Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5858

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2019
Datum publicatie
13-12-2019
Zaaknummer
UTR 19/4578
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Verleende ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis, de das en de ringslang voor de herinrichting van een recreatiepark in Lage Vuursche. Verzoekers willen voorkomen dat er bomen gekapt gaan worden. De voorzieningenrechter vindt de onderbouwing in de ontheffing dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang onvoldoende. Schorsing van de ontheffing met uitzondering van bomen die om veiligheidsredenen gekapt moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2020/1 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4578

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] , te [woonplaats] ,

[verzoeker 2] , te [woonplaats]

[verzoeker 3] , te [woonplaats]

[verzoeker 4] , te [woonplaats]

[verzoeker 5] , te [woonplaats]

[verzoeker 6] , te [woonplaats]

[verzoeker 7] , te [woonplaats]

[verzoeker 8] , te [woonplaats]

samen: verzoekers

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. W. van Dijk)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Résidence de Ridderhof B.V., te Lunteren
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder derde-partij ontheffing verleend van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming (Wnb) voor:
- het opzettelijk doden, opzettelijk verstoren, beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis en

- het opzettelijk beschadigen en/of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das

en ringslang,

voor de periode vanaf de verzenddatum van het besluit tot en met 30 april 2024.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2019. Verzoekers [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] en [verzoeker 6] , zijn verschenen, bijgestaan door mr. P. Bosch van Drakestein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A] , ontheffingverlener. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [B] , ecoloog, en [C] , projectleider.

Overwegingen

Inleiding

1. Alle verzoekers hebben een vakantiehuisje op recreatiepark Résidence de Ridderhof, Koudelaan 25-27 in Bilthoven. Derde-partij is eigenaar van de grond van dit recreatiepark en wil het recreatiepark herontwikkelen.

2. Op 20 februari 2019 heeft derde-partij bij verweerder een aanvraag ingediend voor een ontheffing op grond van de Wnb. Verweerder heeft deze ontheffing op 7 augustus 2019 verleend. In de ontheffing zijn verschillende voorschriften opgenomen.

3. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt heeft bij besluit van 12 juli 2019 aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 71 bomen en het uitvoeren van werkzaamheden op het recreatiepark. Verzoekers hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de uitspraak van 24 oktober 2019 (UTR 19/3108) is dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Spoedeisend belang

4. Met het verzoek willen verzoekers voorkomen dat er bomen gekapt gaan worden, omdat de gevolgen van de kap voor de beschermde diersoorten groot zijn. Bovendien betwijfelen verzoekers of de ontheffing wel geldig is voor het kappen van bomen ten behoeve van dunning en achterstallig onderhoud van het park, omdat de ontheffing is aangevraagd voor de herinrichting van het recreatiepark.

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van derde-partij toegelicht dat ongeveer 135 bomen gekapt zullen gaan worden. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij het besluit van 12 juli 2019 aan derde-partij een omgevingsvergunning voor de activiteit kappen is verleend. Met deze omgevingsvergunning mogen 71 bomen gekapt worden.

De gemachtigde van derde-partij heeft op zitting toegelicht dat er nog een omgevingsvergunning voor de activiteit kappen is verleend en dat deze vergunning onherroepelijk is geworden. Voor de kap van de bomen heeft derde-partij, naast de omgevingsvergunningen, de ontheffing op grond van de Wnb aangevraagd en gekregen. Uit de stukken blijkt dat de ontheffing is aangevraagd voor zowel achterstallig onderhoud en dunning van bomen als voor de herontwikkeling van het recreatiepark. Derde-partij wil zo snel mogelijk starten met het kappen van de bomen en de werkzaamheden voor de kerst afronden. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat een spoedeisend belang aanwezig is.

Toetsingskader voorlopige voorziening

6. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in dit stadium van de procedure (de bezwaarfase) in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

De voorzieningenrechter geeft in deze uitspraak eerst een voorlopig oordeel over de vraag of de ontheffing rechtmatig is of niet. Daarna zal zij afwegen of de belangen van verzoekers om het besluit te schorsen al dan niet zwaarder wegen dan het belang van derde-partij om het besluit uit te voeren. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is voor de belangen van verzoekers.

Wettelijk kader

7. Met het bestreden besluit heeft verweerder aan derde-partij ontheffing verleend van de verboden in artikel 3.5, eerste, tweede en vierde lid van de Wnb en artikel 3.10, aanhef en eerste lid, onder 3, van de Wnb. Voor beide artikelen geldt dat een aanvraag om ontheffing moet worden getoetst aan de voorwaarden in artikel 3.8 van de Wnb.

8. Op grond van artikel 3.5, eerste, tweede en derde lid van de Wnb is het onder meer verboden om in het wild levende dieren van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, deze soorten opzettelijk te verstoren en de voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen. De gewone dwergvleermuis is in onderdeel a van deze bijlage bij de Habitatrichtlijn opgenomen.

