Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:587

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
16/706378-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, diefstal met geweld en bedreiging, dreigen met zware mishandeling en een overtreding van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft het slachtoffer in diens eigen woning onder bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend wapen proberen af te persen. Ook heeft de verdachte goederen uit de woning gestolen.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten. Ook is verdachte eerder veroordeeld op grond van de Wet wapens en munitie. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Ook mag de verdachte, in het kader van artikel 36v van het Wetboek van Strafrecht, geen contact opnemen met de slachtoffers en mag hij niet in de buurt van de slachtoffers komen. De rechtbank acht, gelet op de persoon en persoonlijkheid van verdachte, begeleiding en behandeling van verdachte wenselijk en noodzakelijk en zal verdachte de bijzondere voorwaarden opleggen zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/706378-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1997] te Curaçao (Nederlandse Antillen)

thans gedetineerd in het Justitieel Complex te Zaanstad

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 november 2018 en 1 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.A. Tanghe en van hetgeen verdachte en mr. N. Hendriksen, advocaat te Hoorn, alsmede van hetgeen mr. C.H. Dijkstra namens de benadeelde partijen en slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 16 november 2018 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 op 11 augustus 2018 in Amersfoort met geweld en bedreiging met een vuurwapen geprobeerd heeft [slachtoffer 1] te dwingen € 800,00 af te geven;

feit 2 op 11 augustus 2018 in Amersfoort met geweld en bedreiging met een vuurwapen goederen van [slachtoffer 1] heeft weggenomen;

feit 3 op 11 augustus 2018 in Amersfoort [slachtoffer 2] met een vuurwapen heeft bedreigd;

feit 4 op 17 augustus 2018 in Zwaag een veerdrukpistool voorhanden heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

In hun verklaringen spreken aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gaandeweg over steeds meer geweld dat door verdachte zou zijn gebruikt en letsel bij [slachtoffer 1] ten gevolge van dit geweld. De politie heeft bij [slachtoffer 1] geen enkel letsel geconstateerd. Voorts komen hun verklaringen niet overeen en volgt uit het dossier dat zij overleg hebben gevoerd voordat zij de politie hebben ingeschakeld. Dit maakt de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar. De conclusie die de verdediging daaruit trekt is dat verdachte geen geweld heeft gebruikt.

Beiden spreken elkaar op onderdelen ook tegen over het wapen dat verdachte volgens hen bij zich zou hebben gehad. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] het wapen dat later bij verdachte thuis is aangetroffen, eerder had gezien en daarom een beschrijving van het wapen kon geven. Dat maakt dat de vereiste overtuiging ontbreekt of verdachte daadwerkelijk een wapen in zijn handen heeft gehad.

Subsidiair, indien de rechtbank tot de conclusie komt dat verdachte wel geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd, kan, ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, op grond van de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegde, wisselende en tegenstrijdige verklaringen, niet worden aangetoond dat deze geweldshandelingen een relatie hadden met het verkrijgen van

€ 800,00.

Indien de rechtbank van oordeel is dat zich in de woning enkel een woordenwisseling heeft afgespeeld, dan heeft te gelden dat de goederen bij wijze van onderpand en garantie voor het betalen van € 800,00 hebben gediend en is er geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening.

De verklaring van [slachtoffer 2] over de bedreiging, zoals onder 3 tenlastegelegd, vindt geen steun in het dossier, ook niet in de verklaringen van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

[slachtoffer 1] heeft op 12 augustus 2018 verklaard dat hij 2 of 3 maanden daarvoor was benaderd door [verdachte] , de broer van een vriend van hem, [A] . [verdachte] vroeg hem of hij iemand wist die zich bezig hield met pinpasfraude. Hij had [verdachte] vervolgens met iemand in contact gebracht. Kennelijk was er daarna iets fout gegaan tussen beide jongens en had de jongen € 800,00 van de rekening van [verdachte] afgeboekt. Sinds die tijd werd hij door [verdachte] lastig gevallen die vond dat hij verantwoordelijk was voor die € 800,00. Via snapchat ontving hij berichten van [verdachte] met de strekking: ”Dat hij het wel zou zien als hij, [verdachte] , naar Amersfoort moest komen, dat hij, [verdachte] , er wel achter zou komen waar hij woonde en dan een probleem zou hebben.”2

