Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5831

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-12-2019
Datum publicatie
12-12-2019
Zaaknummer
UTR 17/1951 en UTR 19/1394
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een revisievergunning en beroep tegen een wijzigingsvergunning over het motorcrossterrein van MCU. De voornaamste beroepsgronden zien op geluid en de geluidrapporten (metingen).

Beroepen ongegrond. Het college heeft de metingen en berekeningen van Peutz mogen volgen. Ook bij het crossen met tweetakt motoren is het niet aannemelijk dat sprake is van geluid met een tonaal karakter.

Geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel en een geluidwal is niet verplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 17/1951 en UTR 19/1394

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2019 in de zaken tussen

Stichting Milieugroep Zuilen, te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: drs. E.M. Korevaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Verkerk).

Als derde-partij heeft deelgenomen: Motor Crossvereniging Utrecht (MCU),

(gemachtigde: H. Reijnders.

Procesverloop

Procedurenummer UTR 17/1951

In het besluit van 22 maart 2017 (hierna: de revisievergunning) heeft verweerder aan MCU een omgevingsvergunning verleend voor de gehele inrichting voor het crossen met motorvoertuigen op het motorcrosscircuit aan de Isotopenweg 27 te Utrecht.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018. Namens eiseres was haar gemachtigde aanwezig, bijgestaan door ing. [A] en [B] . Namens verweerder waren zijn gemachtigden aanwezig, bijgestaan door drs. [C] en drs. [D] . Namens MCU was haar gemachtigde aanwezig, bijgestaan door ir. [E] .

Partijen hebben tijdens de zitting verklaard dat zij verder met elkaar in gesprek willen gaan.

Op de zitting hebben partijen daarover een aantal afspraken gemaakt. Die afspraken staan in het verkort proces-verbaal van 1 februari 2018 dat naar partijen is gezonden.

Op 2 februari 2018 heeft eiseres bij verweerder een verzoek om handhavend optreden ingediend omdat ze uit informatie op de website van de MCU heeft opgemaakt dat er tijdens wedstrijden óók met tweetakt motoren gereden zal worden.

Procedurenummer UTR 19/1394

In het besluit van 30 april 2018 heeft verweerder aan de MCU een omgevingsvergunning

milieuneutrale wijziging (hierna: de wijzigingsvergunning) verleend en besloten de

voorschriften 4.3.9 en 4.3.10 van de revisievergunning in te trekken.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze wijzigingsvergunning en zij heeft de

voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 19 juli 2018 op zitting behandeld. Aan het eind

van deze zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan1. De in die

uitspraak getroffen voorzieningen en de gedeeltelijke schorsing van de wijzigingsvergunning

golden tot aan de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

In het besluit van 19 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de

wijzigingsvergunning ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit ook beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting in beide procedures heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Namens eiseres was haar gemachtigde aanwezig, bijgestaan door ir. [F] . Namens verweerder waren zijn gemachtigden aanwezig, bijgestaan door [G] . Namens MCU was haar gemachtigde aanwezig.

Overwegingen

1. Sinds 1968 is op een gedeelte van het industrieterrein “Lage Weide” in Utrecht een motorcrosscircuit aanwezig. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: GS) heeft voor het industrieterrein op 22 juni 1993 een geluidzone vastgesteld.

Eerdere milieuvergunningen

2. In de beschikking van 29 november 1994 heeft GS aan MCU een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een motorcrossterrein met clubhuis. In de beschikking van 20 december 1995 is aan MCU een revisievergunning verleend. Deze vergunningen zijn per 1 oktober 2010 gelijkgesteld met omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). In het besluit van 27 maart 2013 heeft verweerder op verzoek van GS een aantal voorschriften van de geldende omgevingsvergunningen voor het motorcrossterrein met clubhuis gewijzigd.

Revisievergunning en wijzigingsvergunning

3.1

MCU is enkele jaren geleden gestart met het aanvragen van een nieuwe vergunning. Met een nieuwe vergunning zouden de oude vergunningen kunnen worden geactualiseerd en in overeenstemming kunnen worden gebracht met de bestaande en de gewenste activiteiten van MCU, en met de voortgeschreden technische ontwikkelingen. De aanvraag van 29 april 2014 heeft geleid tot de revisievergunning.

3.2

MCU heeft vervolgens op 11 april 2018 een aanvraag ingediend om twee voorschriften van de revisievergunning in te trekken. Het ene voorschrift luidt dat junioren alleen op de juniorenbaan mogen crossen en het andere voorschrift dat binnen de inrichting alleen met

viertakt motoren mag worden gecrost. De aanvraag heeft geleid tot de wijzigingsvergunning.

Beoordeling revisievergunning (UTR 17/1951)

4. Eiseres heeft in haar beroepschrift en haar aanvullingen daarop een aantal formele en een aantal inhoudelijke gronden aangevoerd. De formele gronden gaan kort gezegd over onbehoorlijk bestuur, onlosmakelijke samenhang, zonebeheer, grondslag van de aanvraag en de plicht tot een milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.). Op de zitting van 12 september 2019 heeft eiseres er nog op gewezen dat de beroepsgrond over de m.e.r. ook betrekking heeft op de effecten van de stikstofdepositie. Inhoudelijk gaan de beroepsgronden over de vraag of het geluid, veroorzaakt op het motorcrossterrein, leidt tot onaanvaardbare geluidhinder voor de omwonenden. Eiseres gaat daarbij vooral in op het geluidsonderzoek en de rapportages daarover en op het tonale karakter van het motorgeluid.

