Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5663

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
16/994001-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Mansfield. PGB-fraude. Geldboete van € 295.560,-. Verdachte verleende als organisatie zorg in het kader van PGB. Voldoende bewijs dat meer zorg werd gedeclareerd dan door de organisatie werd verleend. Een deel van de PGB-bedragen werd met de budgethouders gedeeld. Oplichting voor een bedrag van ruim 4,6 miljoen euro. De geldbedragen werden vervolgens witgewassen, onder andere d.m.v. de bouw van een appartementencomplex in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/994001-17 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 28 november 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] B.V. ,

gevestigd aan de [adres] , [vestigingsplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 februari 2019, 15 mei 2019 (regiezittingen), 8 en 28 oktober 2019 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek van de zaak is gesloten op de zitting van 14 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officieren van justitie mr. M.O. van Driel en mr. A.M.C.V. Fellinger (hierna in enkelvoud te noemen: de officier van justitie). Verdachte is op de zittingen van 19 februari 2019 en 15 mei 2019 vertegenwoordigd door haar bestuurder [medeverdachte 1] . Voor verdachte trad toen op als raadsman mr. M.H.H. Meulemeesters, die tevens raadsman was van [medeverdachte 1] . Op de zitting van 8 oktober 2019 heeft zowel [medeverdachte 1] als zijn (opvolgend) advocaat mr. J.P. Plasman verklaard dat verdachte niet door hen vertegenwoordigd wordt.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van wat de benadeelde partijen Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. en Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., beiden vertegenwoordigd door mr. I. Punt, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 8 oktober 2019 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

feit 1: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten, ten behoeve van het verkrijgen van PGB-vergoedingen, vals heeft opgemaakt

en/of

verdachte van deze facturen en zorgovereenkomsten gebruik heeft gemaakt door die in te dienen bij de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren;

feit 2: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 in Utrecht, samen met anderen, de Sociale Verzekeringsbank, het Zilveren Kruis en/of andere zorgverzekeraars/zorgkantoren en/of de gemeente Utrecht heeft opgelicht voor een bedrag van € 4.673.959,- door middel van het indienen van (onjuiste) zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaraties en facturen;

feit 3: verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met heden in Nederland en Turkije, samen met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van witwassen, voor een totaalbedrag van € 7.809.269,-.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank

4.2.1.

Korte samenvatting van de zaak (onderzoek Mansfield)

[verdachte] B.V. (hierna: [verdachte] ) was in de periode van 2014 tot en met begin april 2018 een Utrechtse zorgorganisatie. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren (respectievelijk als directeur, zorgcoördinator en (financieel) manager) werkzaam voor deze organisatie. [verdachte] had verschillende cliënten, budgethouders genoemd. Deze budgethouders beschikten over een persoonsgebonden budget (hierna: PGB).

Er zijn verschillende wetten op basis waarvan een PGB kan worden aangevraagd, namelijk (onder meer): de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (geldend tot 31 december 2014), de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Zorgverzekeringswet (hierna afgekort als: AWBZ, Wlz, Wmo en Zvw).

Ter verkrijging van gelden uit hoofde van een PGB werden bij het zorgkantoor, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de zorgverzekeringsmaatschappij zorgovereenkomsten, verantwoordingsformulieren, declaratieformulieren en facturen ingediend. Het Openbaar Ministerie verdenkt verdachte en haar medeverdachten ervan dat op deze documenten meer zorg werd vermeld dan door [verdachte] daadwerkelijk aan zorg werd geleverd. Volgens het Openbaar Ministerie werd vervolgens door verdachte in samenwerking met haar medeverdachten een deel van het ontvangen PGB-bedrag met de budgethouder gedeeld. Dit zou ook blijken uit de aangetroffen lijsten met namen van budgethouders, bedragen en percentages, welke lijsten door de opsporingsinstanties ‘verdeellijsten’ zijn genoemd. Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank hierna steeds van verdeellijsten spreken wanneer zij aan deze lijsten refereert.

4.2.2.

Inleidende overwegingen

Kern van het verwijt

De rechtbank stelt vast dat in de strafprocedure veel onderzoek is gedaan naar de verschillende verdeellijsten die bij [verdachte] zijn aangetroffen. De kern van het verwijt is echter niet dat er PGB-gelden zijn gedeeld met de budgethouders, maar dat [verdachte] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord. Bij de beantwoording van de vraag of de verantwoorde zorg daadwerkelijk is geleverd, spelen de verdeellijsten overigens wel een belangrijke rol.

Is de verantwoorde zorg geleverd?

Het is een feit van algemene bekendheid dat bij zorgorganisaties als [verdachte] het overgrote deel van de kosten die door de organisatie worden gemaakt, bestaat uit personeelskosten. Wanneer, zoals hierna bij de bespreking van de bewijsmiddelen zal worden toegelicht, een groot deel van de omzet van een dergelijke organisatie wordt gedeeld met de budgethouders is dit naar het oordeel van de rechtbank (minst genomen) een indicatie dat niet alle zorg is verleend.

Daarbij komt dat uit onderzoek van de Inspectie SZW (hierna: de Inspectie) op basis van onder meer roosters, planningen, presentielijsten en verklaringen van personeel volgt dat [verdachte] vermoedelijk maximaal 28,1% van de totaal gedeclareerde zorg geleverd heeft. Dit vormt een tweede aanwijzing dat niet alle zorg is geleverd.

In de derde plaats hebben verschillende budgethouders en hun familieleden verklaard, dat door [verdachte] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.

De rechtbank zal op grond van voornoemde feiten en omstandigheden tot de conclusie komen dat de betrokken instanties PGB-gelden hebben uitgekeerd, terwijl daar niet de zorg tegenover stond die aan hen werd gefactureerd. De rechtbank zal komen tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank eerst de oplichting (feit 2) behandelen, daarna feit 1 (valsheid in geschrifte) en vervolgens feit 3 (witwassen).

Bij de behandeling van feit 2 zal de rechtbank verschillende bewijsmiddelen opnemen, waaruit kan worden afgeleid dat op de aangetroffen verdeellijsten weergegeven geldbedragen ook daadwerkelijk met de budgethouders werden gedeeld overeenkomstig de op deze lijsten genoemde percentages. Het gaat hierbij onder meer om de verklaringen van budgethouders of hun familieleden, de betalingen aan budgethouders en de verklaring van [medeverdachte 3] .

4.2.3.

Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3 1

4.2.3.1. Inleiding

De rechtbank zal in de volgende paragrafen de bewijsmiddelen opnemen waarop zij haar oordeel baseert. In de eerste plaats wordt in deze bewijsmiddelen ingegaan op de (verschillende) regelgeving betreffende het PGB, op de organisatie [verdachte] en op de functies van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] binnen deze organisatie. Vervolgens worden bewijsmiddelen opgenomen die zien op de aangetroffen verdeellijsten. De rechtbank zal daarna een aantal verklaringen en onderzoeksbevindingen met betrekking tot enkele budgethouders opnemen, waaruit blijkt dat de zorggelden daadwerkelijk werden gedeeld met budgethouders. Ten slotte zullen onderzoeksbevindingen van de Inspectie worden opgenomen, waaruit blijkt dat [verdachte] niet alle zorg heeft kunnen leveren die werd gefactureerd en gedeclareerd.

4.2.3.2. Regelgeving PGB

Regelgeving AWBZ

Het PGB is vanaf 1995 tot en met 31 december 2014 door de Nederlandse Staat gefinancierd uit de AWBZ. De uitvoering is neergelegd bij de zorgkantoren.2

Het zorgkantoor controleert of de verantwoorde bedragen overeenkomen met het toegekende

budget. Daarna wordt door het zorgkantoor per jaar het definitieve PGB vastgesteld op basis van de ingediende verantwoordingsformulieren en wordt een eindafrekening opgemaakt. Daarnaast is vastgelegd dat in 5% van de gevallen door het zorgkantoor een intensieve controle op de verantwoording plaatsvindt, hetgeen inhoudt dat de onderliggende contracten, declaraties en bewijzen van de betalingen moeten worden overlegd aan het zorgkantoor.3

Regelgeving Wlz, Wmo en Zvw

Per 1 januari 2015 is de AWBZ gewijzigd. Zorgtaken vanuit de AWBZ zijn ondergebracht bij nieuwe en bestaande (zorg)wetten, namelijk de Wlz, de Wmo, de Zvw en de Jeugdwet (Jw).4

Bij vaststelling van de hoogte van het PGB op basis van de Zvw gaat de zorgverzekeraar uit van het aantal door een wijkverpleegkundige geïndiceerde uren. De budgethouder dient de door hem goedgekeurde declaraties in en de zorgverzekeraar keert het bedrag uit aan de budgethouder. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor de betaling aan de zorgverlener.5

De uitvoering van het PGB op basis van de Wlz is neergelegd bij de Zorgkantoren, daar dient een PGB op basis van de Wlz aangevraagd te worden. De uitvoering van het PGB op basis van de Wmo is neergelegd bij de gemeentes. De uitbetaling vanuit het PGB-budget voor Wlz en Wmo vindt plaats via de SVB. De uitbetaling kan plaatsvinden op twee manieren:

• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een uurloon af. In dat geval betaalt de SVB aan de zorgverlener uit op basis van ingediende facturen. Na controle van de declaratie door de SVB betaalt de SVB de declaraties uit.

• De budgethouder spreekt met de zorgverlener een vast maandbedrag af en dit wordt vastgelegd in een zorgovereenkomst. In dat geval betaalt de SVB de zorgverlener automatisch uit en dus niet naar aanleiding van een ingediende declaratie.6

Zilveren Kruis heeft op 22 augustus 2018 aangifte gedaan tegen [verdachte] , omdat zij door het indienen van valse documenten is bewogen tot het uitkeren, dan wel tot het als juist accorderen, van PGB-gelden.7

[getuige 1] , werkzaam bij de gemeente Utrecht, heeft op 28 november 2018 een verklaring afgelegd. Hij merkt in deze verklaring op dat de gemeente een onderzoek is gestart naar enkele budgethouders.8 Uit dit onderzoek komt onder andere naar voren dat door [budgethouder 1] zorg is gedeclareerd over een periode dat zij in het buitenland verbleef.9

4.2.3.3. [verdachte]

Organisatie

[verdachte] , gevestigd te Utrecht, is voor het eerst ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel op 13 juni 2014. Startdatum van de onderneming is 13 januari 2014.10 Als enig bestuurder staat geregistreerd [medeverdachte 1] .11

Functie [medeverdachte 1]

In het personeelshandboek van [verdachte] van 1 oktober 2016 staat dat [medeverdachte 1] directeur is.12

[medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat hij de directie ‘doet’ van [verdachte] . Hij zit iedere week de vergadering voor.13

Functie [medeverdachte 2]

In het personeelshandboek staat bij [medeverdachte 2] “zorgcoördinator” vermeld. Als taken van de zorgcoördinator staan onder meer omschreven:

• Vertegenwoordiging van de organisatie naar de buitenwereld.

• Afspraken maken omtrent zorg.

• Stelt de zorgteam samen voor de cliënt.

