Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5621

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
7500439 AE VERZ 19-11 JH/1050
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden. De verzoekende partij moet aan verweerster een bedrag betalen van € 30.000 bruto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 7500439 AE VERZ 19-11 JH/1050

Beschikking van 22 maart 2019

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Nedahuis B.V. / Kommak,

gevestigd te Amersfoort,

verder ook te noemen Nedahuis,

verzoekende partij,

gemachtigde: Y. el-Messaoudi,

tegen:

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. J. Soet.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties van Nedahuis, ter griffie ingekomen op 31 januari 2019;

  • -

    het verweerschrift met producties van [verweerster] , ter griffie ingekomen op 8 maart 2019;

  • -

    de door Nedahuis bij faxbericht van 18 maart 2019 nagezonden producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 19 maart 2019, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

1.2.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] , geboren op [1982] , is sinds 1 juni 2012 in dienst van Nedahuis, laatstelijk in de functie van Managing Director/Regiomanager Zorg. Haar brutoloon bedraagt € 5.078 per maand, exclusief emolumenten.

2.2.

[verweerster] heeft zich op 26 april 2018 ziek gemeld en is op dit moment nog steeds arbeidsongeschikt.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Nedahuis verzoekt, na wijziging van haar verzoek ter zitting, op grond van het bepaalde in artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub g Burgerlijk Wetboek (BW) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van 1 juli 2019.

3.2.

Nedahuis voert daartoe aan dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord is geraakt dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te laten voortduren. Er is een verschil van inzicht ontstaan over de wijze waarop [verweerster] invulling dient te geven aan de door haar uit te voeren taken. Ondanks inspanningen van partijen is het niet gelukt om het verschil van inzicht te overbruggen en om de arbeidsverhouding te herstellen. Hiervan kan geen van partijen een verwijt worden gemaakt. Herplaatsing in een andere passende functie is niet mogelijk gebleken.

3.3.

[verweerster] betwist niet dat de arbeidsverhouding ernstig is verstoord. Zij benadrukt dat zij zich steeds naar behoren voor haar werk heeft ingezet en dat haar van de ontstane situatie geen verwijt treft. Het verzoek houdt volgens [verweerster] geen verband met enig opzegverbod.

4 De beoordeling

4.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van Nedahuis is dat de werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:671b BW de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond als vermeld in lid 1 van dat artikel. De kantonrechter dient die redelijke grond te onderzoeken op grond van artikel 7:671b lid 2 BW.

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. De verstoring is zodanig ernstig dat van Nedahuis in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te laten voortduren. Partijen zijn het eens dat géén van partijen hiervan een verwijt treft. Herplaatsing in een andere passende functie behoort niet tot de mogelijkheden.

4.3.

Zoals hiervoor onder de feiten is opgenomen, heeft [verweerster] zich op 26 april 2018 ziek gemeld. Zij was ook ziek ten tijde van de indiening van het onderhavige verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Niet gebleken is echter dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst verband houdt met de ziekte van [verweerster] , zodat, mede gezien het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 onder a BW, het opzegverbod tijdens ziekte toepassing mist. Evenmin is gebleken dat het verzoek verband houdt met een ander opzegverbod.

4.4.

Op grond van hetgeen over en weer is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.

4.5.

Nu het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, dient het einde van de arbeidsovereenkomst te worden bepaald. Partijen hebben de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 juli 2019. Nu deze datum niet vroeger ligt dan de wettelijk voorgeschreven datum is er geen bezwaar tegen toekenning van dit deel van het verzoek.

4.6.

Partijen zijn het erover eens dat [verweerster] aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 30.000 bruto, waarin de wettelijke transitievergoeding is inbegrepen. Nedahuis zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.

4.7.

De proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

5.2.

bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2019;

5.3.

veroordeelt Nedahuis om aan [verweerster] een bedrag te betalen van € 30.000 bruto;

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte;

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2019.