Stikstofdepositie

5. Aan het eind van de tweede zitting heeft de gemachtigde van eisers opgemerkt dat de beroepsgrond over de m.e.r. ook ziet op de bijdrage die de activiteiten van MCU leveren aan de stikstofdepositie. Uit pagina 5 van de Notitie van 12 februari 2014 van Peutz blijkt dat de bijdrage ter hoogte van het Natura 2000-gebied op ongeveer 3,8 km ten noordoosten van het circuit ongeveer 0,02 mol N/ha/jaar bedraagt. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende onderbouwd dat dit geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied en zij heeft daarvoor ook verwezen naar de zogenoemde PAS-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)2.

6.1

In haar beroepschrift heeft eisers onder het kopje “Gronden m.e.r.” het volgende opgenomen:

“De Stichting is van mening dat nog onvoldoende is aangetoond dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Naar de mening van de Stichting geldt eerder het tegenovergestelde. De vergunning leidt wel degelijk tot belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor een m.e.r. procedure noodzakelijk was. Gewezen wordt onder andere op een forse toename van geluid. Dit is onvoldoende beoordeeld, zie ook zienswijze 2 onder b van de Stichting op de ontwerp vergunning.

Voor het overige zijn de zienswijze van de Stichting m.b.t. het aspect m.e.r (zienswijze 2) niet of onvoldoende van reactie voorzien in bestreden besluit. Deze zienswijze wordt derhalve integraal als grond ingebracht voor dit beroep.”

6.2

De rechtbank ziet in deze tekst geen beroepsgrond over stikstofdepositie. De enkele opmerking over ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’ vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende. Bij deze opmerking wijst eiseres namelijk onder andere op een forse toename van geluid en verwijst zij verder naar punt 2 onder b van haar zienswijze. Ook punt 2 onder b van de zienswijze gaat alleen over geluidsbelasting. De verwijzing naar de integrale inhoud van de zienswijze vindt de rechtbank ook onvoldoende. Weliswaar heeft eiseres in haar zienswijze vraagtekens gezet bij de berekende stikstofdepositie maar verweerder is in de revisievergunning ingegaan op deze zienswijze. In het beroepschrift heeft eiseres geen redenen aangevoerd waarom de beantwoording van haar zienswijzen op dit punt onjuist zou zijn. Pas aan het eind van de tweede zitting heeft eiseres toegelicht welk bezwaar zij nog had en heeft zij gewezen op de stikstofdepositie en de PAS-uitspraak. Dat vindt de rechtbank te laat omdat zowel verweerder als de rechtbank zich daarop niet hebben kunnen voorbereiden. De rechtbank ziet daarom aanleiding deze toelichting van eiseres wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Onbehoorlijk bestuur

7. Eiseres is van mening dat het verlenen van de revisievergunning zonder de vereiste waarborg dat een geluidswal wordt opgericht, niet in overeenstemming is met de gedane toezeggingen hierover. Verweerder schendt daardoor het vertrouwensbeginsel.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij geen toezeggingen heeft gedaan over de geluidswal. Omdat verweerder wel het belang inziet van een geluidswal heeft hij met MCU, omwonenden en het naastgelegen bedrijf gesprekken gevoerd over mogelijke geluidwerende voorzieningen. Het verbinden van voorwaarden aan de revisievergunning is niet mogelijk omdat deze past in het bestemmingsplan en voldoet aan het geldende geluidsregime.

9.1

Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht moeten drie stappen worden doorlopen3. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid.

9.2

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder aan haar de toezegging heeft gedaan dat een vergunning alleen zou worden verleend als er ook een geluidswal zou worden opgericht. Uit de stukken die partijen hebben ingestuurd, blijkt dat in ieder geval niet. Verweerders brief van 22 maart 2017 aan de gemeenteraad van Utrecht maakt ook duidelijk onderscheid tussen de beslissing op de aanvraag om een revisievergunning en de gesprekken die zijn gevoerd. Dat een geluidswal wenselijk zou zijn, erkent (ook) verweerder maar dat is iets anders dan dat een toezegging is gedaan. Het voorgaande betekent dat eiseres geen gerechtvaardigd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel en dat de tweede en derde stap geen bespreking meer behoeven. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Onlosmakelijke samenhang

10. Eiseres voert aan dat sprake is van een dusdanige onlosmakelijke samenhang tussen de voorgenomen geluidswal en deze revisievergunning, dat deze revisievergunning niet 'los' verleend had kunnen worden van de voor de geluidswal benodigde omgevingsvergunning .

11. Verweerder is van mening dat er geen sprake is van onlosmakelijke samenhang. De revisievergunning kan worden verleend omdat voldaan wordt aan de geldende geluidnormen. In dat geval kan MCU niet worden verplicht om een geluidswal op te richten.

