bedrijf 1] of [bedrijf 2] B.V.). Verdachte kreeg gedurende het proces berichten dat hij op een bepaald tijdstip een pakket op moest halen bij een pakketpunt, hij werd op dat moment dus al betrokken. Ook heeft hij naar eigen zeggen een aantal malen een pakket rechtstreeks van de pakketbezorger overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de medeplichtigheidshandelingen van verdachte niet plaatsgevonden na afloop van het delict, maar tijdens het delict en is verdachte aldus behulpzaam geweest bij het plegen van het misdrijf. Dat de specifieke handelingen van verdachte zelf [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. niet hebben bewogen tot afgifte van elektronische producten doet aan het behulpzaam zijn van verdachte aan de oplichting niet af, omdat het daarbij van belang is dat verdachte heeft bijgedragen aan het geheel van oplichtingshandelingen die maakten dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] B.V. de goederen afgaven. Daarbij is van belang dat een kwaliteitsdelict, waaronder het door listige kunstgrepen bewegen tot afgifte van dat goed, kan worden medegepleegd of ondersteund door iemand die de desbetreffende kwaliteit mist, terwijl niet is vereist dat de medeplegers dan wel medeplichtingen eenzelfde rol vervullen of dezelfde soort gedragingen verrichten bij de uitvoering van het delict (vgl. HR 28 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9096) en HR 10 april 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV5575). Verdachte heeft dan ook een bijdrage, in de vorm van medeplichtigheid, geleverd aan de oplichting.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de oplichting en dat hij ook niet een aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard.

Ook dit verweer verwerpt de rechtbank. Verdachte heeft verklaard dat hij de verzoeken tot het pinnen van geldbedragen en het ophalen van pakketten ontving in eenzelfde Whatsappgroep en later via Snapchat. Verdachte heeft ook verklaard dat hij de indruk had dat er iets niet klopte aan het pinnen. Over het ophalen van pakketten heeft verdachte verklaard dat hij het pakket soms overnam van de pakketbezorger en dat hij voor het ophalen € 100 tot 150 ontving. Het moet verdachte derhalve duidelijk zijn geweest dat er hier, net als bij het pinnen, ook iets niet in de haak was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de handelingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in onderling verband en samenhang bezien, verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op zowel het gronddelict als op het behulpzaam zijn erbij.

De rechtbank acht dan ook het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5 primair

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 november 2019 verklaard dat hij een bericht kreeg via de WhatsApp- of Snapchatgroep. Via een persoonlijk bericht kreeg hij vervolgens het adres. Hij heeft toen bij de brievenbus gehengeld naar een envelop. Zonder deze open te maken heeft hij de envelop afgegeven aan de persoon die hierom had gevraagd.32

Namens ICS is op 16 november 2018 aangifte gedaan:

Op 22 oktober 2018 werd door de afdeling Investigations van ICS vanuit de dagelijkse queries een positieve hit met betrekking tot wijzigingen in het account van [benadeelde 19] waargenomen. Op 20 oktober 2018 werden via de Webportal, rechtmatige adresgegevens aangepast naar het adres [adres] (de rechtbank begrijpt: te Amsterdam). Op 21 oktober 2018 is er via de WebPortal van de Cardhouder een valse aanvraag voor een Extra Card gedaan op de naam [naam] . Op 29 oktober 2018 is de pincode gekozen voor de Extra Card waarna de Extra Card aangemaakt is en verstuurd naar het gewijzigde adres.33

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de creditcard uit de brievenbus van [adres] in [woonplaats] heeft gehengeld. Uit de aangifte blijkt dat ICS door middel van een valse hoedanigheid is bewogen tot het afgeven van de creditcard.

De raadsman heeft gesteld dat de oplichting reeds was voltooid op het moment dat de aanvraag voor de tweede creditcard was verwerkt en deze was verzonden zodat verdachte geen bijdrage heeft geleverd aan de oplichting. De rechtbank verwerpt dit verweer. Pas nadat de creditcard uit de brievenbus is gehengeld en in het bezit is gekomen van de dadergroep, is de oplichting voltooid. Verdachte is dan ook wel degelijk behulpzaam geweest bij het uitvoeren van de oplichting van ICS.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de oplichting of dat hij deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard.