Op 11 augustus 2018 was hij samen met [slachtoffer 2] in zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] .3 Om ongeveer 22.00 uur werd er aangebeld. [slachtoffer 2] liep naar de voordeur en opende die. Hij zag dat [slachtoffer 2] opzij stapte en dat er een jongen voor de deur stond. De jongen stapte de woning binnen. Hij zag dat het [verdachte] was, een jongen die hij eerder in Amsterdam had ontmoet. Hij zag dat [verdachte] een klein zwart pistool in zijn hand hield, kleiner dan zijn hand. Hij zag dat [verdachte] de loop van het pistool op hem gericht hield. Hij hoorde dat [verdachte] zei: “Ik ben met de auto, alles gaat mee.” Hij zag dat [verdachte] hem de woonkamer induwde en dat [slachtoffer 2] inmiddels ook in de woonkamer stond. Hij zei tegen [verdachte] dat hij geen € 800,00 had. Hij zag dat [verdachte] het wapen opborg en de game-monitor pakte. Hij zag dat [verdachte] vervolgens de PlayStation4, de laptop, een aantal Playstation spellen en twee controllers pakte. Hij zag dat [verdachte] de spullen in een tas stopte, de monitor oppakte en de woning verliet.4

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij vanaf 10 augustus 2018 bij [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1] ) in diens woning aan de [adres] te [woonplaats] was.5 Op zaterdagavond werd er aangebeld. Hij ging samen met [slachtoffer 1] naar de voordeur en deed open. [slachtoffer 1] stond een stukje achter hem. Hij zag een man staan. De man liep langs hem heen, haalde een vuurwapen uit een tasje en liep naar [slachtoffer 1] . De man duwde [slachtoffer 1] naar de woonkamer en hij, [slachtoffer 2] , moest meelopen en gaan zitten. Hij zag dat de man [slachtoffer 1] op de bank gooide en tegen [slachtoffer 1] schreeuwde. Het ging er over dat hij, de man, € 800,00 van [slachtoffer 1] moest krijgen. Hij hoorde [slachtoffer 1] roepen dat de man niet bij hem moest zijn. Hij zag dat de man van alles uit de woonkamer pakte. De man pakte de PlayStation, twee controllers, PlayStation spellen, een computerscherm en een laptop. [slachtoffer 1] moest vervolgens een tas pakken. Hij zag dat [slachtoffer 1] een tas pakte en aan de man gaf. De man stopte vervolgens alle spullen in de tas. De man liep daarna het huis uit.6

In de woning van verdachte aan het [adres] te [woonplaats] werd tijdens een doorzoeking op 17 augustus 2018 een zwart pistool, een zogenaamde BB gun, aangetroffen.7

Verdachte heeft verklaard dat hij op 11 augustus 2018 naar de woning van [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1] ) in Amersfoort is gegaan. Verdachte was daar naar toegegaan vanwege een meningsverschil met [slachtoffer 1] over € 800,00 en heeft vervolgens uit de woning spullen meegenomen.8

Bewijsoverwegingen

Partiële vrijspraak geweldshandelingen feit 1 en feit 2

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gaandeweg hun opvolgende verklaringen in toenemende mate over door verdachte toegepast geweld verklaren. Zij verklaren daarbij ook over letsel bij [slachtoffer 1] ten gevolge van deze geweldshandelingen. De politie heeft echter geen enkel letsel geconstateerd bij [slachtoffer 1] .

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dit punt geen steun vinden in het dossier en zal verdachte partieel vrijspreken van de geweldshandelingen, met uitzondering van het duwen van [slachtoffer 1] , zoals deze bij het laatste gedachtestreepje onder 1 en 2 ten laste zijn gelegd.