• Begeleiden van de begeleiders.14

[medeverdachte 2] heeft zelf verklaard dat van hem gezegd kan worden dat hij een leidinggevende functie heeft.15

Functie [medeverdachte 3]

Bij [medeverdachte 3] staat in het personeelshandboek “manager”. Als taken staan onder meer omschreven:

• Bedrijfsvoering: maakt begroting, beheert en bewaakt het budget en onderneemt actie bij evt. overschrijding

• Administratieve werkzaamheden

• Managen van de financiën en lease

• Facturen maken/facturen betalen16

[medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor verklaard dat hij de facturen maakte bij [verdachte] . Hij maakte de werkbrieven op basis van de informatie die hij kreeg van [medeverdachte 2] of de afdeling van

[medeverdachte 2] . Die werkbrieven waren de basis voor de facturen. Mensen die geen vast maandbedrag hadden, declareerden zelf hun facturen met behulp van DigiD. Van sommige cliënten werd de declaratie door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gedaan. Zij beschikten hiervoor over de DigiD van de cliënt om dit te kunnen doen. De zorgovereenkomsten werden volgens [medeverdachte 3] door [medeverdachte 2] gemaakt.17

4.2.3.4. Verdeellijsten

In de bedrijfsadministratie zijn de volgende verdeellijsten aangetroffen:

2014: 1 maand (alleen digitaal van januari tot en met mei 2014, tot en met april staan er percentages aangegeven, maar alleen bij januari zijn de bedragen ingevuld. Daarom is alleen januari meegenomen)

2015: 1 maand (digitaal van december 2015)

2016: 10 maanden (digitaal alle maanden van het jaar behalve november en december)

2017: 12 maanden (zowel fysiek als digitaal van alle maanden van het jaar)

2018: 3 maanden (digitaal de maanden januari tot en met maart)

Over de onderzoeksperiode van 1 januari 2014 tot en met maart 2018 (totaal 51 maanden) werden derhalve van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen waarop bedragen zijn ingevuld.18

De gegevens op de verdeellijsten zijn door het onderzoeksteam van de Inspectie gecontroleerd op juistheid. De op de verdeellijst genoemde namen van personen betreffen feitelijk, volgens de overige bescheiden in de bedrijfsadministratie, cliënten van [verdachte] . Van deze cliënten werden in de fysieke en digitale bedrijfsadministratie van [verdachte] onder meer facturen aangetroffen waarop zorg in rekening werd gebracht. De factuurnummers en factuurbedragen vermeld op deze facturen komen grotendeels overeen met de gegevens zoals die waren vermeld op de verdeellijst. Indien er bankbetalingen hebben plaats gevonden komen deze bedragen grotendeels overeen met de gegevens op de verdeellijsten.19

Tijdens één van de verhoren is aan verdachte [medeverdachte 3] een lijst getoond die in zijn bureau is aangetroffen, namelijk DOC-006-01 (de rechtbank begrijpt: de fysieke verdeellijsten van 2017). Op de vraag of hetgeen in de laatste kolom staat onder ‘betaald’ de verdeling met de cliënten is, antwoordt [medeverdachte 3] bevestigend. [medeverdachte 3] zegt dat dit het bedrag is dat naar de cliënten toe is gegaan. De digitale Excel-lijst die is aangetroffen, heeft [medeverdachte 3] zelf gemaakt.20

[medeverdachte 3] verklaart verder dat, als er op de lijst een percentage van 40% staat, dit het percentage is dat [verdachte] houdt.21

Op 6 april 2018 is met een technisch hulpmiddel vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] opgenomen. De opgenomen communicatie was in de Turkse taal en is vertaald door een beëdigde tolk.22 In dit gesprek zegt [medeverdachte 1] het volgende tegen [medeverdachte 2] : “Hopelijk gaat er geen een van de cliënten iets zeggen. Het zou goed zijn als jij eerst vrijkomen zou.”23

De verdeellijsten van 27 maanden zijn door de Inspectie samengevoegd tot één bestand; daaruit is een draaitabel gegenereerd. Uit de draaitabel is op te maken dat door [verdachte] 153 uniek identificeerbare budgethouders zijn opgenomen op de verdeellijsten. Niet bij alle 153 budgethouders werd een bedrag genoemd in de kolom ‘Totalen’ onder ‘Uitbetaald aan BH’. In het geval in deze kolommen een bedrag van € 0,- of geen bedrag was ingevuld, zijn deze budgethouders uit de draaitabel verwijderd.24 Het totaal aantal budgethouders komt daarmee uit op 132. Vervolgens zijn ook de facturen verwijderd waarbij in de kolommen 2014 tot en met 2018 onder ‘Uitbetaald aan BH’ een bedrag van € 0 of een negatief bedrag stond vermeld.

Het totale factuurbedrag met betrekking tot de budgethouders waarmee volgens de verdeellijsten over 27 maanden zorggeld zou zijn gedeeld, komt uit op
€ 4.673.959,-.25

4.2.3.5. [getuige 2]

Budgethouder [getuige 2] heeft vanaf januari 2014 facturen ontvangen van [verdachte] . Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] bij hem thuis kwam om de zorg te bespreken. [getuige 2] ’s ouders waren daarbij. Buiten heeft [medeverdachte 2] toen met hem besproken dat ze het zorggeld zouden gaan delen. Er werd 50/50 gedeeld. De afspraak liep vanaf het moment dat [getuige 2] een PGB ontving. Hij kreeg elke maand € 1.400,-. Dat kreeg hij contant of via de bank. Het contante geld kreeg hij altijd van [medeverdachte 2] , een enkele keer van [medeverdachte 2] neefje.26

Tijdens doorzoekingen bij [verdachte] werd een lijst aangetroffen met verdeelpercentages. Op deze lijst stond achter de naam [getuige 2] het percentage van 50% vermeld. De factuurbedragen van [verdachte] aan [getuige 2] betreffen ongeveer € 2.800,00 per maand. 50% daarvan betreft € 1.400,00.27

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [getuige 2] en [medeverdachte 2] blijkt het volgende:

10-10-2017

[getuige 2] : Broer, komt het van de maand morgen?

12-10-2017

[medeverdachte 2] : Ik heb het overgemaakt, mijn broer, maar het staat pas morgen op je rekening.

13-10-2017

[getuige 2] : Het staat erop, broer. Bedankt.

Op de bankrekening [rekeningnummer] , op naam van [getuige 2] , is te zien dat er op 13 oktober 2017 € 1.400,00 werd ontvangen, afkomstig van de rekening [rekeningnummer] , op naam van [medeverdachte 2] .28

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [getuige 2] en ‘ [A] ’ op 3 januari 2017 blijkt het volgende:

[A] : Wilde weten als alles oké is met je na die aanslag

[getuige 2] : Dankjewel schat gaat goed hoor gelukkig

[getuige 2] : Was wel in de buurt maar bij een andere nachtclub

[A] : Woon je nu daar?

[getuige 2] : Ben al 6 maanden hier maar 15 januari ga ik terug naar nl ik heb hier een bar geopend met me oom en een goede vriend samen

Op 1 januari 2017 heeft een aanslag plaatsgevonden in een nachtclub in Istanbul (Turkije).29 [getuige 2] verbleef kennelijk gedurende een halfjaar in Turkije, terwijl in die periode door [verdachte] zorg is gefactureerd aan [getuige 2] .30

Voorafgaand aan het huisbezoek van het Zilveren Kruis bij [getuige 2] op 9 november 2017 hadden [medeverdachte 2] en [getuige 2] het volgende gesprek:

8-11-2017

[getuige 2] : Broer, zal ik me scheren?

[medeverdachte 2] : Ja doe maar.

[medeverdachte 2] : Het is belangrijk dat je er schoon/verzorgd uitziet, want we doen (persoonlijke) zorg.

[getuige 2] : Ok broer.31

4.2.3.6. [budgethouder 1]

[getuige 3] , de zoon van budgethouder [budgethouder 1] , heeft verklaard dat het klopt dat hij contante bedragen kreeg. Het ging om geldbedragen van rond de € 1.600,-. Hij voelt zich dubbel benadeeld, ook omdat zijn moeder zorg nodig had, maar deze niet volledig is geleverd.32 Als het geld aan hem werd afgegeven, gebeurde dat door [medeverdachte 2] en één keer door iemand anders.33

Op de bankrekening van [getuige 3] zijn in de periode van 2014 tot en met 2017 voor een totaal bedrag van € 8.180,- drie overboekingen vanaf een rekening van [verdachte] en één overboeking vanaf een rekening van [medeverdachte 2] aangetroffen.34

4.2.3.7. [budgethouder 2]

[getuige 4] , de vader van budgethouder [budgethouder 2] , heeft verklaard dat er geld is gedeeld. Dat gebeurde in de periode van 2014 tot en met februari 2018. De hoogte van de bedragen verschilde, soms € 1.500,- soms € 2.000,-. [medeverdachte 2] nam het initiatief voor deze betalingen; hij kwam met het voorstel.35 [getuige 4] heeft een keer zijn DigiD-code aan [medeverdachte 2] gegeven. [medeverdachte 2] wilde zelf inloggen.36

Op de bankrekening op naam van voornoemde budgethouder [budgethouder 2] is in juli 2014 een overboeking van € 2.400,- van [verdachte] en in september 2014 een contante storting van € 2.000,- te zien. Op de bankrekening van [getuige 4] , de vader van [budgethouder 2] , staan 12 ontvangsten afkomstig van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [B] , de echtgenote van [medeverdachte 3] . Daarnaast werd er ook 36 keer een contant bedrag op deze bankrekening gestort.37

Uit een Whatsapp-gesprek tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op 21 april 2017 blijkt onder meer het volgende:

[medeverdachte 3] : Ik ga je nu 4000 sturen, wil je dat naar [getuige 4] sturen

[medeverdachte 1] : Stuur ook rekeningnummer mee

[medeverdachte 3] : [getuige 4] [rekeningnummer]

[medeverdachte 1] : Goed, ik kom vanavond wel langs kantoor om te betalen

Op de bankrekening van [medeverdachte 1] is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt vanaf de bankrekening op naam van [verdachte] B.V., met in de omschrijving ‘Divident uitkering’. Vervolgens is te zien dat er op 21 april 2017 € 4.000,00 gestort wordt naar de bankrekening op naam van [getuige 4] .38

4.2.3.8. [budgethouder 3]

[getuige 5] , de man van budgethouder [budgethouder 3] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft uitgelegd dat hij een vergoeding kreeg van de Nederlandse overheid, een soort ouderdomsgeld.39 Er kwam niemand van [verdachte] om voor zijn vrouw te zorgen; dat deed [getuige 5] zelf.40 Het geld werd gestort op de rekening van zijn schoonzoon, [C]41. [medeverdachte 2] gaf door als er geld was overgemaakt.42

Door [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn gedurende negen maanden geldbedragen op de bankrekeningen op naam van [C] gestort die nagenoeg overeenkomen met de hoogte van de bedragen, zoals die genoemd staan bij budgethouder [budgethouder 3] in de kolom ‘te betalen’ of ‘betaald' op de verdeellijsten van 2016 en 2017.43

4.2.3.9. [budgethouder 4]

[getuige 6] , de broer van budgethouder [budgethouder 4] , heeft verklaard dat hij in de periode van januari 2017 tot eind maart 2018 een bepaald percentage kreeg. Van het PGB-budget van zijn broer kreeg hij maandelijks 40 procent. Dat was een bedrag van ongeveer € 1.400,-. Hij wist dat de mogelijkheid er was om het PGB-budget met [verdachte] te delen. De afspraken hierover heeft [getuige 6] gemaakt met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] bracht het geld ook bij hem.44

[getuige 6] heeft verklaard dat zijn broer geen persoonlijke verzorging heeft gehad, maar hij had dat wel nodig. [getuige 6] verleende dat zelf aan zijn broer. Als [verdachte] ook de persoonlijke verzorging zou moeten geven, dan hadden ze daar meer personeel voor in moeten zetten. Dat zou kosten met zich meebrengen en dat zou weer betekenen dat [getuige 6] niets zou krijgen. Zijn broer kreeg dus alleen dagbesteding van [verdachte] .

[medeverdachte 2] wist dat [getuige 6] zonder werk zat en wilde hem helpen. [medeverdachte 2] kwam met het voorstel om hem op papier in dienst te nemen en op deze manier, door hem uit te betalen, het zorggeld te delen. De loonstroken zijn vals, want [getuige 6] heeft daar nooit gewerkt.45

Op het bankrekeningnummer op naam van [getuige 6] is op 27 juli 2017 een bedrag van € 1.400,- contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst in de maand juli 2017. Op 27 januari 2017 is een bedrag van € 1.150 contant gestort. Dit bedrag komt overeen met het bedrag op de verdeellijst van januari 2017.46

4.2.3.10. Geleverde zorg

Personeelskostendruk

Uit onderzoek is gebleken dat in de thuiszorg en aanverwante zorginstellingen personeelskosten de grootste kostenpost vormen. Fors lagere personeelskosten ten opzichte van andere bedrijven in deze branche kunnen een aanwijzing zijn dat geen of minder zorg is geleverd.47 Diverse instanties houden zich bezig met het analyseren van de financiële gegevens van de groep van verpleeghuizen, verzorghuizen en zorginstellingen. Er zijn geen cijfers bekend van alleen de thuiszorg, maar aangezien de verpleeghuizen en verzorgingshuizen qua zorg veel overeenkomsten hebben met de thuiszorg geven de cijfers wel een goede indicatie over de personeelskostendruk. Deze komt in vrijwel alle publicaties uit op ruim 71%. Dit betekent dus dat er in deze branche gemiddeld ruim 71 % van de omzet wordt geïnvesteerd aan personeelskosten om de zorg te kunnen leveren.

Op basis van de belastinggegevens van [verdachte] van 2014 tot en met 2016, komt de personeelskostendruk bij [verdachte] als volgt uit:

- 2014: 8,2 %

- 2015: 9,6 %

- 2016: 11,3 %.

