Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5852

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2019
Datum publicatie
16-12-2019
Zaaknummer
7512893
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige hinder door hoge boom in achtertuin (art 5:37 BW). Snoei boom gelast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7512893 UC EXPL 19-1258 BEv/35170

Vonnis van 4 december 2019

inzake

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

verder gezamenlijk ook te noemen [eiser sub 1] c.s.,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A. Aaryf,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, die tevens gericht was tegen [A] en [B] ;

- de brief van 22 februari 2019 van [A] en [B] ;

- het verweerschrift van [gedaagde] van 25 februari 2019 met een eis in reconventie, inclusief bijlagen;

- het tussenvonnis van 27 maart 2019, waarin een comparitie is bepaald.

1.2.

De comparitie is gehouden op 8 oktober 2019. Tijdens de comparitie waren de heer [eiser sub 1] en de heer [eiser sub 2] , bijgestaan door hun gemachtigde,

mr. A. Aaryf, aanwezig. Op de zitting waren eveneens de heer [gedaagde] en de partner van [gedaagde] , mevrouw [C] , aanwezig. De heer [A] en zijn partner, mevrouw [B] , bijgestaan door hun gemachtigden, de heer [D] en de heer [E] , waren ook aanwezig. Door en namens partijen is antwoord gegeven op de vragen van de kantonrechter en zijn de standpunten nader toegelicht. Van deze zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

[eiser sub 1] c.s. heeft naast [gedaagde] tevens [A] en [B] gedagvaard, omdat volgens hem niet duidelijk was of de boom mede op het perceel van de buren van [gedaagde] , te weten [A] en [B] , ligt of althans hun medewerking is vereist voor het snoeien van de boom. [A] en [B] hebben verklaard dat zij, indien de boom gesnoeid moet worden, daaraan medewerking zullen verlenen. Nadat [A] en [B] ter zitting hebben aangegeven zich aan het oordeel van de kantonrechter te refereren, heeft [eiser sub 1] c.s. de eis ten aanzien van [A] en [B] ingetrokken. De ingestelde vorderingen zullen daarom alleen ten aanzien van [gedaagde] worden behandeld.

1.4.

Daarna volgt dit vonnis.

2 Het geschil

Achtergrond

2.1.

Het gaat in deze zaak om een in de tuin van [gedaagde] staande boom (zwarte Els), die overlast geeft aan [eiser sub 1] c.s. De (achter)tuinen van partijen liggen tegenover elkaar en zijn gescheiden door een vaart.

2.2.

Volgens [eiser sub 1] c.s. gaat het om een zeer grote boom, die door [gedaagde] gedurende een lange periode niet (voldoende) is gesnoeid en daardoor hinder toebrengt aan hem en zijn percelen. [eiser sub 1] c.s. stelt dat hij al een aantal jaren [gedaagde] probeert te bewegen de boom te snoeien, dit echter zonder resultaat.

2.3.

[eiser sub 1] c.s. stelt dat de overlast van de boom bestaat uit het onevenredig veel wegnemen van licht en lucht, waardoor hij veel last heeft van schaduw op zijn percelen. Ook is er overlast door bladval en zaden van de boom. [eiser sub 1] c.s. vreest daarnaast dat de boom bij hevige wind zal omvallen, omdat de boom topzwaar is. Volgens [eiser sub 1] c.s. is er sprake van asymmetrische wortels omdat deze niet kunnen doorgroeien in de vaart, die tussen de percelen van [eiser sub 1] c.s. en [gedaagde] ligt. De boom staat daardoor minder stevig. Een probleem dat alleen maar groter wordt wanneer de boom blijft doorgroeien.

2.4.

[eiser sub 1] c.s. stelt ook schade te lijden door de verminderde productiviteit van zijn zonnepanelen door schaduwwerking van de boom.

Eis in conventie

2.5.

Omdat [gedaagde] niet heeft gereageerd op brieven van [eiser sub 1] c.s., waarin om snoei van de boom wordt gevraagd, is [eiser sub 1] c.s. deze procedure gestart. Gezien het voorgaande vordert hij nu, samengevat, het volgende:

  • -

    snoei van de boom conform het rapport van [bedrijfsnaam 1] (rapport van de bomendeskundige, overgelegd als productie 3 bij de dagvaarding);

  • -

    betaling van de kosten voor het uitvoeren van een bezonningsstudie en een onderzoek naar de staat van de boom;

  • -

    betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proces- en nakosten, met rente.