Op een vuurwapen gelijkend voorwerp

Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd, zo heeft hij in eerste instantie ontkend in de woning geweest te zijn. Ook over het pistool heeft verdachte wisselend verklaard. Zo verklaart hij op 18 augustus 2018 dat hij het wapen ongeveer een week daarvoor op de kermis heeft gewonnen.

De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte het wapen dan kort voor het incident op 11 augustus 2018 in zijn bezit zou hebben gekregen waardoor het niet aannemelijk is dat [slachtoffer 1] dit wapen al eerder bij verdachte zou hebben gezien.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het wapen ongeveer drie weken voor het incident op 11 augustus 2018 van een vriend heeft gekregen. Verdachte wil de naam van die vriend niet noemen. Op de vraag wanneer [slachtoffer 1] het wapen dan gezien zou hebben heeft verdachte geantwoord dat hij dat niet weet.

Verdachte heeft als reden voor zijn steeds wisselende verklaringen aangegeven dat hij bij de politie en de rechter-commissaris niet de tijd heeft gekregen om een verklaring af te leggen. De rechtbank acht dit onaannemelijk. Uit het dossier volgt dat verdachte meerdere keren bij de politie en later ook bij de rechter-commissaris de gelegenheid heeft gekregen een verklaring af te leggen. Ook in raadkamer heeft verdachte de mogelijkheid gehad een verklaring af te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank tracht verdachte met zijn wisselende en aangepaste verklaringen de waarheid te verhullen. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte over het wapen onaannemelijk en niet geloofwaardig.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben daarentegen vanaf het begin af aan consistent verklaard dat verdachte gedreigd heeft met een vuurwapen. In de woning van verdachte is een veerdrukpistool aangetroffen. Het aangetroffen veerdrukpistool past binnen de omschrijvingen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het wapen hebben gegeven.

Relatie tussen verkrijgen € 800,00 en (dreiging met) geweld

De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm er op gericht was om ten koste van alles € 800,00 van [slachtoffer 1] te verkrijgen. Verdachte ging naar de woning van [slachtoffer 1] om het meningsverschil met [slachtoffer 1] daarover op te lossen. Verdachte heeft daartoe een op een echt wapen gelijkend neppistool meegenomen en daarmee gedreigd.

Weggenomen goederen

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat [slachtoffer 1] verdachte toestemming heeft gegeven de spullen mee te nemen. Deze omstandigheid vindt geen steun in het dossier. Dat verdachte de goederen, naar eigen zeggen, als onderpand zou hebben meegenomen, doet aan de wederrechtelijkheid niet af.

De rechtbank merkt daarbij op dat al zou [slachtoffer 1] hebben ingestemd met het meenemen van de goederen, dan zou deze instemming zijn ingegeven door de dreiging die van verdachte en het op een vuurwapen gelijkend voorwerp uitging en zal [slachtoffer 1] in zijn beleving daarbij geen andere keuze hebben gehad dan daarmee in te stemmen.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

De rechtbank is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op 11 augustus 2018 naar de woning van [slachtoffer 1] is gegaan met het doel van [slachtoffer 1] € 800,00 te verkrijgen, een bedrag waarop verdachte meende recht te hebben. Onder bedreiging met het wapen heeft verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de woonkamer gedwongen. Vervolgens heeft verdachte geprobeerd [slachtoffer 1] te bewegen hem € 800,00 te geven. Vervolgens heeft verdachte, nadat bleek dat [slachtoffer 1] het geld niet had of niet wilde of kon betalen, zich wederrechtelijk diverse goederen uit de woning van [slachtoffer 1] toegeëigend.