12.1

Artikel 2.7 van de Wabo gaat over onlosmakelijke samenhang. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als één feitelijke handeling leidt tot meerdere vergunningplichten als bedoeld in artikel 2.1 of artikel 2.2 van de Wabo. Deze situatie doet zich hier niet voor. Het oprichten van een geluidswal is een fysiek te onderscheiden activiteit en kan los worden gezien van de revisievergunning. Er is daarom geen sprake van onlosmakelijke samenhang. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Zonebeheer

13. Eiseres merkt op dat Peutz kennelijk heeft getoetst aan de beschikbare geluidsruimte aangereikt door de zonebeheerder in 20134. In de revisievergunning is alleen aangegeven dat “de zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde bedrijven binnen de beschikbare geluidsruimte voor het betreffende industrieterrein past”. Uit deze omschrijving is niet op te maken of bij de zonetoets rekening is gehouden met de vergunde of actuele geluidimmissie van op het industrieterrein gevestigde bedrijven. De actuele situatie komt niet meer overeen met de geluidsituatie uit 2013 en verweerder heeft bij het verlenen van de revisievergunning dus ten onrechte geen rekening gehouden met de inmiddels vergunde geluidsruimte per 22 maart 2017.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het akoestisch rekenmodel van de aanvraag van MCU in 2014 is verwerkt in het zonebeheermodel. Bij bedrijven die daarna (geluid)activiteiten hebben aangevraagd, is bij de inpasbaarheid in het zonebeheer dus getoetst aan de situatie inclusief de nieuwe aanvraag van MCU. De verklaring van de zonebeheerder ziet daarom op een beoordeling inclusief de actueel vergunde geluidimmissie van de overige bedrijven. Bij de beantwoording van de zienswijze van eiseres is aangegeven dat is "getoetst aan de geluidszone rondom het industrieterrein". Dit is een gebruikelijke verkorte schrijfwijze. Dit impliceert dat er is getoetst aan alle grenswaarden; zowel ter plaatse van de woningen als buiten de zone 50 dB(A).

15.1

Het motorcrosscircuit ligt op het industrieterrein Lage Weide. Rondom dit industrieterrein ligt een wettelijke geluidszone die als ‘geluidsruimte’ van het totale industrieterrein geldt. Door middel van zonebeheer wordt het geluid op het industrieterrein beheerd. Verweerder is in dit geval zonebeheerder. Dit alles is vastgelegd in de hoofdstukken V en XIV van de Wet geluidhinder (Wgh). Als een bedrijf een nieuwe activiteit wil uitvoeren of als een nieuw bedrijf zich op het terrein wilt vestigen, kijkt de zonebeheerder of dit past in de geluidsruimte van de zone van het industrieterrein. Buiten de zone mag de geluidsbelasting van alle inrichtingen op dit gezoneerde industrieterrein niet groter zijn dan 50 dB(A).

15.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de manier waarop hij toetst aan het zonemodel, en vooral het moment waarop hij dat doet, voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze wijze van toetsen niet juist is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nogmaals toegelicht dat de geluidsbelasting van het motorcrosscircuit in het zonemodel is ingevoerd op het moment dat de aanvraag van MCU ontvankelijk was. Dat betekent dat alle daaropvolgende aanvragen van andere bedrijven zijn of worden getoetst aan het zonebeheerplan inclusief de geluidsbelasting van de door MCU aangevraagde (en later verleende) omgevingsvergunning. Met andere woorden een ontvankelijke aanvraag is leidend voor het model om te voorkomen dat een latere aanvraag voor een omgevingsvergunning met een korte doorlooptijd geluidsruimte ‘opsnoept’ van een eerdere aanvraag met een lange doorlooptijd. Door deze werkwijze hoefde verweerder dus op het moment dat hij de revisievergunning verleende niet te toetsen aan de geluidsruimte op

22 maart 2017. Over de controleerbaarheid van het systeem heeft verweerder verklaard dat hij eiseres heeft aangeboden dat zij het zonemodel mag komen inzien maar dat zij van die uitnodiging geen gebruik heeft gemaakt. De gemachtigde van eiseres heeft dat ter zitting bevestigd. Wat eiseres aanvoert is daarom geen reden de verklaring van de zonebeheerder dat de geluidsbelasting van het motorcrossterrein inpasbaar is in de zone, niet te volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

15.3

Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder nog betoogd dat zou kunnen worden volstaan met toetsing aan het zonebeheermodel/zonebeheerplan. Dit betoog volgt de rechtbank niet. Het zonebeheerplan kan volgens vaste rechtspraak niet gebruikt worden als toetsingskader bij vergunningverlening5. Een aanvraag om een omgevingsvergunning moet dus ‘gewoon’ worden getoetst aan de grenswaarden van de Wgh.

Geluid en geluidmeting

16. Tijdens de zitting heeft eiseres haar gronden over de geluidsruimte binnen de zone, de onduidelijkheid over bijlagen 7.1 en 7.2 van de geluidrapportage van Peutz en de vergunningvoorschriften 4.2.1, 4.2.4, 4.3.4, 4.3.5 en 4.3.6 ingetrokken. De rechtbank zal hieronder de overblijvende beroepsgronden over “geluid(meting)” beoordelen.