Het verweer

2.6.

[gedaagde] stelt dat uit het rapport van [bedrijfsnaam 2] (de bezonningsstudie) niet volgt dat dat er door de boom onevenredig veel zonlicht wordt weggenomen. Bomen veroorzaken daarnaast altijd schaduw en een zekere mate van schade als gevolg daarvan is een maatschappelijk risico dat [eiser sub 1] c.s. heeft te aanvaarden.

2.7.

Hetzelfde heeft volgens [gedaagde] te gelden voor de overlast als gevolg van afval uit de boom. Hij stelt dat alle soorten beplanting blad, takjes en zaadjes verliezen. Gezien de situering van de boom kan dit volgens [gedaagde] geen onrechtmatige hinder opleveren. Mocht er al veel afval uit de boom vallen, dan zal dit in de vaart tussen de percelen terecht komen en niet direct op de percelen van [eiser sub 1] c.s.

2.8.

Dat de zonnepanelen op de daken van de huizen van [eiser sub 1] c.s. minder opbrengen als gevolg van de schaduw van de boom, is door [eiser sub 1] c.s. niet onderbouwd, aldus [gedaagde] . Bovendien, zo stelt hij, zijn de zonnepanelen geplaatst op het moment dat de boom er al stond. [eiser sub 1] c.s. kon dus weten dat er enige schaduwwerking van de boom zou optreden. Als gevolg daarvan heeft hij meer te dulden.

2.9.

[gedaagde] stelt dat er geen sprake is van een zodanige gevaarzetting door de boom dat dit zou moeten leiden tot de gevorderde snoei. Hij stelt dat het gevaar van de boom door [eiser sub 1] c.s. slechts wordt vermoed en gevreesd. Uit het rapport van [bedrijfsnaam 1] blijkt volgens [gedaagde] niet dat er op dit moment sprake is van een gevaarlijke boom, maar dat er in de toekomst slechts enkele takken kunnen afbreken.

2.10.

Gezien het voorgaande veroorzaakt de boom volgens [gedaagde] geen onrechtmatige hinder en moet de vordering van [eiser sub 1] c.s. worden afgewezen.

Eis in reconventie

2.11.

[gedaagde] heeft ook een tegenvordering (eis in reconventie) ingesteld. [gedaagde] vordert betaling van zijn proceskosten en een excuusbrief van [eiser sub 1] c.s. vergezeld van een bos bloemen als genoegdoening voor de situatie die is ontstaan met betrekking tot de boom.

3 De beoordeling

Onrechtmatige hinder

3.1.

Ingevolge artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW) mag de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 3 mei 1991, NJ 1991, 476) is het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Mede van belang is of degene die zich over hinder beklaagt, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinderveroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal hij een zeker mate van hinder hebben te dulden (HR 18 september 1998, NJ 1999, 69).

3.2.

Beide partijen hebben diverse foto’s in deze procedure overgelegd waaruit de feitelijke situatie met betrekking tot de boom goed valt af te leiden. Op de foto’s is te zien dat de boom is gesitueerd in een stadse omgeving, waarin de tuinen van de bewoners een geringe omvang hebben en dicht op elkaar zijn gelegen.

3.3.

Uit de door [eiser sub 1] c.s. overgelegde rapporten van [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] volgt dat de boom onevenredig veel zonlicht uit de woningen van [eiser sub 1] c.s. wegneemt. Op pagina 2 van het rapport van [bedrijfsnaam 1] valt immers het volgende te lezen:

“Doordat de boom enkele meters hoger is dan de woonbebouwing in de [straatnaam 1] en dicht op de achtertuinen van de percelen op de aan de noordzijde aangrenzende [straatnaam 2] staat, is er sprake van een behoorlijke invloed op de lichtsituatie in deze achtertuinen.”