Over 2017 en 2018 zijn (nog) geen omzetgegevens van [verdachte] beschikbaar.48

Individuele zorg

Door de Inspectie is onderzoek gedaan naar de geleverde zorg door [verdachte] . Daarbij is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:

  • -

    de gegevens met betrekking tot de loonheffingen afkomstig van de Belastingdienst;

  • -

    de digitale administratie van [verdachte] ;

  • -

    de mutaties op de bankrekeningen van [verdachte] ;

  • -

    de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd;

  • -

    AMB-020-03: proces-verbaal van bevindingen telefoon [medeverdachte 1] .49

Op basis van de bevindingen blijkt dat, in de periode van 2014 tot en met 2017, er maximaal 37.904 uren aan individuele zorg (persoonlijke verzorging, individuele begeleiding, verpleging en huishoudelijke hulp) geleverd kan zijn door [verdachte] .50

Uit het onderzoek naar de betaalde facturen van [verdachte] over de jaren 2014 tot en met 2017 komt naar voren dat 170.830 uren aan begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging (is één op één zorg) gefactureerd en betaald zijn.51

Op basis van deze getallen (37.904 / 170.830) volgt dat [verdachte] vermoedelijk maximaal 22,2 % van de totale uren begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, huishoudelijke hulp en verpleging geleverd kan hebben.52

Dagbesteding

Daarnaast is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van cliënten op de dagbesteding. Op basis van de presentielijsten en de planningen komt het maximaal aantal dagdelen te leveren

dagbesteding in de periode van 2014 tot en met 2017 vermoedelijk uit op 14.664 dagdelen.53

Dagbesteding of begeleiding groep wordt gefactureerd en geïndiceerd in dagdelen. Uit het

onderzoek naar de betaalde facturen van [verdachte] over de jaren 2014 tot en met 2017,

komt dat in totaal 25.894 dagdelen dagbesteding of begeleiding groep gefactureerd en betaald zijn.

Op basis van deze getallen (14.664 / 25.894) volgt dat [verdachte] vermoedelijk maximaal 56,6 % van de totale dagdelen dagbesteding of begeleiding groep geleverd kan hebben.54

Geleverde zorg in relatie tot omzet

Omdat individuele zorg in uren en dagbesteding/begeleiding groep in dagdelen gefactureerd en geleverd worden, is ook gekeken op welke manier de geleverde zorgvormen hebben bijgedragen aan de omzet. Er is een berekening gemaakt van de omzet die is gebaseerd op zorg, die vermoedelijk maximaal geleverd is door [verdachte] in de periode 2014 tot en met 2017. Deze omzet komt uit op een bedrag van € 2.118.898,50. Door [verdachte] is op basis van de facturen in de periode van 2014 tot en met 2017 per bank een bedrag van € 7.539.228,- ontvangen.55

Op basis van deze getallen volgt dat [verdachte] vermoedelijk maximaal 28,1 % van de

totale zorg geleverd kan hebben.56

4.2.4.

Bewijsoverweging oplichting

Op grond van de bewijsmiddelen die in de vorige paragraaf zijn uitgewerkt, komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] niet de uren zorg heeft geleverd zoals die in de facturen en formulieren zijn verantwoord.

De rechtbank baseert haar oordeel, zoals in de inleidende opmerkingen overwogen, op de volgende drie pijlers:

  • -

    de verdeellijsten;

  • -

    het onderzoek van de Inspectie, waaruit blijkt dat [verdachte] met haar personeelsbestand en inzet slechts maximaal 28,1% van de zorg heeft kunnen leveren;

  • -

    de verklaringen van verschillende budgethouders en hun familieleden, dat door [verdachte] geen zorg of niet alle zorg is geleverd.

Uit verschillende bewijsmiddelen volgt dat de bedragen die op de verdeellijsten bij de budgethouders worden genoemd ook daadwerkelijk aan hen werden uitbetaald. Niet alleen de betalingen zelf bevestigen dit beeld, maar ook de verklaringen van de budgethouders en de uitgewerkte tapgesprekken. Daarnaast heeft ook de verklaring van [medeverdachte 3] , die hij heeft afgelegd bij de Inspectie, deze strekking. Gelet op alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de verdeellijsten een betrouwbaar beeld geven van wat er met de verschillende budgethouders werd gedeeld.

In het opsporingsonderzoek is door de Inspectie kritisch gekeken naar alle verdeellijsten die zijn aangetroffen. Uiteindelijk heeft de Inspectie alleen de ingevulde verdeellijsten gebruikt, die betrekking hebben op een periode van 27 (niet aaneengesloten) maanden. Alle budgethouders waarbij niet duidelijk was of een bedrag is gedeeld (waarbij geen bedrag of € 0,- was ingevuld) zijn door de Inspectie verwijderd. Kortom: alleen in het geval dat in de verdeellijst een bedrag is opgenomen dat zou zijn uitbetaald aan de budgethouder is dit in de berekening van de Inspectie meegenomen. De Inspectie komt dan tot een totaalbedrag van € 4.673.959,- aan factuurbedragen, waarvan een deel aan de budgethouders is uitbetaald. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat een of meer van de geldbedragen die volgens de verdeellijst zijn gedeeld niet aan de betreffende budgethouder zijn uitbetaald. De rechtbank concludeert dan ook dat voor alle facturen over 27 maanden met 132 budgethouders zorggeld is gedeeld.

De Inspectie heeft daarnaast uitgebreid onderzoek gedaan naar de zorg die door [verdachte] in de onderzoeksperiode kan zijn geleverd. Daarbij is gekeken naar het personeel dat [verdachte] tot haar beschikking had en naar de aanwezigheid van de budgethouders op de dagbesteding. Bij twijfel is door de Inspectie in het voordeel van [verdachte] en de verdachten gerekend. Uit dit uitgebreide en gedegen onderzoek komt naar voren dat [verdachte] maximaal 28,1% van de zorg die in totaal is gefactureerd heeft kunnen leveren. Dat [verdachte] slechts een klein deel van de zorg leverde, wordt ook bevestigd door verschillende budgethouders. Tekenend is de verklaring van [getuige 6] , die opmerkt dat zijn broer wel persoonlijke verzorging nodig had, maar alleen groepsbegeleiding kreeg, omdat [verdachte] anders meer personeel in moest zetten en dit tot gevolg zou hebben dat er geen geld meer met [budgethouder 4] kon worden gedeeld.

Al het hiervoor genoemde bewijs wijst erop dat veel minder zorg werd geleverd dan werd gefactureerd en verantwoord. De rechtbank is van oordeel dat dit bewijs ‘schreeuwt’ om een verklaring van de verdachte. Door [verdachte] is echter niet aangegeven op welke punten de berekening van de Inspectie van de maximaal verleende zorg door [verdachte] niet klopt.

De rechtbank komt tot de conclusie dat door [verdachte] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 structureel beduidend minder zorg is verleend dan gefactureerd of verantwoord. Door meer zorg te factureren dan werd geleverd, zijn de instanties die het PGB verstrekten opgelicht. Zij hebben op grond van valse facturen, declaraties, zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren meer PGB-gelden uitgekeerd dan waar de budgethouder daadwerkelijk recht op had. In het geval deze instanties op de hoogte waren geweest dat er een groot deel van de zorg niet werd verleend, dan waren de PGB-gelden niet verstrekt. Uit de structurele manier van werken en de termijn waarover dit is volgehouden, leidt de rechtbank af dat het oogmerk was gericht op wederrechtelijke bevoordeling. Dat de instanties die PGB hebben verstrekt zijn opgelicht acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen. Over de rol van verdachte en haar medeverdachten hierbij zal de rechtbank onder 4.2.7 nader ingaan.

4.2.5.

Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen valsheid in geschrift

4.2.5.1. Inleidende overwegingen

Van alle door [verdachte] opgemaakte stukken heeft het Openbaar Ministerie onder feit 1 met betrekking tot 31 facturen en 2 zorgovereenkomsten de valsheid in geschrift ten laste gelegd. Al deze facturen en zorgovereenkomsten kunnen volgens het Openbaar Ministerie worden aangemerkt als valse geschriften, omdat deze facturen en zorgovereenkomsten meer zorg vermelden dan daadwerkelijk door [verdachte] werd verleend.

De meeste van deze 31 facturen komen voor op een verdeellijst met vermelding van bedragen in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen”. In dat geval gaat de rechtbank ervan uit dat er zorggeld is gedeeld en dat, gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, de gedeclareerde zorg niet volledig is verleend. In het geval dat er van een specifieke maand geen verdeellijst is aangetroffen, zal de rechtbank aanvullend bewijs opnemen waaruit blijkt dat er met de budgethouder is gedeeld of dit nader motiveren in een bewijsoverweging. Ook in die gevallen komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedeclareerde zorg niet volledig is geleverd.

4.2.5.2. Algemeen bewijsmiddel

Tijdens de doorzoeking op 4 april 2018 van het kantoorpand van [verdachte] aan de

[adres] in [vestigingsplaats] zijn onder meer 18 ordners met daarin facturen aangetroffen en in beslag genomen. Dit betreffen facturen over de jaren 2014 tot en met (het tot dan toe verstreken gedeelte van) 2018 van [verdachte] aan de budgethouders. Deze facturen maken kennelijk deel uit van de boekhouding van [verdachte] . Deze facturen zijn ook aangetroffen in de digitale gegevens van [verdachte] die eveneens zijn veilig gesteld bij de doorzoeking.

Uit deze 18 ordners zijn de facturen geselecteerd van budgethouders die nader onderzocht

zijn.57

4.2.5.3. Bewijsmiddelen [getuige 2]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-012-0558

31 december 2016

Persoonlijke verzorging WLZ december 2016

24

€ 3.440,00

Begeleiding individueel WLZ december 2016

62

DOC-012-0759

3 april 2017

Persoonlijke verzorging WLZ maart 2017

30

€ 2.880,00

Begeleiding individueel WLZ maart 2017

42

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Op 20 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.400,00 van een bankrekening op naam van [medeverdachte 3] naar de bankrekening op naam van budgethouder [getuige 2] . Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op de aangetroffen verdeellijsten bij de overige maanden wordt vermeld. Op deze lijsten staat steeds een bedrag van € 1.400,00 vermeld als het deel voor deze budgethouder.60

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [getuige 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.880,00 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.440,00 in de kolom “te betalen”.61

4.2.5.4. Vrijspraak ten aanzien van DOC-012-02

De rechtbank zal verdachte vrijspreken met betrekking tot de factuur met het kenmerk DOC-12-02, die onder feit 1 als vals geschrift is ten laste gelegd. Deze factuur ziet op de maand januari 2014. Van deze maand is wel een verdeellijst aangetroffen. Op deze verdeellijst staat de naam van budgethouder [getuige 2] , maar in de kolommen “factuurbedrag” en “te betalen” staan geen bedragen ingevuld. Bovendien is door [getuige 2] verklaard dat er begin 2014 wel enkele weken zorg is verleend door [verdachte] . Gelet op het feit dat de rechtbank de aangetroffen verdeellijsten betrouwbaar acht en op deze lijst geen bedragen staan genoemd die met [getuige 2] zouden zijn gedeeld, en gelet op de verklaring van [getuige 2] zelf, kan de rechtbank met onvoldoende zekerheid vaststellen dat reeds in januari 2014 PGB-gelden met [getuige 2] zijn gedeeld. In het dossier bevindt zich ook geen ander bewijs dat steun geeft aan het delen van PGB-gelden met [getuige 2] in deze maand. Nu onvoldoende duidelijk is geworden dat er in deze maand is gedeeld en er in januari 2014 wel enige zorg is verleend aan [getuige 2] is, kan niet worden bewezen dat de in deze maand opgevoerde uren onjuist zijn en er dus sprake is van een vals geschrift.

4.2.5.5. Bewijsmiddelen [budgethouder 1]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-015-0662

4 januari 2016

Begeleiding individueel december 2015

31

€ 2.840,00

Begeleiding groep december 2015

40

DOC-015-2563

1 mei 2017

Persoonlijke verzorging april 2017

120

€ 4.651,20

DOC-015-2664

1 mei 2017

Begeleiding groep (WMO) april 2017

28

€ 1.120,00

4.2.5.6. Bewijsmiddelen [budgethouder 2]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-016-0265

21 maart 2014

Begeleiding individueel april 2014

45

€ 1.800,00

DOC-016-0466

4 januari 2016

Begeleiding groep december 2015

42

€ 1.680,00

DOC-016-0567

31 december 2016

Begeleiding individueel (WLZ) december 2016

44,65

€ 3.466,00

Begeleiding groep (WLZ) december 2016

42

Op 28 maart 2014 vindt er een overboeking plaats van € 1.800,00 van de bankrekening op naam van [budgethouder 2] naar de bankrekening op naam van [verdachte] . Op 11 en 22 april 2014 vinden er contante stortingen plaats van in totaal € 730,00 op het rekeningnummer op naam van [getuige 4] .68

[getuige 4] heeft verklaard dat er vanaf het begin elke maand geld is gedeeld, vanaf 2014 tot en met februari 2018.69

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 2] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.680,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.176,00.

In de maand december 2016 vinden er twee contante stortingen plaats op de rekening van [getuige 4] van respectievelijk € 900,- en € 700,-.70

In de administratie van [verdachte] is een zorgovereenkomst71 aangetroffen tussen [verdachte]

Thuiszorg en budgethouder [budgethouder 2] . Namens [verdachte] is de overeenkomst getekend door [medeverdachte 3] , namens [budgethouder 2] heeft [getuige 4] de overeenkomst getekend als gemachtigd vertegenwoordiger. In de overeenkomst is vastgelegd dat de zorginstelling een vast maandbedrag van € 3.466,00 ontvangt vanaf augustus 2016. De zorginstelling verleent een vast aantal uren zorg per week, te weten 20 uur. De zorgovereenkomst is op 1 maart 2016 gedateerd.72 Uit de zorgovereenkomst blijkt dat het gaat om werkzaamheden op grond van de Wlz, namelijk “pv+bi+bg” (de rechtbank begrijpt: persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en begeleiding groep).73

4.2.5.7. Bewijsoverweging [budgethouder 2]

Ontbrekende verdeellijsten

Van de maand april 2014 is weliswaar een verdeellijst aangetroffen, maar deze bleek onvolledig te zijn. Op grond van de bewijsmiddelen staat echter vast dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met [getuige 4] . In de eerste plaats wordt door [getuige 4] zelf verklaard dat er vanaf het begin iedere maand zorggeld werd gedeeld. Daarnaast blijkt dat er in april 2014, nadat het PGB-geld voor de maand april 2014 is overgemaakt, twee stortingen plaatsvinden op de rekening van [getuige 4] .