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

feit 4

Verdachte heeft het onder 4 ten laste gelegde feit bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 februari 2019;

  • -

    het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 88;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, pagina 149 en 150.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 11 augustus 2018 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 800 euro toebehorende aan die [slachtoffer 1] , (na die [slachtoffer 1] eerder per (onder andere) snap-chat heeft benaderd met berichten inhoudende dat die [slachtoffer 1] een bedrag van 800 euro aan hem verdachte schuldig zou zijn),

- naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en

- aldaar bij die woning heeft aangebeld en

- nadat de deur geopend werd, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 1] , en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: “ik ben met de auto, alles gaat mee”

- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen tegen het lichaam te duwen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 11 augustus 2018 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een PlayStation en PlayStation spellen en PlayStation controllers en een game-monitor en een laptop, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat, hij verdachte,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 1] , en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd:” ik ben met de auto, alles gaat mee”

- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen tegen het lichaam te duwen ;

3.

op 11 augustus 2018 te Amersfoort [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 2] te tonen en daarbij die [slachtoffer 2] de

opdracht te geven mee te lopen en te gaan zitten;

4.

op 17 augustus 2018 te Zwaag, gemeente Hoorn, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool (merk: Taurus, model: PT111 millenium, kaliber: 6mm BB) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 poging tot afpersing;

feit 2 diefstal voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 3 bedreiging met zware mishandeling;

feit 4 overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd;

- een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 5 jaar inhoudende dat verdachte zich niet zal begeven in het gebied binnen een straal van 500 meter van de woning van [slachtoffer 1] , aan de [adres] te [woonplaats] en dat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zal zoeken en of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , en voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan 1 maand hechtenis per overtreding van de maatregel met een maximum van 6 maanden.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht gelet op de nog jonge leeftijd van verdachte en zijn persoon de eis van de officier van justitie te matigen. De raadsman heeft opgemerkt dat verdachte, indien de eis gevolgd wordt en er een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd langer in detentie zal zitten dan wanneer hij 36 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk opgelegd zou krijgen. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat de rechtbank Midden-Nederland in twee gelijk soortige zaken, waarbij sprake was van heftiger en meer geweld dan in de onderhavige zaak, in verhouding minder zwaar heeft gestraft.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] in diens eigen woning onder bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend wapen proberen af te persen. Vervolgens heeft verdachte goederen uit de woning weggenomen. Voorts heeft verdachte de eveneens in de woning van [slachtoffer 1] aanwezige [slachtoffer 2] met een vuurwapen bedreigd. Dergelijke feiten zorgen voor gevoelens van onrust en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij. De slachtoffers van dit soort misdrijven kunnen hier nog lange tijd de nadelige gevolgen van ondervinden, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van (de moeder van de nog minderjarige) [slachtoffer 1] .

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zijn slachtoffers minderjarige jongens betroffen en dat het geheel zich in de eigen woning van [slachtoffer 1] heeft afgespeeld.

De eigen woning is bij uitstek een plaats waar men zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft met zijn handelen, louter voor eigen financieel gewin, dit gevoel van veiligheid aangetast.

Uit het strafblad van verdachte van 19 december 2018 volgt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten. Ook is verdachte eerder veroordeeld op grond van de Wet wapens en Munitie.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 31 oktober 2018, uitgebracht door H. Kamans, reclasseringswerker.

Uit het rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een delictgeschiedenis, maar er kan nog niet gesproken worden van een delictpatroon. Op de praktische leefgebieden lijkt verdachte voor zijn detentie stabiliteit te hebben gehad. Zo had hij stabiele huisvesting, een betaalde dagbesteding en een gezonde financiële situatie. Tevens heeft hij een goede band met zijn moeder. Haar teleurstelling wat betreft onderhavige situatie kan in de toekomst als beschermende factor werken, net als het feit dat verdachte naar zijn zeggen met deze detentie net op tijd uit zijn criminele netwerk is gehaald. De risicofactoren voor de toekomst zijn voor verdachte zijn netwerk, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding. Met name zijn verlangen naar extra geld en zijn houding lijken in verband te staan met het tenlastegelegde. Verdachte heeft hierin bewuste keuzes gemaakt en lijkt criminaliteit te plegen vanuit persoonlijk gewin. Hij zet zijn eigen behoeftes boven die van anderen. De uitdaging voor verdachte is het kunnen weerstaan van verleidingen (van zijn netwerk en het extra geld) wanneer hij uit detentie komt. De reclassering heeft sterke twijfels of hij zelfstandig hiertoe in staat is.

