Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:561

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
16/659394-18 en 16/652216-16 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heropening van het onderzoek en afsplitsing van de gevoegde aangebrachte feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/659394-18 en 16/652216-16 (gev. ttz) (P)

TUSSENVONNIS van de meervoudige kamer van 14 februari 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1971] te [geboorteplaats] ,
verblijvende te P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 september 2018, 27 september 2018, 24 december 2018 en 31 januari 2019. De strafzaak is op 31 januari 2019 inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, alsmede mr. F. ten Berge, advocaat te Utrecht, namens de benadeelde partij [benadeelde] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/659394-18, feit 1

primair:

in de periode van 1 mei 2018 tot en met 4 juni 2018, in Zeist, [benadeelde] meermalen heeft verkracht;

subsidiair:

in de periode van 1 mei 2018 tot en met 4 juni 2018, in Zeist, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen seksueel is binnengedrongen bij [benadeelde] , terwijl hij wist dat [benadeelde] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken;

16/659394-18, feit 2

op 4 juni 2018, in Zeist, heeft geprobeerd seksueel binnen te dringen bij [benadeelde] , terwijl hij wist dat [benadeelde] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken;

16/659394-18, feit 3

op 3 juni 2018 in Zeist, of in elk geval in Nederland, verbleef, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd;

16/652216-16

op 3 april 2016 in Utrecht, of in elk geval in Nederland, verbleef, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard of tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd.

3 HEROPENING VAN HET ONDERZOEK

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 31 januari 2019 en tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek ten aanzien van het onder parketnummer 16/659394-18 feit 3 tenlastegelegde en het onder 16/652216-16 tenlastegelegde niet volledig is geweest. Ter terechtzitting is gebleken dat de rechtbank niet over alle (bestuursrechtelijke) besluitvorming van het ministerie van Justitie en Veiligheid alsmede rechterlijke uitspraken daarover beschikt. Uit de uitspraak van de vreemdelingenrechter van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:919) volgt dat aan verdachte bij besluit van 8 juni 2015 een terugkeerbesluit is uitgevaardigd alsmede bij besluit van 29 januari 2018 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan verdachte is opgelegd. Over deze besluitvorming beschikt de rechtbank echter niet, terwijl deze wel van belang is voor de beoordeling van het onder 16/659394-18 feit 3 en 16/652216-16 tenlastegelegde. Aldus constateert de rechtbank dat het dossier ten aanzien van de verdenking van de - kort gezegd - 197 Sr-feiten onvolledig is.

Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting een verzoek gedaan tot splitsen en aanhouden van deze feiten vanwege de prejudiciële vragen die door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), zijn gesteld bij arrest van 27 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2192) over de uitleg van de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank overweegt dat de beantwoording van deze vragen mogelijk relevant is voor de beoordeling van de tenlastegelegde 197-feiten. Nu het dossier over voornoemde feiten niet volledig is, kan de rechtbank op dit moment nog niet overzien of de beoordeling van deze feiten (verder) moet worden aangehouden totdat het HvJ EU naar aanleiding van de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële heeft beantwoord.

Gelet op voorgaande acht de rechtbank heropening van het onderzoek noodzakelijk. Omdat gevoegde behandeling om deze reden niet langer in het belang van het onderzoek is, heeft de rechtbank bij terechtzitting van heden op voet van artikel 285 derde lid Sv 16/659394-18 feit 3 en 16/652216-16 afgesplitst van de onder 16/659394-18 feit 1 en 2 tenlastegelegde feiten. De rechtbank zal het onderzoek ten aanzien van het onder parketnummer 16/659394-18 feit 3 tenlastegelegde en het onder 16/652216-16 tenlastegelegde (‘de 197 Sr-feiten’) voor onbepaalde tijd aanhouden, waarbij de officier van justitie wordt opgedragen om een volledig dossier aan de rechtbank over te leggen. Het onderzoek ten aanzien van de onder 16/659394-18 feit 1 en 2 tenlastegelegde feiten wordt gesloten, zodat hierin vonnis kan worden gewezen.