Ook voor wat betreft de factuur van december 2016 acht de rechtbank voldoende bewijs aanwezig voor de conclusie dat er zorggeld is gedeeld. Van deze maand is weliswaar geen verdeellijst aangetroffen, maar gelet op de hiervoor genoemde verklaring van [getuige 4] en de contante stortingen die in december 2016 zijn gedaan op de rekening van [getuige 4] , is de rechtbank van oordeel dat ook in deze maand zorggeld is gedeeld.

4.2.5.8. Bewijsmiddelen [budgethouder 5]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-014-0274

2 januari 2014

Persoonlijke verzorging + verpleging januari 2014

50,75

€ 2.030,00

DOC-014-0475

4 januari 2016

Begeleiding groep december 2015

10

€ 400,00

DOC-014-1076

3 april 2017

Persoonlijke verzorging maart 2017

135

€ 5.859,60

Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat vermeld. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 31%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.400,00.77

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 400,00 is en er staat een percentage van 30%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 280,00.78

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 5] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.859,60 en er staat een percentage van 45%. Naast het percentage staat het bedrag € 3.222,78 in de kolom “te betalen”.79

4.2.5.9. Bewijsmiddelen [budgethouder 6]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-013-0280

2 januari 2014

Persoonlijke verzorging + begeleiding individueel januari 2014

89

€ 3.560,00

DOC-013-0781

31 december 2016

Begeleiding groep december 2016

20

€ 800,00

DOC-013-1182

3 april 2017

Persoonlijke verzorging maart 2017

98

€ 3.798,48

Van de maand januari 2014 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.565,00 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 1.795,00.83

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 6] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.798,48 is en er staat een percentage van 30%. In de kolom “te betalen” staat een bedrag van € 2.658,94.84

4.2.5.10. Bewijsoverweging [budgethouder 6]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met budgethouder [budgethouder 6] . Van de 27 verdeellijsten die zijn aangetroffen, komt budgethouder [budgethouder 6] op 24 lijsten voor. Van de overige drie maanden, augustus en september 2017 en maart 2018, is geen factuur opgemaakt (AMB-041-03). Het is om die reden verklaarbaar dat [budgethouder 6] op die lijsten niet voorkomt. Er kan dan ook met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er in de gehele periode waarover facturen zijn opgemaakt, dus ook in december 2016, zorggeld met [budgethouder 6] werd gedeeld.

4.2.5.11. Bewijsmiddelen [budgethouder 3]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-025-0185

1 november 2016

Persoonlijke verzorging oktober 2016

43,5

€ 1.670,40

DOC-025-0386

31 december 2016

Persoonlijke verzorging december 2016

43

€ 1.651,20

DOC-025-0487

1 februari 2017

Persoonlijke verzorging januari 2017

31

€ 1.201,56

Van de maand oktober 2016 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op deze lijst staat dat het factuurbedrag € 1.689,60 is (dit bedrag wijkt af van het bedrag dat op de factuur staat) en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 1.013,76 in de kolom “te betalen”.88

Op 9 januari 2017 vindt er een overboeking plaats van € 1.000,00 van de bankrekening

op naam van verdachte [medeverdachte 3] naar de bankrekening op naam van [C] ,89 de schoonzoon van de budgethouder.90

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 3] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.201,56 is en er staat een percentage van 40%. Naast het percentage staat het bedrag € 720,94 in de kolom “te betalen”.91

4.2.5.12. Bewijsoverweging [budgethouder 3]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. Gelet op de betaling van € 1.000,- op 9 januari 2017 neemt de rechtbank echter aan dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld. Uit de verdeellijsten blijkt dat [verdachte] een percentage van 40% hield en dus 60% uitbetaalde aan de budgethouder. Een percentage van 60% van het factuurbedrag van december 2016 komt nagenoeg overeen met het bedrag dat op 9 januari 2017 is overgemaakt naar de rekening van [C] , de schoonzoon van de budgethouder.

4.2.5.13. Bewijsmiddelen [budgethouder 7]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-027-0192

3 april 2017

Persoonlijke verzorging 1009 maart 2017

160

€ 6.201,60

DOC-027-0293

1 juli 2017

Persoonlijke verzorging 1009 juni 2017

150

€ 5.814,00

DOC-027-0394

2 oktober 2017

Persoonlijke verzorging 1009 september 2017

86

€ 3.333,36

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 6.007,80 is en er staat een percentage van 50%. Naast het percentage staat een bedrag van € 3.003,90.95

Van de maand juni 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 5.814,00 is en er staat een percentage van 74,20%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.500,00.96

Van de maand september 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 7] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.333,36 is en er staat een percentage van 70%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.000,00.97

In de administratie van [verdachte] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart98, juni99 en september 2017100, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

4.2.5.14. Bewijsmiddelen [budgethouder 8]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-028-03101

4 januari 2016

Persoonlijke verzorging december 2015

9

€ 2.030,00

Begeleiding individueel december 2015

20,75

Begeleiding groep december 2015

21

DOC-028-04102

31 december 2016

Persoonlijke verzorging (WLZ) december 2016

10

€ 1.560,00

Begeleiding individueel (WLZ) december 2016

5

Begeleiding groep (WLZ) december 2016

24

DOC-028-05103

3 april 2017

Persoonlijke verzorging (WMO) maart 2017

10

€ 1.600,00

Begeleiding individueel (WMO) maart 2017

5

Begeleiding groep (WMO) maart 2017

25

Van de maand december 2015 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.030,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.360,10.104

Van de maand maart 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 8] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.600,00 is en er staat een percentage van 33%. Naast het percentage staat een bedrag van € 1.072,00.105

4.2.5.15. Bewijsoverweging [budgethouder 8]

Ontbrekende verdeellijst

Van de maand december 2016 is geen verdeellijst aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat er ook in deze maand zorggeld is gedeeld met budgethouder [budgethouder 8] . [budgethouder 8] komt in de periode van 2015 tot en met juni 2017 voor op vrijwel alle verdeellijsten die zijn aangetroffen (AMB-041-04). Er kan dan ook met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er ook in december 2016 zorggeld met [budgethouder 8] werd gedeeld.

4.2.5.16. Bewijsmiddelen [budgethouder 9] en [budgethouder 10]

[budgethouder 9]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-032-01106

1 februari 2017

Persoonlijke verzorging januari 2017

43,5

€ 1.686,06

DOC-032-02107

1 juni 2017

Persoonlijke verzorging mei 2017

81,5

€ 3.158,94

DOC-032-03108

1 december 2017

Persoonlijke verzorging november 2017

96

€ 3.720,96

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.686,06 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.011,64 in de kolom “te betalen”.109

Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.158,94 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.895,36 in de kolom “te betalen”.110

Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 9] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 3.720,96 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 2.232,58.111

In de administratie van [verdachte] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op maart112, juni113 en september 2017114, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

[budgethouder 10]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-033-01115

1 februari 2017

Persoonlijke verzorging januari 2017

25,5

€ 988,38

DOC-033-02116

1 juni 2017

Persoonlijke verzorging mei 2017

48,5

€ 1.879,86

DOC-033-03117

1 december 2017

Persoonlijke verzorging november 2017

60

€ 2.325,60

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 988,38 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 593,03.118

Van de maand mei 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 1.879,86 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 1.127,92 in de kolom “te betalen”.119

Van de maand november 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 10] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.325,60 is en er staat een percentage van 40%. Twee kolommen naast het percentage staat een bedrag van € 868,36 in de kolom “te betalen”.120

In de administratie van [verdachte] zijn verder declaratieformulieren aangetroffen, die betrekking hebben op januari121, mei122 en november 2017123, waarmee PGB gedeclareerd kan worden bij zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

4.2.5.17. Bewijsmiddelen [budgethouder 4]

Nummer

Factuurdatum

Omschrijving

Uren

Factuurbedrag

DOC-034-01124

1 februari 2017

Begeleiding individueel (WLZ) januari 2017

36

€ 2.080,00

Begeleiding groep (WLZ) januari 2017

16

Van de maand januari 2017 is een verdeellijst aangetroffen waarop budgethouder [budgethouder 4] staat. Op de lijst staat dat het factuurbedrag € 2.300,00 is en er staat een percentage van 50%. Twee kolommen naast het percentage staat in de kolom “te betalen” een bedrag van € 1.150,00. Het factuurnummer op de verdeellijst correspondeert met het factuurnummer op de factuur; het factuurbedrag op de verdeellijst wijkt echter af van de factuur.125

[getuige 6] , broer van de budgethouder, heeft verklaard dat hij een factuur van [medeverdachte 2] heeft gehouden, DOC-034-01. Het onderliggende werkbriefje moest hij ondertekenen. Hij wist dat de factuur en het werkbriefje niet konden kloppen. Daarom heeft hij er dan ook maar vluchtig naar gekeken en getekend.126

Bij de SVB zijn de zorgovereenkomsten van budgethouder [budgethouder 4] met [verdachte] mondeling gevorderd. In de overeenkomst, DOC-034-06, is vastgelegd dat de zorginstelling een vast maandbedrag van € 2.300,00 ontvangt vanaf 1 januari 2017, de zorginstelling verleent een vast aantal uren per week, te weten 12 uur per week zorg uit Wlz-budget. De zorgovereenkomst is ondertekend op 30 december 2016.127

In de “zorgbeschrijving bij zorgovereenkomst” van 30 december 2016 is onder meer het volgende opgenomen: “ [verdachte] Zorg biedt dagbesteding aan dhr. [budgethouder 4] gedurende 4 dagdelen per week. Daarnaast komt de zorgverlener 2 dagen in de week 4 uur begeleiden.”128 Deze zorgbeschrijving is ondertekend door [medeverdachte 1] .129

Verder heeft de SVB een wijziging zorgovereenkomst verstrekt, DOC-034-10, waarin staat dat het nieuwe vaste maandbedrag € 3.680,00 is. Op de bankrekening van [verdachte] is zichtbaar dat vanaf februari 2017 bedragen zijn bijgeschreven van € 3.680,00.130 In een niet ondertekend exemplaar van deze wijziging staat dat de hoeveelheid zorg per week is gewijzigd naar 21 uur.131

Als laatste heeft de SVB een wijziging zorgovereenkomst verstrekt, DOC-034-11, waarin is aangegeven dat er eenmalig een bedrag opgeteld dient te worden bij de maand januari 2017, namelijk een bedrag van € 1.380,00. Op deze manier is in de maand januari 2017 ook een bedrag ontvangen van € 2.300,00 + € 1.380,00 = € 3.680,00.132

[getuige 6] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 2] een zorgovereenkomst heeft ingevuld. [medeverdachte 2] vulde het formulier in en [getuige 6] heeft het ondertekend. [getuige 6] wist dat op basis van deze zorgovereenkomst een bedrag van € 3.680,- gefactureerd kon worden.133 [getuige 6] heeft de factuur van januari en een wijziging zorgovereenkomst geüpload naar de SVB. Hij deed dat op het kantoor van [verdachte] met de DigiD van zijn broer. Deze wijziging hield in dat het maandelijks budget van € 2.300,- werd verhoogd naar € 3.680,-. [medeverdachte 2] heeft de wijziging [getuige 6] voorgesteld, omdat [medeverdachte 2] anders niet een gedeelte van het budget aan hem kon betalen.134 [getuige 6] heeft verklaard dat hij nooit voor [verdachte] heeft gewerkt.135

4.2.5.18. Conclusie valsheid in geschrift

De rechtbank concludeert dat voor alle ten laste gelegde facturen en zorgovereenkomsten, met uitzondering van DOC-012-02 ( [getuige 2] ) geldt dat de gefactureerde en verantwoorde zorg niet (volledig) door [verdachte] is verleend, zodat deze stukken alle als valse geschriften kunnen worden aangemerkt. Op de rol van verdachte en haar medeverdachten hierbij zal hierna onder 4.3.7 nader worden ingegaan.

4.2.6.