Ook dit verweer verwerpt de rechtbank en verwijst daartoe naar de overwegingen bij feit 4. Ook hier gaat het om een evident strafbare handeling die past in het stramien van de opdrachten die de verdachte kennelijk binnen de dadergroep uitvoerde, het feitelijk uitvoeren van het verkrijgen van andermans goederen, of het nu pinnen met andermans pas, het ophalen van pakketten die niet voor verdachte waren bestemd, of zoals hier het uit iemands brievenbus hengelen van een envelop met creditcard. Verdachte heeft verklaard dat hij voelde dat er een pas in de envelop zat.

De rechtbank acht het onder 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de oplichtingshandelingen zijn begonnen op 20 oktober 2018. Omdat 26 oktober 2018 nergens in de aangifte genoemd wordt, gaat de rechtbank uit van een kennelijke verschrijving en leest zij de tenlastelegging verbeterd.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1

op 22 januari 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 5713 zogenaamde xtc-pillen, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2

op 22 januari 2019 te Amsterdam een wapen van categorie II, te weten een handgranaat, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

3 Primair

op tijdstippen in de periode van 12 juni 2018 tot en met 31 oktober 2018 te Amsterdam en Almere en Diemen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (van in totaal 15.680,00 euro), welke geldbedragen toebehoorden aan een accounthouder van Mijn ICS accounts, althans International Card Services B.V. (ICS) en rekeninghouders van de Rabobank en de ABN-AMRO bank, waarbij hij, verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels,

te weten een creditcard op naam van een Mijn ICS accounthouder en bankpassen van rekeninghouders van de Rabobank en de ABN-AMRO bank (met bijbehorende pincode).

4

een of meer onbekend gebleven daders op tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 mei 2018 tot en met 1 december 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid,

[bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] heeft bewogen tot de afgifte van elektronische producten (met een totale waarde van 40.275,00 euro), hebbende voornoemde dader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid

- een bestelling geplaatst met gebruikmaking van een valse naam en

- deze bestelling betaald met gebruikmaking van onrechtmatig verkregen bankgegevens en creditcardgegevens waardoor [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] werden bewogen tot voornoemde afgifte;

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks voornoemde periode in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door de postpakketten met daarin voornoemde elektronische producten op te halen bij een pakketautomaat;

5 Primair

een of meer onbekend gebleven daders op tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 oktober 2018 tot en met 1 november 2018 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, ICS heeft bewogen tot de afgifte van een (tweede) creditcard, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk in strijd met de waarheid zich voorgedaan als de rechtmatige eigenaar van de ICS creditcard toebehorende aan [benadeelde 19] en in die valse hoedanigheid een (tweede) creditcard aangevraagd (op naam van [naam] ) waardoor ICS werd bewogen tot voornoemde afgifte;

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 1 november 2018 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest door een creditcard uit de brievenbus te hengelen;

6 Primair

hij op 6 oktober 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (van in totaal 3.318,00 euro), welk geld toebehoorde aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en zijn mededader(s), waarbij verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een onrechtmatig verkregen bankpas met bijbehorende pincode, tot het gebruik waarvan verdachte en zijn mededader(s) niet gerechtigd waren.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

feit 3 primair en 6 primair, telkens:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feiten 4 en 5 primair, telkens:

medeplichtigheid aan het medeplegen van oplichting;

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en indien nodig een behandeling bij De Waag.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft een marginale rol gespeeld. Zijn justitiële documentatie betreft oudere feiten en met uitzondering van de veroordeling in Spanje, geen soortgelijke feiten. Ook met de persoonlijke omstandigheden van verdachte moet rekening worden gehouden. Verdachte heeft twee jonge kinderen waar hij voor zorgt en hij heeft nu werk. De reclassering is positief over verdachte en schetst het beeld dat verdachte de motivatie heeft om niet weer in de fout te gaan. Hij heeft de Cognitieve Vaardigheidstraining positief afgerond. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis overschrijdt brengt het risico met zich mee dat veel inspanningen voor niets zijn geweest. Hij zal zijn werk verliezen, zijn huisvesting en relatie zullen onder druk komen te staan en zijn financiële positie zal verslechteren. Verdachte heeft niet eerder een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen.