4 BESLISSING

De rechtbank:

Heropening onderzoek

- heropent het onderzoek ter terechtzitting dat op de zitting van 31 januari 2019 is gesloten;

- gelast de splitsing van de gevoegd aangebrachte feiten (onder parketnummer 16/659394-18 en 16/652216-16), met dien verstande dat enerzijds de feiten 1 en 2 (onder parketnummer 16/659394-18), en anderzijds feit 3 (onder parketnummer 16/659394-18) én het ten laste gelegde onder 16/652216-16 afzonderlijk zullen worden afgedaan

- sluit het onderzoek voor het onder parketnummer 16/659394-18 feit 1 en 2 tenlastegelegde;

- schorst het onderzoek voor het onder parketnummer 16/659394-18 feit 3 tenlastegelegde en het onder 16/652216-16 tenlastegelegde voor onbepaalde tijd;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde uitvoering te geven aan hetgeen in dit vonnis is aangegeven;

- beveelt de oproeping van verdachte en zijn raadsman tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. J. Spee en E. Slager, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Antonides, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 februari 2019.

De griffier is buiten staat mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16/659394-18

1.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot en met 4 juni 2018, te

Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

meermalen, althans een maal, (telkens) door geweld of een andere feitelijkheid

en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

[benadeelde] (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer

handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [benadeelde] ,

hebbende verdachte (telkens) (meermalen)

- zijn vinger(s) in de vagina en/of anus van die [benadeelde] geduwd en/of

gebracht en/of met zijn vinger(s) heen en weer gaande bewegingen gemaakt in de

vagina en/of anus van die [benadeelde] , en/of

- zijn penis in de vagina en/of anus van die [benadeelde] geduwd en/of gebracht

en/of met zijn penis heen en weer gaande bewegingen gemaakt in de vagina en/of

anus van die [benadeelde] , en/of

- zijn tong en/of mond in de mond en/of vagina en/of anus van die [benadeelde]

heeft gebracht, en/of

bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreigingen met

geweld en/of een andere feitelijkheid, dat hij, verdachte,

- voorbij is gegaan aan de door die [benadeelde] afgegeven signalen en/of

uitlatingen dat zij, [benadeelde] , voornoemde handelingen van, hem, verdachte

pijnlijk vond en/of niet wilde ondergaan, en/of

- ( daarbij) gebruik gemaakt van zijn, verdachtes, fysieke en mentale

overwicht, waardoor hij een bedreigende situatie voor die [benadeelde] doen

ontstaan en/of in stand gehouden;

art 242 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2018 tot en met 4 juni 2018, te

Zeist, althans in het arrondissement Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

meermalen, althans een maal,

met [benadeelde] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van

bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan

wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar

geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden

uit het (meerdere malen) seksueel binnendringen van het lichaam van die

[benadeelde] , hebbende verdachte (telkens) (meermalen)

- zijn vinger(s) in de vagina en/of anus van die [benadeelde] geduwd en/of

gebracht en/of met zijn vinger(s) heen en weer gaande bewegingen gemaakt in de

vagina en/of anus van die [benadeelde] , en/of

- zijn penis in de vagina en/of anus van die [benadeelde] geduwd en/of gebracht

en/of met zijn penis heen en weer gaande bewegingen gemaakt in de vagina en/of

anus van die [benadeelde] , en/of

- zijn tong en/of mond in de mond en/of vagina en/of anus van die [benadeelde]

heeft gebracht, en/of

bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreigingen met

geweld en/of een andere feitelijkheid, dat hij, verdachte,

- voorbij is gegaan aan de door die [benadeelde] afgegeven signalen en/of

uitlatingen dat zij, [benadeelde] , voornoemde handelingen van, hem, verdachte

pijnlijk vond en/of niet wilde ondergaan, en/of

- ( daarbij) gebruik gemaakt van zijn, verdachtes, fysieke en mentale

overwicht, waardoor hij een bedreigende situatie voor die [benadeelde] doen

ontstaan en/of in stand gehouden;

art 243 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 4 juni 2018 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering door het door verdachte voorgenomen misdrijf om,

met [benadeelde] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van

bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan

wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar

geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden

uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] ,

immers heeft hij, verdachte,

- een afspraak gemaakt met die [benadeelde] om langs te komen op voornoemde

datum, en/of

- zich naar de woning/verblijfplaats van die [benadeelde] begeven, en/of

- ( vervolgens) door het raam van die [benadeelde] naar binnengekeken, en/of

- ( vervolgens) de aandacht van die [benadeelde] getrokken door op het raam te

kloppen/bonzen teneinde door haar te worden binnengelaten

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 243 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 3 juni 2018 te Zeist, in elk geval in Nederland, als

vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te

vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk

geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was

verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met

toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

art 197 Wetboek van Strafrecht;

16/652216-16

hij op of omstreeks 03 april 2016 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als

vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te

vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk

geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was

verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met

toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

art 197 Wetboek van Strafrecht.