Aanvullende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen witwassen

4.2.6.1. Bewijsmiddelen witwassen

(PGB-)inkomsten

In het kader van het onderzoek Mansfield zijn van [verdachte] de transactieoverzichten

opgevraagd van de zakelijke bankrekeningen. Deze transactieoverzichten zijn over de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 geanalyseerd en op de onderzochte bankrekeningen zijn (PGB-)inkomsten aangetroffen van in totaal € 8.110.121,52. Daarvan zijn verschillende uitgaven, van in totaal € 6.484.600,95, nader onderzocht.136

Contante opnames: € 3.915.822,32

In de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 is van verschillende bedrijfsrekeningen van [verdachte] gebruik gemaakt om gelden contant op te nemen. In deze periode is van drie verschillende bankrekeningen een bedrag opgenomen van in totaal € 3.915.822,32.137

In de in beslag genomen bedrijfsadministratie van [verdachte] is geen formele kasadministratie aangetroffen waarin de contante geldstroom was verwerkt. In de digitale administratie zijn wel bestanden aangetroffen waarop vermoedelijk staat aangegeven hoe contante bedragen zijn besteed of uitbetaald. In deze bestanden zijn, onder andere, cliëntnamen en bedragen te zien. Deze bestanden zijn veiliggesteld vanaf de computer op het bureau waaraan [medeverdachte 3] werkte.138 Het betaaloverzicht van januari 2017 uit dit bestand is vergeleken met de fysieke verdeellijst van januari 2017. De bedragen ‘betaald’ uit het bestand “jan-dec 2017” komen grotendeels overeen met de bedragen op de fysieke verdeellijst. Er staan 100 cliëntnamen op het betaaloverzicht. Bij 33 cliënten staat geen bedrag ingevuld op de betaallijst maar wel handmatig op de fysieke verdeellijst. De rest van de bedragen komt overeen.139

In de back-up van de telefoon van [medeverdachte 3] zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen, waaronder gesprekken met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 2] .140 Onder meer vinden tussen hen de volgende gesprekken plaats:

13-4-2015

[medeverdachte 2] : Even wachten met

[medeverdachte 2] : Het betalen van het geld

[medeverdachte 2] : want ik moet nog mensen betalen

26-9-2015

[medeverdachte 2] : Ik moet nog aan 3 klanten geld geven

[medeverdachte 2] : Volgende week zijn de loonbetalingen/uitkeringsbetalingen

[medeverdachte 2] : Mijn broer [medeverdachte 1] heeft geen geld

[medeverdachte 2] : Iedereen loopt me maar te bellen omdat ze geld willen

6-4-2016

[medeverdachte 3] : [medeverdachte 2] , zeg tegen de personen die geld krijgen: voortaan krijgen ze het een week later.141

Op 4 mei 2017 stuurt verdachte [medeverdachte 3] in een WhatsApp-groepsgesprek als bijlage een document. Dit betreft een brief gericht aan [medeverdachte 1] van de ABN AMRO Bank, waarin staat dat de contante opnames vanaf de zakelijke rekening op naam van [verdachte] “niet gebruikelijk zijn” en dat de contante opnames alleen zijn toegestaan “als u de bestemming hiervan kunt aantonen en deze betrekking hebben op de bedrijfsactiviteiten van de onderneming”. Vervolgens schrijft verdachte [medeverdachte 1] : “Geen contante opnames meer heren” en schrijft verdachte [medeverdachte 3] : “Hoe gaan we het doen joh”.142

Op de vraag wie de contante opnames deed, noemt [medeverdachte 3] in zijn verhoor de namen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Zelf deed [medeverdachte 3] ook af en toe contante opnames als er geld nodig was en hij op dat moment beschikbaar was.143 Dat gebeurde zo’n twee tot drie keer per maand. Op de vraag hoe groot deze bedragen waren, antwoordt [medeverdachte 3] “soms vijf, soms tien” (de rechtbank begrijpt: € 5.000,- of € 10.000,-).144 [medeverdachte 3] dacht dat de contante opnames voor de verdeling van het zorggeld waren.145

Overboekingen naar Turkije: € 978.640,-

Van twee bankrekeningen van [verdachte] zijn er bedragen overgeboekt naar bankrekeningen in Turkije. Dit bedroeg in de onderzoeksperiode in totaal een bedrag van € 978.640,-. In de omschrijvingen van de overboekingen van € 10.000,00 of meer zijn veelvuldig de woorden “ [naam] ” of “ [naam] ” te zien. De woorden “ [naam] ” zijn vertaald door een tolk Turks en betekenen: “Bouw(project) Europa Woningen”.146

Op 2 april 2015 vindt tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] het volgende gesprek plaats:

[medeverdachte 2] : Hoeveel gaat er deze maand naar Turkije?

[medeverdachte 1] : Mijn broer, het is daar belangrijk voor ons allemaal.

[medeverdachte 1] : Deze maand 25

[medeverdachte 2] : ok147

In het verhoor van [medeverdachte 3] wordt opgemerkt dat er best veel geld naar Turkije is overgeboekt dat van zorggeld afkomstig is. [medeverdachte 3] geeft daarop aan dat zijn broer bezig was met projecten in Turkije. Voor de bouw stuurden ze regelmatig geld naar Turkije. Op de vraag over welke

projecten [medeverdachte 3] het heeft, antwoordt hij dat er maar één project was in Turkije, het

appartementencomplex.148

Overboekingen naar [medeverdachte 1] : € 894.014,87

In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [verdachte]

gebruik gemaakt om gelden over te boeken naar rekeningen op naam van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [D] . Bij [medeverdachte 1] betreft het een totaalbedrag van € 894.014,87.149 Van dit bedrag is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 613.318,74 contant opgenomen.150 De overboekingen vanaf zakelijke bankrekeningen op naam van [verdachte] naar de privérekeningen op naam van [medeverdachte 1] betreffen in 2017 € 652.706,22, tegenover € 38.205,56 in 2016.151

Overboekingen naar [medeverdachte 2] : € 223.988,98

In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [verdachte]

geld overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 2] . Het gaat om een totaalbedrag van € 223.988,98.152 Van de bankrekeningen op naam van [medeverdachte 2] is in totaal een bedrag van € 109.684,47 contant opgenomen.153

Overboekingen naar [medeverdachte 3] : € 178.267,53

In de onderzoeksperiode is van verschillende bedrijfsrekeningen van [verdachte]

geld overgeboekt naar de rekeningen van [medeverdachte 3] . Het gaat om een totaalbedrag van € 178.267,53.154

Overboekingen naar [D] : € 72.700,-

[D] , ook een broer van verdachte, ontving op bankrekening [rekeningnummer] bedragen van de bankrekeningen van [verdachte] . In de periode van 2014 tot en met 2017 betreft dat in totaal € 72.700,00.155

[medeverdachte 3] geeft in zijn verhoor aan dat zijn broer [D] in de ziektewet zat en op een gegeven moment niet meer uitbetaald werd. [medeverdachte 1] vond dat ze hem, omdat het hun broer is, moesten helpen. Daarom gaven ze hem € 2.500,- per maand. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [D] niet werkte voor [verdachte] , maar dat hij dit maandelijkse bedrag kreeg zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie leverde.156

Leningen: € 221.167,25

Van twee bankrekeningen van [verdachte] zijn bedragen overgeboekt naar andere

bankrekeningen, met als omschrijving “lening”. In totaal is in de onderzoeksperiode een bedrag van € 221.167,25 overgeboekt met deze omschrijving.157

Door de boekhouder van [verdachte] , [getuige 7] , is verklaard dat zodra er ‘lening’ bij een bedrag stond bij de overboeking op de bank, dit bedrag als lening werd geboekt. Een aantal bedragen die werden overgeboekt naar derden en waar niks bijstond, werden besproken met [medeverdachte 1] en daarna werden ze alsnog als lening geboekt.158

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat een aantal betalingen aan cliënten via de bankrekeningen ging. Als hij via de bank aan een cliënt moest betalen, dan kreeg hij dit van [medeverdachte 2] te horen. [medeverdachte 2] gaf dan aan dat het een lening aan de cliënt was. [medeverdachte 3] moest het dan als lening boeken.159

4.2.6.2. Bewijsoverweging witwassen

Van misdrijf afkomstig

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en haar medeverdachten in totaal voor een bedrag van € 7.809.269,- aan PGB-inkomsten hebben verworven, dat van misdrijf afkomstig is nu het door middel van oplichting is verkregen. Dit bedrag is het totaal aan factuurbedragen gedurende de gehele onderzoeksperiode (51 maanden) met betrekking tot de 132 budgethouders die op verdeellijsten voorkomen.

De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie hierin niet. Zoals de rechtbank bij de bespreking van de oplichting heeft overwogen, zijn bij [verdachte] van 27 maanden verdeellijsten aangetroffen. Daarop staan 132 budgethouders met wie geld is gedeeld. In die 27 maanden is in totaal een bedrag van € 4.673.959,- gefactureerd terwijl, zo heeft de rechtbank overwogen, een groot deel van de zorg niet werd geleverd en het zorggeld met de budgethouders is gedeeld. Het bedrag van € 4.673.959,- is door oplichting verkregen, en derhalve van misdrijf afkomstig. Over de onderzoeksperiode van 51 maanden ontbreken van 24 maanden (complete) verdeellijsten. De rechtbank kan met onvoldoende zekerheid vaststellen dat ook in deze 24 maanden met alle 132 budgethouders – voor zover voor hen over die maanden een zorgvergoeding is uitbetaald – zorggelden zijn gedeeld. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie daarom niet in het standpunt dat van de totale PGB-inkomsten van € 8,1 miljoen ruim een bedrag van € 7,8 miljoen is verkregen dat kan worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig.

Vermenging

De rechtbank stelt vast dat het bedrag van € 4.673.959,- in het vermogen van [verdachte] is terecht gekomen en ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre dat invloed heeft gehad op het totale vermogen van [verdachte] .

Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. In het geval vermogensbestanddelen die van misdrijf afkomstig zijn, vermengd zijn geraakt met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, kan het vermengde vermogen worden aangemerkt als “gedeeltelijk” uit misdrijf afkomstig.

Omdat een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, kan bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen worden gekwalificeerd. De Hoge Raad noemt in zijn arrest van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN0578), kort gezegd, de volgende omstandigheden: een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel, een groot tijdsverloop na het moment van vermenging, een groot aantal of bijzondere veranderingen in het vermogen en een incidenteel karakter van de vermenging.

De rechtbank is van oordeel dat het door oplichting verkregen geldbedrag met het legale vermogen van [verdachte] is vermengd geraakt. De omstandigheden die door de Hoge Raad worden genoemd doen zich niet voor. Integendeel, er is sprake van een aanzienlijk geldbedrag (ruim de helft van de totale inkomsten) dat kan worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig. Bovendien heeft de vermenging gedurende een lange periode van ruim 4 jaar plaatsgevonden. Iedere maand kwamen PGB-gelden binnen die onterecht verkregen waren, welke deel gingen uitmaken van het vermogen van [verdachte] . Van een incidenteel karakter is derhalve allerminst sprake.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat van vermenging sprake is, kan het gehele bedrag aan PGB-inkomsten van ruim € 8,1 miljoen worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. De tenlastelegging is overigens beperkt tot € 7.809.269,- (zie de eerste alinea van deze bewijsoverweging).

Witwashandelingen

[verdachte] heeft het bedrag van € 7.809.269,- verworven en voorhanden gehad. Een gedeelte daarvan van totaal € 6.484.600,95 is overgedragen en daarvan is gebruik gemaakt. Zo zijn er grote geldbedragen, van in totaal € 1.590.138,63, overgeboekt naar rekeningen van privépersonen, waaronder de rekeningen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [D] . Dit kan als overdragen worden gekwalificeerd. Verder is een bedrag van € 978.640,- overgeboekt naar Turkse bankrekeningen. Ten aanzien van dat bedrag is voldoende bewijs voorhanden dat daarvan uiteindelijk gebruik is gemaakt voor de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Ten slotte hebben er contante opnames plaatsgevonden voor een bedrag van € 3.915.822,32. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat die contante opnames plaatsvonden om daarmee contante betalingen te kunnen doen. Met name uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en van verschillende budgethouders en uit de tapgesprekken kan worden afgeleid dat deze contante opnames met name werden gebruikt om het gedeelde zorggeld uit te betalen aan de (familieleden van de) budgethouders.

Gewoonte maken van witwassen?

Gelet op de lange periode waarin het witwassen heeft plaatsgevonden, de grote bedragen die op structurele wijze zijn overgedragen en in het legale verkeer zijn gebracht, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.2.7.

Bewijsoverwegingen rechtspersoon en medeplegen

Aansprakelijkheid rechtspersoon

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat vanaf het begin van de oprichting van [verdachte] sprake was van een constructie waarbij consequent minder zorg werd geleverd dan waarvoor werd gefactureerd c.q. verantwoord, en waarbij ontvangen PGB-gelden met budgethouders werden gedeeld. Daarbij ging het om in elk geval 132 budgethouders met wie zorggelden werden gedeeld. Deze werkwijze was dermate structureel, dat het gezien kan worden als een belangrijk onderdeel van de bedrijfsvoering van [verdachte] . Ook het vals opmaken van facturen en zorgovereenkomsten vormde een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van [verdachte] . Tot slot werden de geldbedragen die door [verdachte] werden ontvangen gedurende een lange periode contant opgenomen (ten behoeve van budgethouders), dan wel overgeboekt naar andere bankrekeningen of besteed aan een Turks bouwproject.