De verdediging heeft aangegeven dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de voorlopige hechtenis, in combinatie met de maximaal op te leggen taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht ertoe zal leiden dat verdachte voldoende wordt gestraft. De kans op recidive wordt beperkt doordat de ingezette positieve ontwikkelingen niet worden gefrustreerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende meegewogen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een zeer grote hoeveelheid xtc-pillen, te weten 5713 stuks met een gewicht van 2548,15 gram. Hij heeft verklaard dat hij deze pillen had voor de verkoop. Harddrugs brengen niet alleen een groot gevaar voor de volksgezondheid met zich mee, maar het bezit en verhandelen ervan gaat ook gepaard met meerdere vormen van (zware) criminaliteit.

Verdachte was ook in het bezit van een handgranaat. Het behoeft geen uitleg dat het ongecontroleerde bezit van een dergelijk explosief een groot gevaar voor personen en goederen kan opleveren. Als de handgranaat was afgegaan waren de gevolgen niet te overzien geweest, temeer nu de granaat is aangetroffen in een kelderbox onder een woningencomplex.

Verdachte heeft zich ook, samen met anderen, schuldig gemaakt aan diefstal van grote geldbedragen door het gebruik van door phishing verkregen pinpassen. De slachtoffers ontdekten achteraf dat hun spaarrekeningen waren leeggehaald en dat het geld vanaf hun rekening bij geldautomaten werd afgehaald of overgemaakt werd aan anderen. Het is enkel door het ingrijpen van de financiële geldinstellingen (ICS, Rabobank) dat de geleden schade enigszins beperkt kon worden en de schade van de gedupeerden deels kon worden vergoed, niet in de laatste plaats omdat de geldinstellingen daar uit de eigen middelen voor zorgden.

Verdachte is ook medeplichtig aan oplichting van elektronicawinkels door het valselijk plaatsen van bestellingen van dure goederen op naam en voor rekening van anderen terwijl hij en zijn dadergroep daar vervolgens de beschikking over kregen. Dit soort criminaliteit ontwricht het vertrouwen van de consument en bedrijven in de banken en andere financiële instellingen en verstoort het handelsverkeer via internet omdat verkopers moeten kunnen vertrouwen dat hun klanten op eigen naam bonafide bestellingen doen.

De rechtbank rekent de verdachte aan het gemak waarmee hij aan deze feiten heeft meegewerkt en dat hij puur en alleen voor eigen financieel gewin veel andere mensen voor grote bedragen heeft benadeeld.

Documentatie en reclasseringsadvies

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 13 augustus 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies van 25 maart 2019, uitgebracht door A. Hofman, reclasseringswerker van Reclassering Nederland en voortgangsverslagen van 3 juli 2019 en 7 november 2019.

Uit het reclasseringsadvies en de voortgangsverslagen blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een verstandelijke beperking of overmatige beïnvloedbaarheid of impulsiviteit. Er zijn ook geen aanwijzingen voor problematisch middelengebruik. Verdachte heeft de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheidstraining positief afgerond. Hij heeft een meewerkende houding en ontvangt inkomsten uit werk. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling tot een voorwaardelijke straf een meldplicht en eventueel een behandeling bij De Waag op te leggen.

Oriëntatiepunten

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht gaan voor het aanwezig hebben van 2000 tot 3000 gram harddrugs uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden en voor het voorhanden hebben van een handgranaat uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze oriëntatiepunten af te wijken.

Ten aanzien van de diefstallen in vereniging met valse sleutels en de medeplichtigheid aan de oplichtingen is naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

Conclusie ten aanzien van de strafmaat en strafmodaliteit

Gelet op het voorgaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt. De rechtbank kan dan ook niet meegaan in het verzoek van de raadsman om te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest (74 dagen) aangevuld met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en de maximale taakstraf. Ondanks het feit dat verdachte de feiten grotendeels heeft bekend en zijn leven tijdens de schorsing positief heeft opgepakt, weegt dit voor de rechtbank onvoldoende op tegen de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank realiseert zich dat de terugkeer van verdachte naar de gevangenis de tijdens de schorsing verrichte inspanningen mogelijk deels teniet zou kunnen doen. Dit is echter de keerzijde van het recht van verdachte om zijn berechting in vrijheid af te wachten.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden.