Verdachte dient deze verleidingen te leren weerstaan, andere keuzes te maken en zijn

pro-criminele houding te veranderen. Daarnaast is het van belang dat betrokkene een positief netwerk om zich heen bouwt en zich richt op pro-sociale contacten om een toekomst zonder justitiecontacten te realiseren. Wanneer hij hierin niet begeleid en behandeld wordt, schat de reclassering het recidiverisico en daarmee het risico op letselschade gemiddeld tot hoog in. Verdachte heeft aangegeven mee te willen werken aan eventuele voorwaarden en ziet meerwaarde in begeleiding vanuit de reclassering. Om het recidiverisico te verkleinen acht de reclassering een toezicht met bijzondere voorwaarden geïndiceerd. De reclassering adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij een meldplicht, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod en het hebben van een dagbesteding.

De rechtbank wijkt, gelet op de nog jonge leeftijd van verdachte en nu zij tot een andere

- mindere - bewezenverklaring komt ten aanzien van de geweldshandelingen, bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is.

De rechtbank acht, gelet op de persoon en persoonlijkheid van verdachte, begeleiding en behandeling van verdachte wenselijk en noodzakelijk en zal verdachte de bijzondere voorwaarden opleggen zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven gericht tegen/gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot afpersing, diefstal voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld en bedreiging. Gelet op de inhoud en het advies van de Reclassering Nederland, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zal worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten het contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden op te leggen, nu deze in het kader van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte zullen worden opgelegd.

Daarnaast zal de rechtbank ter voorkoming van strafbare feiten aan verdachte ook opleggen een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaren:

- voor een gebied binnen een straal van 500 meter rondom de woning van [slachtoffer 1] aan de [adres] te [woonplaats] en

- een contactverbod, dat verdachte zich onthoudt van contact met [slachtoffer 1] , geboren op [2002] , en [slachtoffer 2] , geboren op [2001] .

Hiertoe overweegt de rechtbank dat zij het, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en het gegeven dat dit zich in de woning van [slachtoffer 1] heeft afgespeeld, niet wenselijk acht dat verdachte zich de komende tijd zal begeven in de leefomgeving van het slachtoffer [slachtoffer 1] en op geen enkele wijze geen contact zal hebben met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] .

Gelet op het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens de slachtoffers. Daarom beveelt de rechtbank dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank beveelt dat, voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, de maatregel wordt vervangen door één week hechtenis voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.

9 BESLAG

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen tas en telefoon terug te geven aan verdachte en het onder verdachte in beslag genomen veerdrukwapen te onttrekken aan het verkeer.

9.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen geen standpunt ingenomen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het in beslag genomen (imitatie) veerdrukwapen onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- een telefoon, merk Apple iPhone;

- een heren (nek)tas, merk Gucci.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

[slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.344,00. Dit bedrag bestaat uit € 344,00 materiële schade en € 1000,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Mr. C.H. Dijkstra heeft ter terechtzitting de vordering van de benadeelde partij gewijzigd, in die zin dat, gelet op de mededeling van de officier van justitie dat de weggenomen goederen thans in het bezit zijn van de politie en aan [slachtoffer 1] zullen worden teruggegeven, de gevorderde materiële schade van € 344,00 komt te vervallen.

10.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, me daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman de vordering niet betwist.

10.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de gevorderde schade matigen, nu zij een deel van de ten laste gelegde geweldshandelingen niet bewezen acht. De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van € 500,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10.2

[slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 1.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

10.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, me daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat aan [slachtoffer 2] de helft dient te worden toegewezen van hetgeen aan [slachtoffer 1] wordt toegewezen.

10.2.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal de gevorderde schade matigen, nu zij een deel van de tenlastegelegde geweldshandelingen niet bewezen acht.