17. Eiseres vindt (de modellering van) de geluidsrapportages van Peutz onjuist en onvolledig. Haar standpunt heeft zij onderbouwd met een notitie van 30 mei 2017 (inclusief geel gearceerde tekst in reactie op het verweerschrift) van ingenieursbureau DPA Cauberg Huygen (hierna: DPA). Eiseres vindt verder dat meetpunt 3 niet geschikt is om de geluidemissie richting kritische zonepunten in zuidelijke richting te controleren, omdat dit meetpunt dicht achter een hoge afscherming ligt. De geluidbijdrage vanwege de motorcross wordt daardoor gereduceerd. De drie meetpunten zijn daarnaast niet gelegen in de richting van de woonomgeving waar de hoogste geluidbijdrage ontstaat. De bewering van verweerder dat wanneer op deze meetpunten wordt voldaan aan de grenswaarden dit ook voor de woningen geldt, is onjuist.

18. Verweerder heeft in de wijzigingsvergunning verwezen naar de geluidsrapportage van Peutz van 10 april 2014 en de aanvulling daarop van 7 januari 2015. In het verweerschrift heeft verweerder gereageerd op de notitie van DPA van 30 mei 2017. Verweerder stelt dat meetpunt 3 op redelijk korte afstand ligt en bovendien openbaar toegankelijk is. Daarmee is het een geschikte meetlocatie. De effecten van afschermingen en reflecties van naburige gebouwen zijn in de berekeningen verdisconteerd en zullen dus ook bij de metingen optreden. In zuidelijke richting is volgens verweerder bovendien geen sprake van kritische zonepunten. De drie meetpunten liggen inderdaad niet in de richting van de meest nabijgelegen woningen maar in die richting is geen goed meetpunt op voldoende afstand mogelijk. Aangezien de geluidemissie op vrij voorspelbare wijze conform het rekenmodel op zal treden, vindt verweerder de drie meetpunten toch geschikt om te controleren of er bij de woningen aan de vergunde waarden wordt voldaan.

19. De rechtbank stelt vast dat Peutz voor de bepaling van de geluidsbelasting de methoden II.2 (geconcentreerde bronnen), II.8 (berekening van de overdracht) en II.10 (hybride methode) uit de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) heeft gehanteerd. De geluidbronnen zijn ten behoeve van het rekenmodel geschematiseerd met behulp van puntbronnen. Het baanverloop is gemodelleerd met behulp van hoogtelijnen om het effect van afscherming en verstrooiing van het geluid als gevolg van het geaccidenteerde motocrossterrein te verdisconteren. Ook zijn alle andere voor het geluid naar de omgeving relevante afschermingen, bodemgebieden etc. in het rekenmodel verwerkt.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde [G] verder uiteengezet dat bij het hanteren van deze rekenmethode sprake is van een drietrapsraket, waarbij eerst de maximumgrens wordt gemonitord, vervolgens de rekenpunten worden bepaald en daarna wordt gemeten of wordt voldaan. Er is dus een ingebouwde controle. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde methode onjuist is. Ten aanzien van de drie meetpunten heeft verweerder voldoende duidelijk gemaakt dat het hier gaat om controlepunten. De rechtbank volgt ook verweerders standpunt dat, omdat er geen discrepantie is tussen de berekening van de geluidemissie en de controle aan de hand van de meetpunten, met voldoende zekerheid kan worden geconcludeerd dat er ook bij de woningen aan de vergunde waarden wordt voldaan. Eiseres heeft haar stelling dat dit onjuist is niet onderbouwd zodat de rechtbank daarin geen aanleiding vindt verweerder niet te volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bronposities omroepinstallaties

20. Eiseres voert aan dat de bronposities van de geluidbronnen 0138 en 0139 (de omroepinstallatie met vijf speakers) ontbreken in figuur 3 in het geluidsrapport van Peutz van 10 april 2014, waardoor onduidelijk is of ze op de juiste wijze zijn gemodelleerd. De geluidbijdrage hangt niet alleen af van de emissie maar ook van de tijdsduur. De omroepinstallatie met vijf speakers is de geluidbron die tot de hoogste maximale geluidniveaus resulteert bij de woningen. Doordat gegevens ontbreken, is de geluidbijdrage niet controleerbaar. Dat geldt ook voor overige geluidbronnen zoals de shovel en de trekker die MCU gebruikt.

21. Verweerder wijst erop dat de omroepinstallatie alleen bij wedstrijden wordt gebruikt. Peutz is voor de omroepinstallatie uitgegaan van een bronvermogen van 110 dB(A) in voorwaartse richting en 100 dB(A) in achterwaartse richting en een effectieve bedrijfsduur van 0,5 uur per (wedstrijd)dag. De omroepinstallatie heeft uiteraard een luidere uitstraling in de richting van de crossbaan en per speakerlocatie is ook een rondomuitstralende bron gemodelleerd voor de overige richtingen. Volgens verweerder is het geluid van de omroepinstallatie, shovel en trekker verwaarloosbaar ten opzichte van het crossgeluid. Tijdens de zitting heeft verweerders gemachtigde er nog op gewezen dat bij nadere bestudering van het dossier is gebleken dat de geluidbronnen 0138 en 0139 wel zijn opgenomen in figuur 3.1 van bijlage 3 van de geluidrapportage van Peutz .