9 BENADEELDE PARTIJ

Coöperatieve Rabobank U.A., (hierna: Rabobank) vertegenwoordigd door [aangever 1] , heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 223.365,79 aan materiële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 48.269,- kan worden toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel omdat er conservatoir beslag is gelegd.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Van de 19 schadeloos gestelde klanten, komen er 8 voor in zaken die aan verdachte worden toegeschreven waar het gaat om het afhalen van pakketten en 3 waar het gaat om pintransacties. De raadsman heeft gesteld dat de vordering ten aanzien van het afhalen van de pakketten moet worden afgewezen, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. De vordering ten aanzien van de pintransacties kan worden toegewezen. De raadsman heeft daarmee gesteld dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.260,- kan worden toegewezen. Verdachte is bereid om deze schade te voldoen en het conservatoir beslag kan worden uitgewonnen. Het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel is enkel bedoeld om partijen bij te staan bij het verkrijgen van hun schadevergoeding.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De volgende schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking:

  • -

    [benadeelde 11] tot een bedrag van € 1.899,-;

  • -

    [aangever 4] / [benadeelde 12] tot een bedrag van € 10.763,-;

  • -

    [benadeelde 15] tot een bedrag van € 1.799,-;

  • -

    [benadeelde 10] tot een bedrag van € 17.515,-;

  • -

    [benadeelde 1] tot een bedrag van € 2.688,-;

  • -

    [aangever 5] / [benadeelde 13] tot een bedrag van € 1.879,-;

  • -

    [benadeelde 14] tot een bedrag van € 2.858,-;

  • -

    [aangever 3] / [benadeelde 5] tot een bedrag van € 4.578,-.

De rechtbank zal daarom de vordering tot het bedrag van € 43.969,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot de dag van volledige betaling.

Omdat niet is na te gaan wanneer welke schade is vergoed door de Rabobank en dus wanneer welke schade is ontstaan voor de Rabobank is de rechtbank voor het bepalen van de begindag van de wettelijke rente uitgegaan van de laatste dag die genoemd is in de vordering van de benadeelde partij, te weten 1 januari 2019.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren. Reden daarvoor is deze feiten niet zijn bewezenverklaard voor verdachte.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Onder verdachte is conservatoir beslag gelegd. Dit beslag strekt tot bewaring van het recht op verhaal voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie of hoger kan worden opgelegd, waarbij de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Ook bij een rechtspersoon als slachtoffer kan deze schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

De rechtbank zal daarom als extra waarborg voor betaling ten behoeve van de Rabobank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 43.969,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 1 dag hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    36f, 47, 48, 49, 57, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 primair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 25 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van de Rabobank toe tot een bedrag van € 43.959,-;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de Rabobank van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- verklaart de vordering van de Rabobank voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van de Rabobank aan de Staat € 43.969,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. A.W.M. van Hoof en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 december 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Amsterdam en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 5713 zogenaamde xtc-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, te weten een (op scherp staande) handgranaat, zijnde (een) voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

3 Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juni 2018 tot en met 31 oktober 2018 te Amsterdam en/of Almere en/of Diemen, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 18.880,00 euro), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een of meer accounthouder(s) van Mijn ICS accounts, althans International Card Services B.V. (ICS) en/of rekeninghouder(s) van de Rabobank en/of de ABN-AMRO bank, althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s),
te weten een of meer creditcard(s) op naam van Mijn ICS accounthouders en/of bankpas(sen) van rekeninghouder(s) van de Rabobank en/of de ABN-AMRO bank (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren.