De rechtbank heeft geconstateerd dat [verdachte] B.V. op 13 juni 2014 is opgericht. In de periode van 13 januari 2014 tot en met 12 juni 2014 stond [verdachte] geregistreerd als B.V. in oprichting. Gelet op het feit dat de bedrijfsvoering in die eerste periode identiek was aan de periode na de oprichting van de B.V. en gezien het feit dat de rollen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] niet wezenlijk gewijzigd zijn is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen in de periode van 13 januari 2014 tot en met 12 juni 2014 ook aan de B.V. kunnen worden toegerekend.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.

Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.

Dit betekent dat het ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard.

Medeplegen

De rechtbank concludeert aan de hand van de bewijsmiddelen dat de feiten door [verdachte] zijn gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met (in elk geval) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Hoewel iedere verdachte een eigen rol had in de verschillende feiten, was ieders rol essentieel om de PGB-fraude te plegen en de daarop volgende witwashandelingen te verrichten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 1), oplichting (feit 2) en gewoontewitwassen (feit 3).

De volledige bewezenverklaring is opgenomen in Bijlage II van dit vonnis.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Kwalificatie-uitsluitingsgrond voor een deel van het witwasbedrag (feit 3)

Van het totaalbedrag van € 7.809.269,- heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte dit bedrag, dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat ten aanzien van een bedrag van € 6.484.600,95 verdergaande witwashandelingen, zoals het overdragen van dat geld, hebben plaatsgevonden.

De rechtbank stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geoordeeld dat het onder 3 ten laste gelegde geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en bewezen verklaard dat verdachte het voorwerp heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

De rechtbank heeft echter van een deel van dat geldbedrag, te weten van (€ 7.809.269,- -/-€ 6.484.600,95 =) € 1.324.668,05, niet kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat bedrag, nu uit de bewijsmiddelen enkel kan worden afgeleid dat de verdachte dat bedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Dit betekent dat voor dit deel van het geldbedrag het onder 3 bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte zal daarom voor een deel van het bewezenverklaarde geldbedrag, € 1.324.668,05, worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het geldbedrag van € 6.484.600,95 gedragingen zijn verricht die meer omvatten dan het enkele verwerven of voorhanden hebben, kan dit deel wel als witwassen worden gekwalificeerd.

Overige feiten

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

en

medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

en

medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

Feit 2: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;

Feit 3: medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop, omdat het indienen van de valse geschriften, zoals onder feit 2 is ten laste gelegd, samenvalt met het gebruik maken daarvan (feit 1).

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een geldboete van € 295.560,-, zijnde het eigen vermogen van [verdachte] volgens de laatste gepubliceerde jaarrekening over 2016.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals ter terechtzitting is gebleken.

[verdachte] is gedurende een periode van meer dan vier jaar betrokken geweest bij een grootschalige PGB-fraude. [verdachte] werd halverwege 2014 opgericht, maar al vóór dat moment was sprake van het structureel delen van PGB-geld met budgethouders. Dat vond sinds de oprichting al op dusdanig grootschalige en structurele wijze plaats dat de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat het opzetten van het bedrijf hierop gericht is geweest.

Verdachte heeft, samen met de medeverdachten, op grove wijze misbruik gemaakt van de PGB-regelgeving. Deze regelgeving is bewust ruim ingericht, zodat degenen die zorg nodig hebben, laagdrempelig een financiële tegemoetkoming kunnen krijgen. Bij [verdachte] werd echter met een groot aantal budgethouders (of hun familieleden) de afspraak gemaakt dat minder zorg zou worden verleend en een deel van het PGB-geld zou worden gedeeld met de budgethouders (of hun familieleden). Door de Inspectie is berekend dat (maximaal) 28,1 procent van de zorg die werd gefactureerd geleverd kan zijn. Dit betekent dat in totaal door [verdachte] een bedrag van 5,4 miljoen euro aan PGB-geld onterecht, dat wil zeggen: zonder dat daar zorg tegenover stond, is ontvangen. Voor het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank dit bedrag als het benadelingsbedrag hanteren.

Doordat een deel van het PGB-geld werd gedeeld met de budgethouders (of hun familie) kon de fraude in stand blijven. De rechtbank zal niet in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat er wel (beperkt) zorg is verleend. De rechtbank beschouwt dit namelijk als een onderdeel van de werkwijze van [verdachte] . Alleen op deze wijze kon de fraude een lange periode onopgemerkt blijven.

De rechtbank vindt het zeer kwalijk dat er op deze manier is omgegaan met gemeenschapsgeld dat is bedoeld voor mensen die zorg behoeven. Een groot deel van de opbrengst van [verdachte] is besteed aan de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Op deze manier is het geld dat door valsheid in geschrift en oplichting is verkregen witgewassen en in het legale financiële verkeer terecht gekomen.

[verdachte] heeft zich voorgedaan als een betrouwbaar zorgkantoor bij wie mensen die onder de PGB-regelgeving vielen terecht konden voor zorg. Een groot deel van de zorg werd echter niet verleend en het geld werd aan andere doelen besteed. Daardoor is het vertrouwen dat in rechtspersonen in het algemeen en in zorgorganisaties in het bijzonder moet kunnen worden gesteld, ondergraven. De rechtbank neemt dit [verdachte] kwalijk.

Het strafblad van verdachte speelt bij het bepalen van de strafmaat geen rol, nu hier geen relevante veroordelingen op staan.

De rechtbank vindt oplegging van een geldboete passend. Bij de bepaling van de hoogte hiervan let de rechtbank in het bijzonder op de hoogte van het benadelingsbedrag en op het feit dat deze fraude gedurende een lange periode op een structurele wijze heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht, conform de eis van de officier van justitie, een geldboete van € 295.560,- passend en geboden.

9 BESLAG

Onder verdachte is volgens de beslaglijst op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een personenauto (kenteken: [kenteken] ) in beslag genomen. Op deze personenauto rust op grond van artikel 94a Sv ook conservatoir beslag. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klassiek beslag (94 Sv) kan worden opgeheven, omdat het klassiek beslag geen strafvorderlijk belang meer dient. De rechtbank is dit met de officier van justitie eens en zal het beslag opheffen en de teruggave van deze personenauto aan verdachte gelasten. Omdat er ook conservatoir beslag is gelegd op deze personenauto, zal dit echter de feitelijke teruggave ervan aan verdachte in de weg staan.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1.

De vordering

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. en Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen een bedrag van in totaal € 60.027,20. Dit bedrag bestaat uit materiële schade , ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit.

10.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.3.

Het oordeel van de rechtbank

10.3.1.

Algemene overwegingen

Twee entiteiten van Zilveren Kruis

De rechtbank stelt vast dat er door mr. I. Punt, als gemachtigde, één vordering is ingediend waarin zowel schadebedragen zijn opgenomen die zijn geleden door Zilveren Kruis Zorgverzekeringen als door Zilveren Kruis Zorgkantoor. Nu sprake is van twee verschillende rechtspersonen, zal de rechtbank de vordering behandelen alsof beide rechtspersonen elk een afzonderlijke vordering hadden ingediend.

Verrekenen van verleende zorg?

De benadeelde partij en de officier van justitie hebben naar voren gebracht dat de totaal uitgekeerde bedragen aan PGB voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag dat wordt gevorderd betreft immers maar een beperkt deel van de totaal geleden schade. Bovendien kan door de fraude die is gepleegd het gehele factuurbedrag niet meer door Zilveren Kruis worden verantwoord, niet slechts het deel dat teveel is gedeclareerd.

De rechtbank overweegt dat het voor het bepalen van de omvang van de schade van belang is om vast te stellen hoe de situatie was geweest in het geval geen sprake was van een onrechtmatige daad. In dat geval zou door [verdachte] en de budgethouders het PGB zijn gedeclareerd conform de uren die door [verdachte] aan zorg waren verleend. Er is immers geen discussie dat de budgethouders van [verdachte] in aanmerking kwamen voor een PGB. De rechtbank stelt dus vast dat de geleden schade bestaat uit het PGB dat door het zorgkantoor en de zorgverzekeringsmaatschappij teveel, dat wil zeggen bovenop de aan zorg verleende uren, is betaald.

Op basis van het dossier is niet exact vast te stellen welk percentage door [verdachte] aan zorg is verleend. Uit het onderzoek van de Inspectie blijkt dat dit, over alle budgethouders genomen, maximaal 28,1 % kan zijn geweest. De vordering benadeelde partij heeft echter betrekking op de facturen van een aantal specifiek genoemde budgethouders die onder feit 1 ten laste zijn gelegd. Aan de hand van de administratie en de verklaringen die door verdachten en getuigen zijn afgelegd, is niet vast te stellen in hoeverre per factuur door [verdachte] zorg is verleend. Het exact vaststellen van de hoeveelheid verleende zorg, voor zover dit gelet op de gebrekkige en niet betrouwbare administratie al mogelijk is, zou nader onderzoek vergen en zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. De rechtbank zal daarom het percentage als uitgangspunt nemen wat met de budgethouder bij de betreffende factuur is gedeeld. De rechtbank acht het aannemelijk dat in elk geval voor dit percentage van het factuurbedrag geen zorg is verleend.

10.3.2.

Beoordeling vordering Zilveren Kruis Zorgverzekeringen NV

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen heeft, als materiële schade, de volgende bedragen opgevoerd:

  • -

    [budgethouder 1] : € 4.651,20 (DOC-015-25);

  • -

    [budgethouder 5] : € 5.859,60 (DOC-14-10);

  • -

    [budgethouder 6] : € 3.798,48 (DOC-013-11);

  • -

    [budgethouder 3] : € 4.523,16 (DOC-025-01, DOC-025-03 en DOC-025-04);

  • -

    [budgethouder 7] : € 15.348,96 (DOC-027-01, DOC-027-02 en DOC-027-03);

  • -

    [budgethouder 9] : € 8.565,96 (DOC-032-01, DOC-032-02 en DOC-032-03);

  • -

    [budgethouder 10] : € 5.193,84 (DOC-033-01, DOC-033-02 en DOC-033-03).

Zoals gezegd, zal de rechtbank aan de hand van de percentages op de verdeellijsten schatten in hoeverre ten minste sprake is van onterecht uitgekeerde PGB-gelden. In de onderstaande tabel zijn per factuur de percentages van de verdeellijsten omgezet naar de percentages die aan de budgethouder werden uitbetaald. Een percentage van 40% op een verdeellijst betekent dat in dat geval 60% van het factuurbedrag is uitbetaald aan de budgethouder. In dat geval gaat de rechtbank er dus vanuit dat ten minste 60% van de zorg in die maand niet is geleverd en het schadebedrag ten minste bestaat uit 60% van het factuurbedrag. Dat bedrag zal door de rechtbank worden toegewezen. De rechtbank zal de schadebedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum van de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling.

Factuurnummer

Bedrag

%

Schadebedrag

Rentedatum

[budgethouder 1]

DOC-015-25

€ 4.651,20

60%

€ 2.790,72

1 mei 2017

[budgethouder 5]

DOC-14-10

€ 5.859,60

55%

€ 3.222,78

3 april 2017

[budgethouder 6]

DOC-013-11

€ 3.798,48

70%

€ 2.658,94

3 april 2017

[budgethouder 3]

DOC-025-01

€ 1.670,40

60%

€ 1.002,24

1 november 2016

DOC-025-03

€ 1.651,20

60%

€ 990,72

31 december 2016

DOC-025-04

€ 1.201,56

60%

€ 720,94

1 februari 2017

[budgethouder 7]

DOC-027-01

€ 6.201,60

50%

€ 3.100,80

3 april 2017

DOC-027-02

€ 5.814,00

25,8%

€ 1.500,01

1 juli 2017

DOC-027-03

€ 3.333,36

30%

€ 1.000,01

2 oktober 2017

[budgethouder 9]

DOC-032-01

€ 1.686,06

60%

€ 1.011,64

1 februari 2017

DOC-032-02

€ 3.158,94

60%

€ 1.895,36

1 juni 2017

DOC-032-03

€ 3.720,96

60%

€ 2.232,58

1 december 2017

[budgethouder 10]

DOC-033-01

€ 988,38

60%

€ 593,03

1 februari 2017

DOC-033-02

€ 1.879,86

60%

€ 1.127,92

1 juni 2017

DOC-033-03

€ 2.325,60

60%

€ 1.395,36

1 december 2017

Totaal

€ 25.243,05

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Zoals hiervoor is overwogen kan de rechtbank voor dat deel met onvoldoende zekerheid vaststellen in hoeverre er door [verdachte] zorg is verleend en in hoeverre ook dat bedrag als schade is aan te merken.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met haar mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Deze hoofdelijkheid strekt zich ook uit tot de budgethouders of hun familieleden, voor zover zij strafrechtelijk of civielrechtelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door Zilveren Kruis Zorgverzekeringen geleden schade.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10.3.3.