De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van € 500,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het toegewezen bedrag ten opzichte van [slachtoffer 1] te halveren. [slachtoffer 2] had geen enkele rol in het conflict dat verdachte met [slachtoffer 1] meende te hebben en is door verdachte volledig buiten zijn eigen toedoen, betrokken bij de bewezenverklaarde feiten.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 14d, 36c, 36d, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 285, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    55 van de Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

- stelt als voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich binnen twee dagen na de datum van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Drechterwaard 102, 1824 DX te Alkmaar. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

* zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Indien reclassering het nodig acht, dient verdachte mee te werken aan verdiepingsdiagnostiek. Advies is behandeling te richten op onder andere terugvalpreventie. De behandeling start zo snel mogelijk na het ingaan van de proeftijd (of in het kader van detentie & re-integratie zo snel mogelijk binnen detentie). De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte dient zich te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* een betaalde dagbesteding zal hebben.

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dadelijke uitvoerbaarheid

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren;

- beveelt dat verdachte

  • -

    zich niet ophoudt in het gebied binnen een straal van 500 meter van de woning van [slachtoffer 1] , gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ;

  • -

    zich onthoudt van contact met [slachtoffer 1] , geboren op [2002] , en [slachtoffer 2] , geboren op [2001] ;

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 1 week hechtenis, met een maximum van 6 maanden;

Beslag

- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:

* een veerdrukpistool, merk Taurus, PT111;

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

* een telefoon, merk Apple iPhone;

* een heren (nek)tas, merk Gucci;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[slachtoffer 2]

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 500,00, bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en

C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 februari 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-

Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 800 euro, althans een

geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (na die [slachtoffer 1] eerder per (onder andere) snap-chat heeft benaderd met berichten inhoudende dat die [slachtoffer 1] een bedrag van 800 euro aan hem verdachte schuldig zou zijn),

- naar de woning van die [slachtoffer 1] is gegaan en/of

- aldaar bij die woning heeft aangebeld en/of

- nadat de deur geopend werd, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op, althans getoond aan die [slachtoffer 1] , en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: “ik ben met de auto, alles gaat mee”

- die [slachtoffer 1] (met vlakke hand en/of (vervolgens) met een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp) een of meerdere malen in het gezicht althans op/tegen het

lichaam heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] bij de keel heeft vastgepakt en/of de keel heeft

dichtgeknepen en/of die [slachtoffer 1] een of meerdere malen (met kracht) tegen het lichaam te

duwen en/of nadat die [slachtoffer 1] tegen hem, verdachte had gezegd dat hij geen 800 euro had, die [slachtoffer 1] nogmaals heeft geslagen en/of gestompt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-

Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

playstation en/of playstation spellen en/of playtstion controllers en/of een game-monitor en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat, hij verdachte,

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op, althans getoond aan die [slachtoffer 1] , en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd:” ik ben met de auto, alles gaat mee”

- die [slachtoffer 1] (met vlakke hand en/of (vervolgens) met een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp) een of meerdere malen in het gezicht althans op/tegen het

lichaam heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] bij de keel heeft vastgepakt en/of de keel heeft

dichtgeknepen en/of die [slachtoffer 1] een of meerdere malen (met kracht) tegen het lichaam te

duwen en/of nadat die [slachtoffer 1] tegen hem, verdachte had gezegd dat hij geen 800 euro had, die [slachtoffer 1] nogmaals heeft geslagen en/of gestompt;

3.

hij op of omstreeks 11 augustus 2018 te Amersfoort [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen althans

een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of daarbij die [slachtoffer 2] de

opdracht te geven mee te lopen en/of te gaan zitten;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 17 augustus 2018 te Zwaag, gemeente Hoorn, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een een veerdrukpistool (merk: Taurus, model: PT111 millenium, kaliber: 6mm BB) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, onder nummer PL0900-2018233637, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 151. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , pagina 52.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , pagina 53.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , pagina 54.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , pagina 56.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , pagina 57.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 91 en 93.

8 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 februari 2019.