Subsidiair
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juni 2018 tot en met 31 oktober 2018 te Amsterdam en/of Almere en/of Diemen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 18.880,00 euro), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of een of meer van haar mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4

Een of meer onbekend gebleven dader(s) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 mei 2018 tot en met 1 december 2018 te Amsterdam en/of Almere en/of Diemen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] heeft bewogen tot de afgifte van (een) elektronisch(e) product(en) (met een totale waarde van 40.632,00 euro), althans enig goed hebbende voornoemde dader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- een bestelling geplaatst met gebruikmaking van een valse naam en/of
- deze bestelling betaald met gebruikmaking van onrechtmatig verkregen bankgegevens en/of creditcardgegevens
waardoor [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 2] werd(en) bewogen tot voornoemde afgifte;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks voornoemde periode te Almere, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door de/het postpakket(ten) met daarin voornoemd(e) elektronisch(e) product(en) op te halen bij een pakketautomaat;

5 Primair

Een of meer onbekend gebleven dader(s) op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 oktober 2018 tot en met 1 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, ICS heeft bewogen tot de afgifte van een (tweede) creditcard, althans enig goed hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
zich voorgedaan als de rechtmatige eigenaar van de ICS creditcard behorende tot [benadeelde 19] en/of in die valse hoedanigheid een (tweede) creditcard aangevraagd (op naam van [naam] ) en/of (daarbij) als afleveradres een leegstaande woning opgegeven waardoor ICS werd bewogen tot voornoemde afgifte;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks
1 november 2018 te Amsterdam althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door een creditcard uit de brievenbus te vissen en/of te hengelen;

Subsidiair
hij op of omstreeks 1 november 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (ICS) creditcard, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 19] en/of ICS, althans International Card Services B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Meer subsidiair
hij op of omstreeks 1 november 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een creditcard, in elk geval enig goed, toebehorende aan [benadeelde 19] en/of ICS, althans International Card Services B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of een of meer van haar mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

6 Primair

hij op of omstreeks 6 oktober 2018 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 3.318,00 euro), welk(e) geldbedrag(en) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan benadeelde [aangever 3] , althans een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een onrechtmatig verkregen bankpas op naam van benadeelde [aangever 3] (met bijbehorende pincode), in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren.

Subsidiair
hij op of omstreeks 6 oktober 2018 te Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 3] heeft bewogen tot de afgifte van (een) elektronisch(e) product(en) (met een totale waarde van 3.318,00 euro), althans enig goed
hebbende voornoemde dader(s) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- een aankoop van elektronisch(e) product(en) betaald met gebruikmaking van een onrechtmatig verkregen bankpas op naam van benadeelde [aangever 3] (met bijbehorende pincode)
waardoor [bedrijf 3] werd bewogen tot voornoemde afgifte;

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 20 mei 2019, genummerd PL0900-2018168166 (Onderzoek Logo), opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 2890 en 2438 tot en met 2553 dubbel genummerd. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina’s 1625 en 1626.

3 Pagina’s 1687 tot en met 1689.

4 Pagina 1690.

5 Pagina 1692.

6 Pagina 1691.

7 Pagina’s 1697 en 1698.

8 Pagina’s 2489 tot en met 2496 van het dubbel genummerde dossier.

9 Pagina’s 127 tot en met 135.

10 Pagina’s 221, 222 en 225.

11 Pagina’s 515 tot en met 517 en 525 en 526.

12 Pagina’s 604, 605 en 608.

13 Pagina’s 614 en 615.

14 Pagina’s 551 en 552.

15 Pagina’s 639, 643, 644 en 646.

16 Pagina’s 815, 819, 820, 829 en 830.

17 Pagina’s 551, 552, 556 en 557.

18 Pagina’s 2450 en 2451.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 november 2019.

20 Pagina’s 107, 108 en 116.

21 Pagina’s 183 tot en met 185.

22 Pagina 192.

23 Pagina’s 205 en 206.

24 Pagina’s 221 tot en met 223, 230, 231 en 235.

25 Pagina’s 329 en 330.

26 Pagina’s 464 en 465.

27 Pagina’s 475 en 478.

28 Pagina’s 560, 561 en 563.

29 Pagina’s 567, 572 en 573.

30 Pagina’s 576, 599 en 601.

31 Pagina’s 649 tot en met 652.

32 Verklaring van verdachte ter terechtzitting op 13 november 2019.

33 Pagina’s 161 en 162.