Beoordeling vordering Zilveren Kruis Zorgkantoor NV

Zilveren Kruis Zorgkantoor heeft, als materiële schade, de volgende bedragen opgevoerd:

  • -

    [getuige 2] : € 6.320,00 (DOC-012-05 en DOC-012-07);

  • -

    [budgethouder 2] : € 3.466,00 (DOC-16-05);

  • -

    [budgethouder 4] : € 2.300,00 (DOC-034-01).

De rechtbank verwijst naar de overweging, zoals die is opgenomen onder de beoordeling van de vordering van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen, en zal ook voor deze budgethouders aansluiten bij de percentages zoals die zijn opgenomen op de verdeellijsten. De rechtbank zal de schadebedragen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum van de betreffende factuur tot de dag van volledige betaling.

Factuurnummer

Bedrag

%

Schadebedrag

Rentedatum

[getuige 2]

DOC-012-05

€ 3.440,00

50%

€ 1.720,00

31 december 2016

DOC-012-07

€ 2.880,00

50%

€ 1.440,00

3 april 2017

[budgethouder 2]

DOC-016-05

€ 3.466,00

70%

€ 2.426,20

31 december 2016

[budgethouder 4]

DOC-034-01

€ 2.300,00

50%

€ 1.150,00

1 februari 2017

Totaal

€ 6.736,20

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Zoals hiervoor is overwogen kan de rechtbank voor dat deel met onvoldoende zekerheid vaststellen in hoeverre er door [verdachte] zorg is verleend en in hoeverre ook dat bedrag als schade is aan te merken.

Verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht met haar mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. Deze hoofdelijkheid strekt zich ook uit tot de budgethouders of hun familieleden, voor zover zij strafrechtelijk of civielrechtelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door Zilveren Kruis Zorgkantoor geleden schade.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10.3.4.

Oplegging schadevergoedingsmaatregel

Schadevergoedingsmaatregel Zilveren Kruis Zorgverzekeringen

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 25.243,03, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de data die hiervoor staan vermeld tot de dag van volledige betaling.

De betaling die door verdachte of haar mededaders is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Schadevergoedingsmaatregel Zilveren Kruis Zorgkantoor

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgkantoor aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 6.736,20, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de data die hiervoor staan vermeld tot de dag van volledige betaling.

De betaling die door verdachte of haar mededaders is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 51, 55, 57, 63, 225, 326, en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals in bijlage II is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair, en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het onder 3 primair bewezen verklaarde strafbaar met betrekking tot het bedrag van € 6.484.600,95 en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart het onder 3 primair bewezen verklaarde niet strafbaar voor zover dit ziet op een bedrag van € 1.324.668,05 en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 295.560,-;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het volgende voorwerp:

personenauto (kenteken: [kenteken] );

- verstaat dat op het hiervoor genoemde voorwerp nog conservatoir beslag rust, zodat dit aan de feitelijke teruggave van het voorwerp aan verdachte in de weg staat;

Benadeelde partij Zilveren Kruis Zorgverzekeringen

- wijst de vordering van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 25.243,05;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan Zilveren Kruis Zorgverzekeringen van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.3.2. van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- verklaart Zilveren Kruis Zorgverzekeringen voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgverzekeringen aan de Staat € 25.243,05 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.3.2. van dit vonnis tot de dag van de volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) haar mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij Zilveren Kruis Zorgkantoor

- wijst de vordering van Zilveren Kruis Zorgkantoor gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.736,20;

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan Zilveren Kruis Zorgkantoor van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.3.3. van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- verklaart Zilveren Kruis Zorgkantoor voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van Zilveren Kruis Zorgkantoor aan de Staat € 6.736,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de data die zijn opgenomen in 10.3.3. van dit vonnis tot de dag van de volledige betaling;

- bepaalt dat verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) haar mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. H.E. Spruit en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 november 2019.

Bijlage I: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1

[verdachte] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

eenendertig (31), althans een of meer factu(u)r(en) van [verdachte] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [getuige 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) inzake de klant [budgethouder 3] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en/of

een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen,

immers heeft/hebben [verdachte] B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid op die factu(u)r(en) vermeld en/of doen vermelden dat [verdachte] B.V. aan voornoemde klant(en):

  • -

    zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),

en/of

valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomst(en) vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [verdachte] B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 euro en/of 3.680 euro bedraagt,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

en/of

[verdachte] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben afgeleverd en/of voorhanden heeft/hebben gehad van eenendertig (31), althans een of meer vals(e) en/of vervalst(e) factu(u)r(en) van [verdachte] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budget(ten) en/of ter onderbouwing van (een) verantwoordingsformulier(en) met betrekking tot Persoonsgebonden Budget(ten), te weten:

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding individueel januari 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-012-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) (telkens) inzake de klant [getuige 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en/of ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) (telkens) inzake de klant [budgethouder 1] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en/of ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 2] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en/of ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) (telkens) inzake de klant [budgethouder 5] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en/of ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) (telkens) inzake de klant [budgethouder 6] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) (telkens) op naam van budgethouder [budgethouder 3] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 7] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) (telkens) inzake de klant [budgethouder 8] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 9] en/of

  • -

    de factu(u)r(en) met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en/of ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) (telkens) inzake de klant [budgethouder 10] en/of

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en/of

een of meer zorgovereenkomst(en), ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en/of werkafspraken en/of het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en/of

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06 t/m -11),

(telkens) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens) hierin dat op die factu(u)r(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [verdachte] B.V. aan voornoemde klant(en):

  • -

    zorg heeft verleend (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die factu(u)r(en) vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en/of

  • -

    zorg heeft verleend voor het/de op die factu(u)r(en) vermelde (totaal) bedrag(en),

en/of

op die zorgovereenkomst(en) – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [verdachte] B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en/of 2.300 en/of 3.680 euro bedraagt,

en bestaande dat gebruikmaken en/of afleveren hieruit dat [verdachte] B.V. en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)

- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klant(en) [getuige 2] en/of [budgethouder 1] en/of [budgethouder 2] en/of [budgethouder 5] en/of [budgethouder 6] en/of [budgethouder 3] en/of [budgethouder 7] en/of [budgethouder 8] en/of [budgethouder 9] en/of [budgethouder 10] en/of [budgethouder 4] en/of een familielid en/of familieleden van deze klant(en) en/of heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en),

en/of bestaande het voorhanden hebben hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die factu(u)r(en) en/of die zorgovereenkomst(en) (telkens)

- heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [verdachte] B.V.,

zulks terwijl [verdachte] B.V. en haar mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Artikel 225 lid 1 en/of lid 2 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Feit 2

[verdachte] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefstel van verdichtsels,

de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of (een) (andere) gemeente(n), heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) (ten behoeve van Persoonsgebonden Budget), in elk geval van enig goed, te weten (een) geldbedrag(en) van (ongeveer)

  • -

    4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans,

  • -

    73.860 euro, althans 2.780 euro en/of 3.440 euro en/of 2.880 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [getuige 2] en/of

  • -

    100.740 euro, althans 2.840 euro en/of 4.651,20 euro en/of 1.120 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 1] en/of

  • -

    88.330 euro, althans 1.800 euro en/of 1.680 euro en/of 3.466 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 2] en/of

  • -

    128.140 euro, althans 2.030 euro en/of 400 euro en/of 5.859,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 5] en/of

  • -

    86.747 euro, althans 3.560 euro en/of 800 euro en/of 3.798,48 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 6] en/of

  • -

    25.174 euro, althans 1.670,40 euro en/of 1.651,20 euro en/of 1.201,56 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 3] en/of

  • -

    55.093 euro, althans 6.201,60 euro en/of 5.814 euro en/of 3.333,36 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 7] en/of

  • -

    25.000 euro, althans 2.030 euro en/of 1.560 euro en/of 1.600 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 8] en/of

  • -

    40.174 euro, althans 1.686,06 euro en/of 3.158,94 euro en/of 3.720,96 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 9] en/of

  • -

    24.771 euro, althans 988,38 euro en/of 1.879,86 euro en/of 2.325,60 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor budgethouder [budgethouder 10] en/of

  • -

    26.300 euro, althans 2.300 euro en/of 3.680 euro met betrekking tot gefactureerde en/of vergoedde zorg voor budgethouder [budgethouder 4] ,

immers heeft [verdachte] B.V., verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) voorgehouden en/of voorgewend dat [verdachte] B.V. voor het/de (totaal) gedeclareerde geldbedrag(en) en/of het/de (totaal) vastgestelde (maand)bedrag(en) aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouder(s) en:

  • -

    (daartoe) een of meer zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) op naam van deze budgethouder(s) heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of

  • -

    (aldus) met die/dat zorgovereenkomst(en) en/of verantwoordingsformulier(en) en/of declaratieformulier(en) en/of factu(u)r(en) (een) Persoonsgebonden Budget(ten) op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,

waardoor de SVB en/of het Zilveren Kruis en/of (een) (andere) zorgverzekeraar(s) en/of (een) zorgkanto(o)r(en) en/of de gemeente Utrecht en/of gemeenten(telkens) is/zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budget(ten) dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van het/de Persoonsgebonden Budget(ten).

Artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Feit 3

[verdachte] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met heden te Utrecht, althans Nederland en/of te Karaman, althans Turkije, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans heeft witgewassen, immers heeft/hebben [verdachte] B.V. en/of haar mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) (in totaal) 7.809.269 euro (AMB-053-01 en DOC-023-03), althans 6.484.600,95 euro, dan wel 3.915.822,32 euro en/of 978.640 euro en/of 894.014,87 euro en/of 223.988,98 euro en/of 178.267,53 euro en/of 72.700 euro en/of 221.167,25 euro (AMB-006-01/01a), althans van enig(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en),

(telkens) de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing van dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verborgen en/of verhuld,

en/of (telkens) heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad,

terwijl [verdachte] B.V., verdachte en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

[verdachte] B.V., verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens) dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of van dat/die voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl [verdachte] B.V., verdachte en/of haar mededader(s), (telkens) wist(en) dat voormeld(e) voorwerpen(en) en/of geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Artikel 420bis/420ter van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht

Bijlage II: de bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

Feit 1

[verdachte] B.V. op tijdstippen in de periode van 13 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

dertig (30) facturen van [verdachte] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budgetten en/of ter onderbouwing van verantwoordingsformulieren met betrekking tot Persoonsgebonden Budgetten, te weten:

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) telkens inzake de klant [getuige 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015- 5) en ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) telkens inzake de klant [budgethouder 1] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) telkens inzake de klant [budgethouder 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) telkens inzake de klant [budgethouder 5] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) telkens inzake de klant [budgethouder 6] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) telkens inzake de klant [budgethouder 3] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en ‘Persoonlijke Verzorging juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en ‘Persoonlijke Verzorging september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) telkens inzake de klant [budgethouder 7] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) telkens inzake de klant [budgethouder 8] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en ‘Persoonlijke Verzorging

november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) telkens inzake de klant [budgethouder 9] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) telkens inzake de klant [budgethouder 10] en

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en

zorgovereenkomsten, ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en werkafspraken en het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06, 08, 10 en 11),

telkens zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken,

immers heeft/hebben [verdachte] B.V. en/of haar mededaders telkens valselijk en in strijd met de waarheid op die facturen vermeld en/of doen vermelden dat [verdachte] B.V. aan voornoemde klanten:

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die facturen vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en

  • -

    zorg heeft verleend voor de op die facturen vermelde totaalbedragen,

en

valselijk en in strijd met de waarheid in die zorgovereenkomsten vermeld en/of doen vermelden en/of ingevuld en/of doen invullen dat de vergoeding voor de door [verdachte]

Thuiszorg B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en 2.300 euro en 3.680 euro bedraagt,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

en

[verdachte] B.V. op tijdstippen in de periode van 13 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens opzettelijk voorhanden heeft/hebben gehad en heeft/hebben afgeleverd en gebruik heeft/hebben gemaakt van dertig (30) valse facturen van [verdachte] B.V., ten behoeve van de declaratie van Persoonsgebonden Budgetten en/of ter onderbouwing van verantwoordingsformulieren met betrekking tot Persoonsgebonden Budgetten, te weten:

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-012-05) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WLZ) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-012-07) telkens inzake de klant [getuige 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-015-06) en ‘Persoonlijke Verzorging april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-25) en ‘Begeleiding Groep (WMO) april 2017’ en factuurdatum 1 mei 2017 (DOC-015-26) telkens inzake de klant [budgethouder 1] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel april 2014’ en factuurdatum 21 maart 2014 (DOC-016-02) en ‘Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-016-04) en ‘Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-016-05) telkens inzake de klant [budgethouder 2] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Verpleging januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-014-02) en ‘Begeleiding Groep december 2016’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-014-04) en/of ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017 en Verpleging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-014-10) telkens inzake de klant [budgethouder 5] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging + Begeleiding Individueel januari 2014’ en factuurdatum 2 januari 2014 (DOC-013-02) en ‘Begeleiding Groep (WMO) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-013-07) en ‘Persoonlijke Verzorging maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-013-11) telkens inzake de klant [budgethouder 6] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging oktober 2016’ en factuurdatum 1 november 2016 (DOC-025-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-025-03) en ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-025-04) telkens inzake de klant [budgethouder 3] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging 1009 maart 2017’ en factuurdatum 3 april 2017 (DOC-027-01) en/of ‘Persoonlijke Verzorging 1009 juni 2017’ en factuurdatum 1 juli 2017 (DOC-027-02) en ‘Persoonlijke Verzorging 1009 september 2017’ en factuurdatum 2 oktober 2017 (DOC-027-03) telkens inzake de klant [budgethouder 7] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging december 2015 en Begeleiding Individueel december 2015 en Begeleiding Groep december 2015’ en factuurdatum 4 januari 2016 (DOC-028-03) en ‘Persoonlijke Verzorging (WLZ) december 2016 en Begeleiding Individueel (WLZ) december 2016 en Begeleiding Groep (WLZ) december 2016’ en factuurdatum 31 december 2016 (DOC-028-04) en ‘Persoonlijke Verzorging (WMO) maart 2017 en Begeleiding Individueel (WMO) maart 2017 en Begeleiding Groep (WMO) maart 2017’ en factuurdatum 3 april 217 (DOC-028-05) telkens inzake de klant [budgethouder 8] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-032-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-032-02) en ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-032-03) telkens inzake de klant [budgethouder 9] en

  • -

    de facturen met als omschrijving ‘Persoonlijke Verzorging januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-033-01) en ‘Persoonlijke Verzorging mei 2017’ en factuurdatum 1 juni 2017 (DOC-033-02) en ‘Persoonlijke Verzorging november 2017’ en factuurdatum 1 december 2017 (DOC-033-03) telkens inzake de klant [budgethouder 10] en

  • -

    de factuur met als omschrijving ‘Begeleiding Individueel (WLZ) januari 2017 en Begeleiding Groep (WLZ) januari 2017’ en factuurdatum 1 februari 2017 (DOC-034-01) inzake de klant [budgethouder 4] ,

en

zorgovereenkomsten, ten behoeve van de vastlegging van (onder meer) werkzaamheden en werkafspraken en het te ontvangen (vaste) maandbedrag in het kader van het Persoonsgebonden Budget, te weten:

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 2] gedateerd op 1 maart 2016 (DOC-016-07) en

  • -

    een zorgovereenkomst tussen [verdachte] B.V. en budgethouder [budgethouder 4] gedateerd op 30 december 2016 (DOC-034-06, 08, 10 en 11),

telkens zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid telkens hierin dat op die facturen – in strijd met de waarheid – stond vermeld dat [verdachte] B.V. aan voornoemde klant(en):

  • -

    zorg heeft verleend voor het aantal op die facturen vermelde uren (in de vorm van persoonlijke verzorging en/of begeleiding individueel en/of begeleiding groep en/of verpleging heeft verleend) en

  • -

    zorg heeft verleend voor de op die facturen vermelde totaalbedragen,

en

op die zorgovereenkomsten – in strijd met de waarheid – stond vermeld en/of ingevuld dat de vergoeding voor de door [verdachte] B.V. verleende zorg en/of nog te verlenen zorg op grond van de Wlz per maand 3.466 euro en 2.300 euro en 3.680 euro bedraagt,

en bestaande dat gebruikmaken en afleveren hieruit dat hij en/of haar mededaders die facturen en die zorgovereenkomsten telkens

- heeft/hebben verstrekt en/of doen verstrekken aan de klanten [getuige 2] en [budgethouder 1] en [budgethouder 2] en [budgethouder 5] en [budgethouder 6] en [budgethouder 3] en [budgethouder 7] en [budgethouder 8] en [budgethouder 9] en [budgethouder 10] en [budgethouder 4] en/of een familielid en/of familieleden van deze klanten en heeft/hebben ingediend en/of doen indienen bij de Sociale Verzekeringsbank en/of het Zilveren Kruis en/of een andere zorgverzekeraar en/of zorgkantoor,

en bestaande het voorhanden hebben hieruit dat zij en/of haar mededader(s) die facturen en die zorgovereenkomsten telkens

- heeft/hebben opgenomen en/of doen opnemen in de (digitale) administratie van [verdachte] B.V.,

zulks terwijl [verdachte] B.V. en haar mededader(s) telkens wist(en) dat deze geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Feit 2

[verdachte] B.V. op tijdstippen in de periode van 13 januari 2014 tot en met 4 april 2018 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een of meer listige kunstgrepen de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Zilveren Kruis en de gemeente Utrecht heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen ten behoeve van Persoonsgebonden Budget, te weten een geldbedrag van 4.673.959 euro met betrekking tot gefactureerde zorg voor de op de verdeellijsten vermelde budgethouders (AMB-053-01 en DOC-023-03),

immers heeft [verdachte] B.V., verdachte, en/of haar mededader(s) telkens met voornoemd oogmerk – zakelijk weergegeven – listiglijk en in strijd met de waarheid aan bovengenoemde SVB en/of het Zilveren Kruis en/of de gemeente Utrecht voorgewend dat [verdachte] B.V. voor de totaal gedeclareerde geldbedragen en de totaal vastgestelde maandbedragen aan zorg heeft verleend en/of zou gaan verlenen aan de bovengenoemde (en op de verdeellijsten vermelde) budgethouders en:

  • -

    daartoe zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren en declaratieformulieren en facturen op naam van deze budgethouders heeft/hebben ingediend en/of doen indienen en/of opgestuurd en/of doen opsturen bij/naar de SVB en/of het Zilveren Kruis en

  • -

    aldus met die zorgovereenkomsten en verantwoordingsformulieren en declaratieformulieren en facturen Persoonsgebonden Budgetten op naam van deze budgethouders heeft/hebben aangevraagd en/of doen aanvragen en/of verantwoord en/of doen verantwoorden en/of gedeclareerd en/of doen declareren,

waardoor de SVB en het Zilveren Kruis en de gemeente Utrecht telkens zijn bewogen tot het definitief toekennen van Persoonsgebonden Budgetten dat bij wijze van voorschot was uitgekeerd en/of afgifte van de Persoonsgebonden Budgetten.

Feit 3

[verdachte] B.V. op tijdstippen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 11 april 2018 in Nederland en/of Turkije, tezamen en in vereniging met anderen,

geldbedragen van in totaal 7.809.269 euro heeft/hebben verworven en voorhanden heeft/hebben gehad en

geldbedragen van in totaal 6.484.600,95 euro heeft/hebben overgedragen en van die geldbedragen gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl [verdachte] B.V., verdachte, en/of haar mededader(s), telkens wist(en) dat voormelde geldbedragen, gedeeltelijk afkomstig waren uit enig misdrijf en

terwijl [verdachte] B.V., verdachte, en/of haar mededader(s), daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onderzoeksnummer 6640-2017-2024, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 3157). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. AMB staat voor ambtshandeling, V staat voor proces-verbaal van verhoor verdachte en G staat voor proces-verbaal verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar D betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering.

2 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 10.

3 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 11.

4 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 11.

5 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 12.

6 Relaas-proces-verbaal algemeen dossier, pagina 12.

7 AG-001-01, pagina 2471.

8 G-016-01, pagina 2781.

9 G-016-01, pagina 2782.

10 DOC-003-02A, pagina 2015.

11 DOC-003-02A, pagina 2016.

12 AMB-15-01, pagina 1132.

13 V-002-01, pagina 98.

14 AMB-15-01, pagina 1135.

15 V-003-05, pagina 228.

16 AMB-15-01, pagina 1137.

17 V-004-08, pagina 329.

18 AMB-030-01, pagina 1294.

19 AMB-030-01, pagina 1294.

20 V-004-08, pagina 330.

21 V-004-08, pagina 331.

22 V-002-L, pagina 69.

23 DOC-008-01, pagina 2139.

24 AMB-053-01, pagina 3152.

25 AMB-053-01, pagina 3153.

26 V-010-01, pagina 682.

27 AMB-020-07, pagina 1223.

28 AMB-020-07, pagina 1229.

29 AMB-020-07, pagina 1232.

30 AMB-020-07, pagina 1231.

31 AMB-020-07, pagina 1232.

32 V-011-03, pagina 699.

33 V-011-03, pagina 700.

34 DOC-020-05, pagina 2301.

35 V-012-01, pagina 708.

36 V-012-01, pagina 709.

37 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 384.

38 AMB-020-03, pagina 1174.

39 V-022-01, pagina 2650.

40 V-022-01, pagina 2651.

41 V-022-01, pagina 2656.

42 V-022-01, pagina 2657.

43 AMB-030-02, pagina 1309.

44 V-020-01, pagina 2456.

45 V-020-01, pagina 2457.

46 AMB-030-06, pagina 2489.

47 AMB-031-01, pagina 1321.

48 AMB-031-01, pagina 1322.

49 AMB-045-02, pagina 2859.

50 AMB-045-02, pagina 2861.

51 AMB-045-03, pagina 2865.

52 AMB-045-03, pagina 2866.

53 AMB-045-02, pagina 2863 en 2864.

54 AMB-045-03, pagina 2866.

55 AMB-045-03, pagina 2867.

56 AMB-045-03, pagina 2868.

57 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 361.

58 DOC-012-05, pagina 2175.

59 DOC-012-07, pagina 2177.

60 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 369.

61 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 370.

62 DOC-015-06, pagina 2224.

63 DOC-015-25, pagina 2243.

64 DOC-015-26, pagina 2244.

65 DOC-016-02, pagina 2247.

66 DOC-016-04, pagina 2249.

67 DOC-016-05, pagina 2250.

68 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 380.

69 V-012-01, pagina 708.

70 DOC-020-04, pagina 2300.

71 DOC-016-07, pagina 2252.

72 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 383.

73 DOC-016-07, pagina 2254

74 DOC-014-02, pagina 2202.

75 DOC-014-04, pagina 2204.

76 DOC-014-10, pagina 2210.

77 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 385.

78 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 387.

79 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 388.

80 DOC-013-02, pagina 2180.

81 DOC-013-07, pagina 2185.

82 DOC-013-11, pagina 2189.

83 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 393.

84 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 393.

85 DOC-025-01, pagina 2348.

86 DOC-025-03, pagina 2354.

87 DOC-025-04, pagina 2357.

88 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 400.

89 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 402.

90 V-022-01, pagina 2656.

91 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 403.

92 DOC-027-01, pagina 2386.

93 DOC-027-02, pagina 2389.

94 DOC-027-02, pagina 2392.

95 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 406.

96 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 407.

97 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 409.

98 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 405.

99 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 407.

100 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 408.

101 DOC-028-03, pagina 2399.

102 DOC-028-04, pagina 2400.

103 DOC-028-05, pagina 2402.

104 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 413.

105 Zaaksdossier artikel 225/326 Wetboek van Strafrecht, pagina 416.

106 DOC-032-01, pagina 2516.

107 DOC-032-02, pagina 2519.

108 DOC-032-03, pagina 2522.

109 AMB-039-01, pagina 2411.

110 AMB-039-01, pagina 2413.

111 AMB-039-01, pagina 2414.

112 AMB-039-01, pagina 2410.

113 AMB-039-01, pagina 2412.

114 AMB-039-01, pagina 2413.

115 DOC-034-01, pagina 2549.

116 DOC-033-01, pagina 2535.

117 DOC-033-01, pagina 2532.

118 AMB-039-01, pagina 2418.

119 AMB-039-01, pagina 2419.

120 AMB-039-01, pagina 2420.

121 AMB-039-01, pagina 2417.

122 AMB-039-01, pagina 2418.

123 AMB-039-01, pagina 2420.

124 DOC-033-01, pagina 2532.

125 AMB-039-01, pagina 2426.

126 V-020-01, pagina 2456.

127 AMB-039-01, pagina 2427.

128 DOC-034-06, pagina 2569.

129 DOC-034-06, pagina 2570.

130 AMB-039-01, pagina 2427.

131 DOC-034-08, pagina 2582.

132 AMB-039-01, pagina 2427.

133 V-020-01, pagina 2456.

134 V-020-01, pagina 2457.

135 V-020-01, pagina 2457.

136 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 426.

137 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 429.

138 AMB-030-01, pagina 1294.

139 AMB-030-01, pagina 1294.

140 AMB-020-08, pagina 1236.

141 AMB-020-08, pagina 1244.

142 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 430.

143 V-004-08, pagina 334.

144 V-004-08, pagina 335.

145 V-004-08, pagina 343.

146 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 434.

147 AMB-020-09, pagina 2479.

148 V-004-08, pagina 336.

149 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 437.

150 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 438.

151 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 439.

152 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 437.

153 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 438.

154 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 437.

155 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 439.

156 V-004-08, pagina 338.

157 Zaaksdossier artikel 420bis/420ter Wetboek van Strafrecht, pagina 436.

158 V-014-01, pagina 735.

159 V-004-08, pagina 332.