22. De rechtbank stelt allereerst vast dat de puntbronnen 0138 en 0139 inderdaad zijn opgenomen in figuur 3.1 van de geluidrapportage. De positie van deze bronnen is daarmee voldoende duidelijk. Op dat punt slaagt de beroepsgrond van eiseres dus niet. Over de geluidbijdrage door de omroepinstallatie merkt de rechtbank op dat vergunningvoorschrift 4.3.3 bepaalt dat de omroepinstallatie alleen in werking mag zijn op wedstrijddagen voor het doen van mededelingen. Vergunningvoorschrift 4.3.4 regelt dat de omroepinstallatie zodanig afgesteld moet zijn dat per luidsprekerpaal het maximaal bronvermogen van 110 dB(A) niet wordt overschreden. Eiseres heeft niets aangevoerd waaruit de conclusie kan worden getrokken dat deze voorschriften ontoereikend zouden zijn. In het geluidrapport van Peutz is zowel een training als een wedstrijd aangemerkt als “representatieve bedrijfssituatie”. Daarbij is ervan uitgegaan dat de omroepinstallatie slechts bij wedstrijden kortstondig wordt gebruikt voor het doen van mededelingen. Verder is rekening gehouden met overige voertuigbewegingen op het crossterrein, waaronder bestelbussen, twee trekkers en een shovel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de rekenresultaten geen aanleiding hoeven te vinden om nadere metingen te verrichten dan wel om in aanvulling op de metingen aan de hand van een bronmeting bij de omroepinstallatie een berekening te maken van de geluidsbelasting op de gevel van de hoogstbelaste woning. Duidelijk is immers dat het maximale geluidniveau in de (woon)omgeving wordt veroorzaakt door de crossmotoren. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Rekenpunt HW151-D3c

23. Eiseres voert aan dat onduidelijk is in hoeverre rekening is gehouden met de komst van een appartementencomplex met een beoordelingshoogte van 8,9 meter. De rekenresultaten zijn gebaseerd op een beoordelingshoogte van 5 meter en daardoor op dit punt niet

betrouwbaar.

24. Verweerder merkt op dat rekenpunt HWl51-D3c een onbebouwde kavel was. Omdat de geprojecteerde woning nooit is gerealiseerd, is op dit rekenpunt beoordeeld op 5 meter hoog. Na het indienen van de vergunningaanvraag door MCU heeft verweerder een aanvraag voor de bouw van een appartementencomplex ontvangen, Voor het appartementencomplex is een nieuwe hogere waarde verleend en die ligt op een hoogte van 8,9 meter.

25. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan verweerders toelichting dat voor het appartementencomplex een hogere grenswaarde is verleend. Daarmee is de vraag of het appartementencomplex gevolgen heeft voor de vergunning van MCU niet relevant. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bronhoogte maximale geluidniveaus

26. Eiseres voert aan dat er bij de berekening van de maximale geluidniveaus geen rekening mee is gehouden dat door het springen over de schansen (springbulten) tijdelijk sprake is van een hogere bronhoogte en dus een hogere geluidbijdrage ter plaatse van woningen. Zij benadrukt dat bij het verrichten van berekeningen de maximale geluidniveaus in de omgeving van motorcrossterreinen vaak worden onderschat.

27. Verweerder stelt dat de motorrijders juist bij het springen de gashendel loslaten, waardoor er op dat moment veel minder geluid wordt geproduceerd. Om die reden zit in het model geen bronhoogte voor springende motoren.

28. De rechtbank vindt verweerders standpunt voldoende aannemelijk. Eiseres heeft op geen enkele manier onderbouwd dat de crossmotoren bij het springen (dus ná de aanloop) meer geluid veroorzaken dan op de puntbronhoogte van 0,8 meter en dat daarom op een hoger punt moet worden gemeten. In het geluidrapport is daarnaast rekening gehouden met het geaccidenteerde karakter van het motorcrossterrein. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Aftrek meteocorrectieterm

29. Eiseres merkt op dat in het rekenresultaat rekening is gehouden met een aftrek door de meteocorrectieterm. Deze bedraagt bij de woningen aan de Amsterdamsestraatweg 3 dB(A). Uit de rapportagetekst blijkt dat dit gecompenseerd is met een verhoging van het bronvermogen met 2 dB. Hieruit maakt eiseres op dat de in de rapportage genoemde maximale geluidniveaus ter plaatse van woningen 1 dB te laag zijn ingeschat. Aangezien de berekende waarden exact overeenkomen met de grenswaarden uit de beschikking, betekent dit volgens eiseres dat de vergunde waarden worden overschreden.

30. Verweerder wijst erop dat bij de bepaling van LAmax een meteocorrectieterm moet worden toegepast en verwijst daarvoor naar de Handleiding. In het rapport van Peutz is in paragraaf 5.3.2. uitgelegd dat een marge van 2 dB is toegepast vanwege wisselingen in de overdracht van het geluid door meteorologische variaties.