Op pagina 3 van hetzelfde rapport staat ook:

“In opdracht van de eigenaren van de percelen [straatnaam 2] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 3] is door derden een technische schaduwanalyse uitgevoerd waarin de door de boom veroorzaakte schaduw op meerdere tijdstippen van de dag voor verschillende delen van het jaar inzichtelijk is gemaakt. Uit deze studie komt naar voren dat de betreffende els wel tot een behoorlijke belemmering m.b.t. de lichttoetreding in de aan de noordzijde aangrenzende achtertuin leidt.”

In de conclusie van het rapport van [bedrijfsnaam 2] van 18 december 2018 is vervolgens op pagina 15 te lezen:

“De esdoornachtige boom van [straatnaam 1] [nummeraanduiding 4] is enigszins gesnoeid geweest. Echter de boom groeit op dit moment snel weer terug naar de oude omvang en hoger. De schaduwhinder zal daardoor verder toenemen.”

3.4.

Het verweer van [gedaagde] dat de rapporten inhoudelijk niet kloppen, kan niet slagen. [gedaagde] stelt dat de boom slechts een beperkt aandeel in de schaduw oplevert en dat in het geheel niet duidelijk is of de gevorderde snoei tot een afname van de door [eiser sub 1] c.s. ervaren schaduwhinder zal leiden. [gedaagde] heeft echter nagelaten zijn stellingen op dit punt te onderbouwen, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Hij had bijvoorbeeld een contra-expertise kunnen laten uitvoeren. Dat is niet gebeurd. De kantonrechter moet daarom van de juistheid van de door [eiser sub 1] c.s. overgelegde rapporten uitgaan.

3.5.

Een woning en een tuin zijn een kostbaar bezit. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat [eiser sub 1] c.s. wordt beperkt in het gebruik van zijn woningen en tuinen door de beperkte daglichttoetreding. Bovendien vindt de hinder plaats in een stedelijk gebied, waar men een boom van een dergelijke omvang, gezien de beperkte ruimte, niet hoeft te dulden. Op pagina 2 en 3 van het rapport van [bedrijfsnaam 1] staat immers:

“De kroon met een diameter van ca. 10 meter neemt ongeveer de helft van de ruimte tussen de achtergevels in die op een onderliggende afstand van ca. 20 meter liggen.

(…)

Naast deze technische studie kan in deze specifieke situatie meegewogen worden dat het gaat om een buurt met vrij kleine kavels en vrij ondiepe achtertuinen. De woonbebouwing bestaat uit samenhangende linten met drie verdiepingen en soms hierboven nog een gedeeltelijke dakverdieping. De tuinen zijn dus relatief klein waardoor de impact van een object met een grootte en omvang van de els groot is. Men zou het ook zo kunnen formuleren dat de boom erg groot is binnen de (kleinschalige) omgeving waarin hij staat.”

3.6.

Tijdens de comparitie heeft [eiser sub 1] c.s. aangegeven dat de boom er al stond toen hij zich in de [straatnaam 2] vestigde. Er mag echter worden aangenomen dat de boom toen nog niet de omvang had die deze thans heeft. Daarbij komt dat [eiser sub 1] c.s. niet hoefde te verwachten dat [gedaagde] in het geheel geen onderhoud (in de zin van snoeien) aan de boom zou plegen. Van een goede buur mag in zijn algemeenheid worden verwacht dat onderhoud gepleegd wordt aan bomen die overlast kunnen geven op buurpercelen.

3.7.

Reeds op basis van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat er sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. De andere door [eiser sub 1] c.s. aangevoerde redenen (afval afkomstig van de boom, het minder renderen van de zonnepanelen en het gevaar van de boom) behoeven daarom geen verdere bespreking meer.

3.8.

De hinder is echter niet zodanig dat deze tot het kappen van de boom zou moet leiden. De aanwezigheid van de boom en de daarmee samenhangende reguliere overlast op zichzelf, is een feit dat [eiser sub 1] c.s. zal moeten dulden. De boom was immers reeds aanwezig toen hij ter plaatse kwam wonen. Nu er wel sprake is van onrechtmatige hinder, zal de vordering tot snoei van de boom conform het in het rapport van [bedrijfsnaam 1] opgenomen advies worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

3.9.

Ook de gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, nu daartegen door [gedaagde] geen verweer is gevoerd. Wel ziet de kantonrechter aanleiding de dwangsom ambtshalve te bepalen op € 250,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.10.