9. Op grond van artikel 3.10, aanhef en eerste lid, onder a en b van de Wnb is het onder meer verboden om in het wild levende zoogdieren en reptielen van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij de Wnb, opzettelijk te doden of te vangen en de vaste voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen. De das en de ringslang staan vermeld in onderdeel A van deze bijlage bij de Wnb.

10. In artikel 3.8 van de Wnb is het beoordelingskader opgenomen aan de hand waarvan een verzoek tot ontheffing van voornoemde bepalingen van de Wnb moet worden beoordeeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 3.8 wordt die ontheffing uitsluitend verleend als:
- geen andere bevredigende oplossing bestaat;

- de ontheffing nodig is in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

- geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de populatie van de betrokken soort.

In aanvulling op de redenen die in het vijfde lid van artikel 3.8 zijn opgesomd, kan voor de das en de ringslang de noodzaak voor ontheffing ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde. Dit volgt uit artikel 3.10, tweede lid, van de Wnb.

Beoordeling verzoek

11. Ter zitting hebben verzoekers opgemerkt dat wat zij hebben aangevoerd over de vereiste ontheffing voor de eekhoorn en het onderzoek naar de hazelworm en de boommarter geen bespreking hoeft, omdat een discussie over deze andere beschermde soorten via een handhavingsverzoek aan de orde gesteld kan worden.

Voldoet de ontheffing aan de voorwaarden uit de Wnb?

12. Verzoekers betwisten dat de herinrichting van het recreatiepark in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid is of dat sprake is van een andere dwingende reden van groot openbaar belang.

13. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de ontheffing voor de gewone dwergvleermuis is gebaseerd op het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang. Aan de ontheffing voor de das en de ringslang ligt ook ten grondslag dat de noodzaak is gelegen in de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van het gebied of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde.

14. Ter onderbouwing van het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid is in de ontheffing uiteengezet dat als gevolg van het project asbest zal worden verwijderd, omdat in vier bestaande recreatiewoningen asbest is geconstateerd. Ook draagt het project bij aan de vermindering van stikstofdepositie, omdat er minder recreatiewoningen terug worden gebouwd en deze woningen beter geïsoleerd zullen worden dan de huidige recreatiewoningen uit de jaren ’50 en ’60. Verder staat in de ontheffing onder het kopje dwingende reden van groot openbaar belang dat senioren de beoogde doelgroep van het recreatiepark zijn. Bij deze doelgroep bestaat een groeiende behoefte aan recreatiemogelijkheden met zorgfaciliteiten.

15. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder er bij de beoordeling van het belang vanuit is gegaan dat in een aantal recreatiewoningen asbest aanwezig is. Verzoekers stellen dat dit niet is onderbouwd met bijvoorbeeld een asbestinventarisatierapport.

Ter zitting heeft projectleider [C] toegelicht dat onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van asbest op het recreatiepark. Daarbij heeft hij gewezen op het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek’ van BOOT organiserend ingenieursburo B.V.. In dit rapport staat dat tijdens de terreinverkenning vier asbestverdachte daken met goot met hemelwaterafvoer op het maaiveld zijn waargenomen en twee asbestverdachte daken zonder goot. Wanneer deze daken daadwerkelijk asbesthoudend zijn, dan is de toplaag van de bodem ter plaatse van de afwateringszone/het lozingspunt verdacht op verontreiniging met asbest. In het rapport is geadviseerd om dit bij sloop en herinrichting ter plaatse van deze kavels/bouwwerken nader in beeld te brengen. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het verkennend bodemonderzoek niet kan worden afgeleid dat de dakbedekking van een aantal recreatiewoningen asbest bevat. Anders dan waarvan verweerder is uitgegaan staat dus (nog) niet vast dat als gevolg van de herontwikkeling asbest zal worden verwijderd.

Dit kan in de heroverweging in bezwaar nader blijken.

16. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het project een bijdrage levert aan de reductie van uitstoot van stikstof en dat dit in het belang is van de volksgezondheid, het milieu en het klimaat. Onder verwijzing naar rechtspraak over duurzame energiebronnen zoals windmolens stelt verweerder dat het tegengaan van klimaat- en milieuverandering een dwingende reden van groot openbaar belang kan zijn. Verweerder hanteert de vaste gedragslijn dat dit belang ook bij kleine projecten aan de orde kan zijn, zoals bij renovatie- of nieuwbouwprojecten waarbij oude woningen worden aangepast of vervangen door energiezuinige woningen. Verzoekers betwisten dat het project tot een vermindering van stikstofdepositie zal leiden, omdat de bebouwde oppervlakte van het recreatiepark zal toenemen en de recreatiewoningen intensiever gebruikt zullen gaan worden.

17. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het bijdragen aan de vermindering van de uitstoot van stikstof een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren, omdat dit gunstig is voor de volksgezondheid en het milieu. Een onderbouwing van het standpunt dat het project bijdraagt aan de vermindering van stikstof ontbreekt echter in het dossier. Derde-partij heeft ter zitting toegelicht dat in het kader van de bestemmingsplanprocedure berekeningen zijn gemaakt en een memo is opgesteld, maar deze stukken zijn niet bij de beoordeling van de ontheffingsaanvraag aangeleverd en ook niet in deze procedure ingebracht. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt welke milieueffecten het project heeft. Dit gebrek kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de heroverweging in bezwaar hersteld worden.