31. In de Handleiding is opgenomen dat de beoordeling van geluiden die kortstondig optreden, veelal plaatsvindt aan de hand van LAmax. Het maximale A-gewogen geluidsniveau LAmax is gebaseerd op de hoogste aflezing in de meterstand `fast'. Op deze afgelezen waarde wordt de meteocorrectieterm toegepast. Dit houdt in dat bij metingen en/of berekeningen variaties in de geluidoverdracht als gevolg van wisselende weersomstandigheden kunnen worden verdisconteerd door toepassing van een meteocorrectieterm, waarbij op de berekende geluidsbelasting een aftrek wordt toegepast. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat Peutz in het akoestisch onderzoek is uitgegaan van onjuiste meteocondities of een onjuiste correctie. De notitie van DPA geeft geen onderbouwing voor de door eiseres genoemde 3 dB(A) en de gemachtigde van eiseres heeft dit ter zitting ook niet kunnen toelichten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Tonaal karakter

32. Eiseres voert aan dat in de geluidrapportage van Peutz niet wordt uitgesloten dat ook bij viertakt crossmotoren sprake kan zijn van een geluidbijdrage met een tonaal karakter. Als er sprake is van tonaliteit dan wordt de vergunde geluidsruimte overschreden

33. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tonaal geluid conform de Handleiding niet wordt meegenomen bij de zonetoets. Voor de geluidruimte en toetsing daarvan maakt het dus niet uit of sprake is van tonaal geluid. Voor de vergunningsvoorschriften zou het wel van belang kunnen zijn maar verweerder gaat ervan uit dat er, gelet op het voorschrift dat alleen met viertakt motoren mag worden gecrosst, geen sprake zal zijn van tonaal geluid. Mocht dat bij controle toch het geval blijken te zijn dan moet er op het gemeten niveau een starttoeslag van 5 dB(A) worden opgeteld. Als sprake is van overschrijding, kan handhavend worden opgetreden.

34. Volgens de Handleiding geldt voor geluid met een tonaal of impulsachtig karakter een toeslag van 5 dB(A). De toeslag geldt echter niet bij toetsing aan de geluidszone en bij hogere waardeprocedures. Als volgens de zone nog geluidsruimte “over” is, hoeft dus geen rekening te worden gehouden met een toeslag. Dit laat onverlet dat verweerder in de vergunningvoorschriften rekening kan houden met aanwezigheid van tonale geluiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiertoe geen aanleiding hoeven zien, nu volgens de revisievergunning alleen met viertakt motoren mag worden gecrosst. De enkele stelling van eiseres dat kennelijk niet uitgesloten kan worden dat er toch sprake zal zijn van tonaal geluid, is onvoldoende om het besluit op dit punt onzorgvuldig te achten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Grondslag aanvraag wordt verlaten

35. Eiseres merkt op dat in voorschrift 4.3.7 vermeld staat dat MCU middels een logboek of een registratiesysteem de crossuren en overschrijdingen moet bijhouden voor individuele motoren van 94 dB(A) gemeten volgens de dynamische meetmethode (vol gas op 7,5 meter afstand in de meterstand slow). De rijder wordt echter pas bij een niveau van 95 dB(A) gewaarschuwd. Vervolgens wordt gesproken over meetonnauwkeurigheid en wordt deze gebruikt om de grenswaarden op te rekken tot 96 dB(A). Het eigen systeem ter beperking van de geluidhinder gaat dus uit van andere en ruimere grenswaarden dan die waarop de aanvraag, vergunning en de geluidvoorschriften zijn gebaseerd. Hieruit concludeert eiseres dat met de voorgeschreven handelswijze niet aan de vergunde waarden kan worden voldaan en dat de grondslag van de aanvraag dus is verlaten.

36. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het akoestisch onderzoek uitgaat van de geluidnorm die is vastgesteld op 94 dB(A), gemeten op 7,5 m van een (volgas) passerende crossmotor. Het in het akoestisch onderzoek gehanteerde gemiddelde bronvermogen per crossmotor van 115 dB(A) is tot stand gekomen op basis van meettechnisch onderzoek. Op het motorcrossterrein wordt op twee posities gecontroleerd of er aan de 94 dB(A)-norm wordt voldaan: op een vast meetpunt ter hoogte van het kantinegebouw op ca. 7,5 m uit de rijlijn van de motoren (alwaar volgas wordt geaccelereerd) en op een door degene die gaat meten te kiezen meetpositie op 7,5 m uit de rijlijn. Dit betekent volgens verweerder dat er ruim voldoende zekerheid is dat het gemiddelde bronvermogen niet hoger is dan 115 dB(A).

37. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de grondslag van de aanvraag verlaten zou zijn. Er zijn geen significante verschillen tussen de aangevraagde en toegestane activiteiten. De rechtbank heeft ook geen aanwijzing dat verweerder de grenswaarden zou oprekken of dat getwijfeld moet worden aan de controle op de geluidnorm van 94 dB(A). Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

M.e.r.-procedure

38. Eiseres voert aan dat de revisievergunning leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zodat een m.e.r.-procedure noodzakelijk was.

39. Volgens verweerder is alleen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Op 21 februari 2014 heeft Peutz daarvoor een aanmeldnotitie ingediend. Verweerder is van mening dat hij in het m.e.r.-beoordelingsbesluit van 18 maart 2014 gemotiveerd heeft aangegeven waarom de voorgenomen activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu en een m.e.r.-procedure dus niet nodig is.

40. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een activiteit waarvan verweerder moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben6. Verweerder heeft in het besluit van 18 maart 2014 de kenmerken van de voorgenomen activiteit, de plaats van de activiteit en de kenmerken van het potentiele effect van de activiteit beoordeeld. Eiseres heeft niet toegelicht waarom dit besluit volgens haar niet juist is, anders dan door te wijzen op een forse toename van geluid. In de aanmeldingsnotitie is ingegaan op het geluid van de activiteit en verweerder heeft dit in zijn besluit beoordeeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunt om aan te nemen dat verweerder (de toename van) geluid niet of onvoldoende heeft betrokken bij zijn beslissing dat geen m.e.r. hoeft te worden opgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

41. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepsgronden tegen de revisievergunning niet slagen. Het beroep is daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beoordeling wijzigingsvergunning (UTR 19/1394)

42. Verweerder heeft in de wijzigingsvergunning twee voorschriften van de revisievergunning ingetrokken. De beroepsgronden tegen het intrekken van voorschrift 4.3.9. (junioren mogen alleen op de juniorenbaan crossen) en van voorschrift 4.3.10 (binnen de inrichting mag alleen met viertakt motoren worden gecrosst) zal de rechtbank hieronder beoordelen.

Geschonden vertrouwen

43. Eiseres voert aan dat het haar verbaast dat er volgens verweerder blijkbaar feiten en omstandigheden zijn die maken dat het verbod om te rijden met tweetakt motoren volledig wordt losgelaten. Wat deze feiten en omstandigheden zijn en waarom deze afwijken van de aanvraag uit 2014 en de revisievergunning is onvoldoende duidelijk. Eiseres had erop mogen vertrouwen dat dit voorschrift gehandhaafd zou blijven, vooral ook omdat verweerders reactie op haar zienswijze tegen de revisievergunning was dat er alleen met viertakt motoren zou worden gecrosst.

44. Verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat na het verlenen van de revisievergunning bleek dat MCU er vanuit ging dat de jeugd, die op tweetakt motoren crosst, gewoon kon blijven crossen. De nieuwe aanvraag zag erop het rijden op tweetakt motoren in de lichte klasse in overeenstemming met de feitelijke situatie te brengen. Eiseres heeft gelijk als ze zegt dat dat geen schoonheidsprijs verdient maar er is geen sprake van schending van vertrouwen volgens verweerder. Bij de revisievergunning is hij immers uitgegaan van de aanvraag en daarin stond het crossen op tweetakt motoren niet vermeld.

45. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een toezegging waaraan eiseres het vertrouwens kon ontlenen dat er niet (meer) met tweetakt crossmotoren zou worden gecrosst. Verweerders reactie op de zienswijze in de revisieprocedure is begrijpelijk aangezien verweerder zich baseerde op de aanvraag. Voor de nieuwe aanvraag voor een wijzigingsvergunning geldt dat verweerder hier een besluit op moet nemen. Als de aanvraag past binnen het geldende regime, is er voor verweerder geen reden om een vergunning te weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.

Toeslag tonaliteit

46. Eiseres voert aan dat het verrichten van metingen ter plaatse van ontvangerpunten (nabij woningen) de enige objectieve methode is om een uitspraak te kunnen doen over het tonale karakter van geluid. Ter plaatse zijn twee onderzoeken verricht door de omgevingsdienst. Deze metingen zijn volgens eiseres onbruikbaar voor de beoordeling of tweetakt rijden tonaal is of niet en zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de notitie van DPA van 16 november 2018. De stelling van verweerder dat naarmate er meer (twee)takt motoren in de baan zijn, er meer maskering optreedt van het geluid en het daarom niet relevant is dat tijdens de metingen niet volledig werd gereden met tweetakt kan eiseres niet volgen. Bovendien staat deze argumentatie haaks op onderzoeken en rechtspraak uit het verleden waarbij gesteld werd dat het aandeel tweetakt motoren zeker niet meer dan 50% mocht bedragen, wil er geen sprake zijn van tonaal geluid7.

47. Verweerder concludeert dat, ook als er volledig met tweetakt motoren wordt gereden, geen sprake is van tonaliteit en dat om die reden geen straffactor van toepassing is. Verweerder baseert zich hiervoor op het rapport van Peutz van 11 april 2018. Daarnaast heeft de RUD op 17 augustus 2018 en 8 september 2018 metingen uitgevoerd, waaruit blijkt dat bij trainingen en wedstrijden geen tonale geluiden te herleiden zijn die afkomstig zijn van de crossmotoren. Peutz en de RUD hebben gebruik gemaakt van de kritische bandbreedtemethode die beschreven staat in ISO 1996-2 Annex C. Deze methode kan worden beschouwd als een representatieve methode waarmee tonaliteit objectief kan worden vastgesteld8. Verweerder ziet daarom geen reden om een toeslag van 5 dB(A) toe te passen.