[eiser sub 1] c.s. vordert ook € 462,50 aan buitengerechtelijke incassokosten. [eiser sub 1] c.s. heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat deze kosten niet te beschouwen zijn als kosten ter instructie van de zaak of ter voorbereiding van de gedingstukken, maar dat het kosten betreffen die gemoeid zijn met brieven die namens hen door hun advocaat of rechtsbijstandsverzekeraars zijn geschreven, en de kosten die zijn gemaakt in verband met pogingen om de zaak in der minne op te lossen. Het gevorderde bedrag komt overeen met de geldende regelgeving en zal daarom worden toegewezen.

Kosten rapporten [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2]

3.11.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 338,80 ter zake van de kosten van het rapport van [bedrijfsnaam 1] en het gevorderde bedrag van € 1.718,31 ter zake de kosten van het rapport van [bedrijfsnaam 2] , overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser sub 1] c.s. heeft gesteld dat hij deze kosten heeft gemaakt om zijn stelling dat er sprake is van een risicoboom en een boom die voor hinder zorgt, nader te onderbouwen. [eiser sub 1] c.s. grondt deze vordering op artikel 6:96 lid 2 sub b BW, dat bepaalt dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ook als vermogensschade zijn aan te merken. De verschuldigdheid van deze kosten op deze grond is niet door [gedaagde] inhoudelijk tegengesproken.

3.12.

Nu er sprake is van onrechtmatige hinder, is [gedaagde] ook aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende vermogensschade. De betreffende vordering tot betaling van deze kosten is dan ook toewijsbaar.

Proceskosten

3.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 100,93

- griffierecht € 231,00

- salaris gemachtigde € 360,00 (2 punten x tarief € 180,00)

totaal € 691,93

De nakosten, waarvan [eiser sub 1] c.s. betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De rente zal als niet weersproken worden toegewezen.

Reconventionele vordering

3.14.

Zoals onder 2.11. is beschreven heeft [gedaagde] ook een tegenvordering ingesteld. Hij stelt onder andere in verband met deze zaak verschillende kosten te hebben gemaakt die hij vergoed wenst te zien. De bewijslast daarvoor ligt op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij [gedaagde] , omdat hij degene is die aan zijn gelijk het gevolg verbindt dat [eiser sub 1] c.s. zijn proceskosten moet betalen. Hij is daarin niet geslaagd. Uit niets blijkt immers welke kosten hij precies heeft gemaakt. Bovendien komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zijn vordering tot het verbod van snoei van de boom, zoals blijkt uit de beoordeling in conventie, moet worden afgewezen. Dit geldt ook voor de vordering van een excuusbrief met bos bloemen.

3.15.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat er enige inhoudelijke werkzaamheden ten aanzien van de reconventionele vordering zijn verricht.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

4.1.

gebiedt [gedaagde] de op zijn perceel gelegen zwarte Els op zijn kosten te laten snoeien door een door [bedrijfsnaam 1] aan te wijzen boomspecialist conform het in het rapport van [bedrijfsnaam 1] van 9 januari 2018 op pagina 4 opgenomen advies, binnen 28 dagen na betekening van dit vonnis;

4.2.

gebiedt [gedaagde] iedere 5 jaar de zwarte Els zodanig te snoeien dat de boom de omvang behoudt conform het in dat rapport van [bedrijfsnaam 1] op pagina 4 opgenomen advies;

4.3.

bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 4.1. en 4.2. bepaalde, aan [eiser sub 1] c.s. een dwangsom verbeurt van

€ 250,00 per dag, tot een maximum van € 10.000,00;

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 338,80 inzake het rapport van [bedrijfsnaam 1] ;

4.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.718,31 inzake de rapporten van [bedrijfsnaam 2] ;

4.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 462,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

4.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 691,93, waarin begrepen € 360,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

4.8.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiser sub 1] c.s. volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 90,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

- te vermeerderen met de wettelijke rente, indien betaling niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

4.9.

verklaart het voorgaande uitvoerbaar bij voorraad;

4.10.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

4.11.

wijst de vorderingen af;

4.12.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil;

4.13.

verklaart het voorgaande uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 december 2019.