18. Derde-partij heeft in een aanvulling op de ontheffingsaanvraag van 26 juni 2019 nader toegelicht dat een groeiende behoefte bestaat aan recreatiewoningen voor het seniorensegment met mogelijkheden van ontzorging. Het recreatiepark zal verschillende diensten en faciliteiten aanbieden (comfort service). Volgens verweerder voorziet het project in een behoefte die speelt in de samenleving en levert het daarmee een bijdrage aan het openbare belang. De voorzieningenrechter is er door deze aanvulling niet van overtuigd dat de herontwikkeling naar een recreatiepark voor senioren kan worden aangemerkt als een dwingende reden van groot openbaar belang. Uit de rechtspraak1 blijkt weliswaar dat een maatschappelijke behoefte, zoals woningbouw, kan worden aangemerkt als een dwingende reden van groot openbaar belang, maar dit project gaat om recreatiewoningen voor senioren. Dat behoefte bestaat aan recreatiewoningen voor deze doelgroep is onvoldoende onderbouwing om te spreken van een groot openbaar belang.

19. Aan de ontheffing ligt ook nog het belang van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling zoals genoemd artikel 3.10, tweede lid, onderdeel a, Wnb ten grondslag. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit belang alleen van toepassing is voor zover ontheffing is verleend van de verbodsbepalingen voor de das en de ringslang. Omdat voor de ontheffing van de verbodsbepalingen van de gewone dwergvleermuis een noodzaak als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, van de Wnb aanwezig moet zijn en het project in zijn geheel is beoordeeld, kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat met de kap van de bomen geen verbodsbepalingen met betrekking tot de gewone dwergvleermuis worden overtreden, zoals verweerder stelt.

20. Verzoekers zijn nog van mening dat de in het kader van de vraag naar een andere bevredigende oplossing gemaakte alternatievenafweging onvoldoende is om te kunnen stellen dat die oplossing er niet is. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat de bezwaaradviescommissie adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren. Het is nog niet bekend of verweerder dit advies overneemt. De beslissing op bezwaar valt pas over enkele weken te verwachten.

De gemachtigde van verweerder benadrukt dat het om een motiveringsgebrek gaat dat hersteld kan worden.

21. In de ontheffing is uiteengezet dat de beoogde activiteiten in combinatie met de mitigerende maatregelen geen gevolgen hebben voor de gunstige staat van instandhouding van de vleermuis, das of ringslang. Gelet op de stukken, waaronder het door derde-partij ingebrachte Activiteitenplan, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om hieraan te twijfelen.


Conclusie voorlopig rechtmatigheidsoordeel

22. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de onderbouwing in het bestreden besluit dat het project in het belang is van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang tekort schiet. De motivering van de ontheffing doorstaat de voorlopige rechtmatigheidstoets dus niet.

Belangenafweging

23. De voorzieningenrechter zal nu de belangen wegen van verzoekers die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorziening en van verweerder en derde-partij die pleiten tegen het treffen daarvan. Derde-partij heeft er belang bij dat vrij snel gestart kan worden met het kappen, zodat de kap klaar is voordat het broedseizoen begint. Verzoekers hebben belang bij behoud van de huidige situatie zolang niet zeker is of het project al dan niet op planologische bezwaren stuit. Zij geven aan dat zij willen voorkomen dat een kaalslag op het recreatiepark plaatsvindt waardoor de leefomgeving van verschillende diersoorten wordt aangetast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat een aantal bomen gekapt moet worden, omdat deze voor een onveilige situatie kunnen zorgen als het hevig gaat stormen. Verzoekers hebben geen bezwaar tegen de kap van onveilige bomen.

Gelet op het in overweging 17 geconstateerde gebrek zal verweerder in de beslissing op bezwaar nader moeten onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang. Het is niet te voorspellen in welke mate verweerder daarin zal slagen. Gelet hierop en omdat de kap van de bomen onomkeerbaar is, laat de voorzieningenrechter de belangen van verzoekers zwaarder wegen dan de belangen van derde-partij en verweerder. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding een voorziening te treffen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat partijen niet van mening verschillen over de noodzaak van de kap van onveilige bomen zoals genoemd in de bijlagen bij het dunningsplan.

Slotsom

24. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot schorsing van de ontheffing toewijzen. Het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar voor zover de ontheffing ziet op de bomenkap anders dan om veiligheidsredenen. Derde-partij mag, mits goed onderbouwd, onveilige bomen kappen. Verzoekers hebben om een langere termijn voor de schorsing verzocht, maar daarvoor ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de betrokken belangen geen aanleiding.

25. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Van proceskosten van verzoekers die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op

bezwaar voor zover de ontheffing ziet op de bomenkap anders dan om veiligheidsredenen:

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan verzoekers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 januari 2009, ECLI;NL:RVS:2009:BH0446.