48. De rechtbank constateert dat verweerder voor het vaststellen en beoordelen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau de Handleiding heeft toegepast. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiseres te volgen in haar stelling dat de in de Handleiding opgenomen methode niet toereikend is. Bekend is dat het waarnemen van tonaal geluid een zekere subjectieve component heeft, maar de methode uit de Handleiding om de aanwezigheid van tonaal geluid vast te stellen is wel algemeen geaccepteerd. Hetzelfde geldt voor de zogenoemde “kritische bandbreedtemethode" als beschreven in ISO 1996-2, Annex C9. Uit de Handleiding volgt dat in het geval van geluid met een tonaal karakter op het gemeten of berekende langtijdgemiddelde deelgeluidsniveau vanwege de inrichting een toeslag van 5 dB in rekening moet worden gebracht. Als criterium geldt dat het tonale karakter van het geluid duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt. Aanvullend op het rapport van Peutz heeft verweerder twee metingen laten uitvoeren door geluidsdeskundige [G] van de RUD. Op de zitting heeft deze geluidsdeskundige bevestigd dat hij tijdens de geluidmetingen geen tonaal geluid vanwege het crossterrein op het beoordelingspunt heeft kunnen vaststellen. Vervolgens heeft hij een spectrum analyse van de metingen uitgevoerd waarbij hij als ‘worst case scenario’, alle samples waarin tonaal geluid is waar te nemen, achter elkaar heeft geplakt. Ook in dat scenario is er geen tonaliteit van de crossmotoren te herleiden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerders conclusie dat geen sprake is van tonaal geluid, onjuist is. Zoals hiervoor vermeld, volgt uit de Handleiding dat als criterium geldt dat het geluid duidelijk hoorbaar moet zijn op het desbetreffende beoordelingspunt. Het is niet onredelijk dat verweerder is afgegaan op het oordeel van de geluidsdeskundige van de RUD, zoals neergelegd in de rapporten van de twee metingen. Gelet op deze metingen en het rapport van Peutz van 11 april 2018 vindt de rechtbank het ook niet aannemelijk dat het geluid van de crossmotoren duidelijk als tonaal hoorbaar is ter plaatse van het beoordelingspunt. De beroepsgrond slaagt niet.

Niet milieuneutraal

49. Eiseres voert aan dat de gewenste wijzigingen/veranderingen ten onrechte middels een zogenoemde milieuneutrale wijziging10 zijn vergund. Onweersproken is immers dat de wijziging leidt tot een toename van 0,1 dB(A). In tegenstelling tot verweerder is eiseres van mening dat deze toename, hoewel beperkt, wel degelijk leidt tot grotere gevolgen voor het milieu. Volgens eiseres is er wel degelijk sprake van een andere inrichting omdat in de inrichting het gebruik van ander type motoren wordt toegestaan. Doordat nu crossen door de jeugd wordt toegestaan op de seniorenbaan is tenslotte sprake van de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

50. Verweerder stelt dat in de aanvraag, de revisievergunning en de beslissing op de bezwaren van eiseres voldoende is onderbouwd dat het intrekken van de twee voorschriften geen effect heeft op de milieuaspecten bodem, luchtkwaliteit, energie, afvalstoffen, geur, gebruik van water, ontstaan van afvalwater en externe veiligheid. De toename van 0,1 dB(A) vanwege het verplaatsen van de crossactiviteiten van de junioren naar de baan van de senioren is te verwaarlozen qua effect en de norm vanuit de geluidzone wordt daardoor ook niet overschreden. Verweerder is verder van mening dat het deels wijzigen van het type motor niet betekent dat er een wijziging naar een andere inrichting heeft plaatsgevonden.

De wijzigingsvergunning leidt volgens verweerder dan ook niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de revisievergunning van 22 maart 2017 is toegestaan.

51.1

Een omgevingsvergunning voor het milieuneutraal wijzigen van de werking van de inrichting kan worden verleend als voldaan is aan de volgende voorwaarden11:

- verlening van de omgevingsvergunning leidt niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan;

- er bestaat geen verplichting tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer;

- verlenen van de omgevingsvergunning leidt niet tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.

51.2

De rechtbank stelt over de m.e.r. vast dat verweerder zich heeft gebaseerd op het rapport van Peutz van 11 april 2018. Dit rapport gaat in op de kenmerken van de wijziging, de plaats van de wijziging en de kenmerken van het potentiële effect van de wijziging. Eiseres heeft niet toegelicht waarom verweerder de conclusies van dit rapport niet had mogen volgen. De beroepsgrond slaagt op dit punt dus niet. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat door de gedeeltelijke wijziging van het type motor geen sprake is van een andere inrichting: er is en blijft sprake van een motorcrossterrein met clubhuis. De rechtbank stelt tot slot met partijen vast dat door het crossen van de jeugd op de seniorenbaan sprake is van een toename van geluid met 0,1 dB(A). De geluidsdeskundige van de RUD heeft ter zitting toegelicht dat een toename van 0,1 dB(A) verwaarloosbaar is en niet leidt tot een overschrijding van de geluidsnorm. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt die conclusie het standpunt van verweerder dat de wijzigingsvergunning niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de revisievergunning was toegestaan. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

52. De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepsgronden tegen de wijzigingsvergunning niet slagen. Het beroep is daarom ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en

mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RBMNE:2018:3635

2 Uitspraak ABRvS van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603

3 Uitspraak ABRvS van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694

4 Zie rapport Peutz van 10 april 2014, pagina 5

5 Uitspraak ABRvS 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3124

6 Artikel 2 van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit Mer) in combinatie met categorie D43 uit de bijlage

7 Zie o.a. de uitspraak van de ABRvS van 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK8996

8 Zie o.a. de uitspraak van de ABRvS van 21 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9045

9 Zie noot 8

10 Artikel 3.10, derde lid, van de Wabo

11 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, in samenhang met artikel 2.14, vijfde lid, en 3.10, derde lid, van de Wabo.