Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:556

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
C/16/424372 / HA ZA 16-751
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Bouwzaak. Benoeming deskundige.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2018:5526)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/424372 / HA ZA 16-751

Vonnis van 13 februari 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. F. Dijkslag te Amersfoort,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. “ [handelsnaam] ”,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. B.H.M. Karens te Ede Gld.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 november 2018

  • -

    de akte uitlaten deskundige met eiswijziging van [eiser]

  • -

    de akte uitlaten deskundige van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 14 november 2018 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank aangekondigd een deskundige te zullen benoemen om informatie in te winnen over de waarde van het door [gedaagde] verrichte werk aan de aanbouw van [eiser] . De rechtbank blijft bij dat wat in het tussenvonnis is geoordeeld, met uitzondering van enkele aanvullingen aanpassingen aan de vraagstelling, die hierna zullen worden toegelicht.

2.2.

De vraagstelling aan de deskundige luidt als volgt:

1. in hoeverre heeft [gedaagde] de werkzaamheden zoals genoemd in 4.1 van het tussenvonnis van 14 november 2018, met uitzondering van de posten 10, 14 en 23, verricht?

2. welk bedrag moet ten aanzien van de werkzaamheden die [gedaagde] niet (correct of volledig) heeft verricht naar uw mening in mindering komen op de aanneemsom?

3. zijn de door [eiser] gestelde scheuren in de badkamermuur en buitenmuur (zie post 30 in de dagvaarding) ontstaan door de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden? Wat kost het om deze schade te herstellen?

4. zijn er naar aanleiding van het door [gedaagde] gedane werk betonrestanten achtergebleven in de tuin (zie post 28 in de dagvaarding) en (zo ja) wat kost het om die betonrestanten af te (laten) voeren?

5. zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen en waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling van de zaak?

2.3.

De rechtbank heeft vraag 2 zo aangepast dat de deskundige niet hoeft te onderzoeken wat het door [gedaagde] gedane werk waard is, maar dat hij alleen hoeft te onderzoeken welk bedrag voor het niet gedane (en wel overeengekomen) werk in mindering hoeft te komen. Dat is in overeenstemming met het uitgangspunt dat de waarde die [eiser] moet vergoeden gelijk is aan de overeengekomen aanneemsom, te vermeerderen met de afrekening meer- en minderwerk (zie 4.10, tussenvonnis 20 december 2017).

2.4.

De deskundige hoeft zijn onderzoek niet te richten op de posten 10, 14 en 23. Over de in rekening te brengen minderprijs ten aanzien van de posten 10 en 14 zijn partijen het eens (zie 4.7 tussenvonnis) en post 23 betreft het (tijdelijk) plaatsen van een steiger die er inmiddels niet meer zal staan.

2.5.

[eiser] is van mening dat de deskundige alle in de dagvaarding gestelde gebreken in zijn onderzoek moet meenemen. Daarin gaat de rechtbank niet mee. In het tussenvonnis is geoordeeld dat niet alle werkzaamheden waarvan [eiser] in de dagvaarding stelt dat deze niet (correct) zijn uitgevoerd, onderdeel zijn van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Daarvoor is niet betaald en ten aanzien daarvan hoeft – naar aanleiding van de ontbinding – dus ook geen minderprijs in rekening te worden gebracht.

2.6.

[eiser] heeft verder voorgesteld dat in de vraagstelling wordt betrokken dat de deskundige de bij de dagvaarding overgelegde deskundigenrapporten moet bespreken. Ook daarin gaat de rechtbank niet mee. De deskundige mag bij het uitvoeren van het onderzoek kennisnemen van het dossier en is vrij om te bepalen welke gegevens hij gebruikt om tot een deskundig en onafhankelijk oordeel te komen.

2.7.

Verder wijst [eiser] er op dat de rechtbank nog niet is ingegaan op de door hem gestelde geleden schade naar aanleiding van het (niet gedane) werk van [gedaagde] . Dat betreft de posten 27 t/m 30 in de dagvaarding. Anders dan [gedaagde] stelt, heeft de rechtbank die schade niet afgewezen in r.o. 4.16 van het tussenvonnis van 20 december 2017. Deze overweging ziet immers alleen op het standpunt van [eiser] dat zijn woning in waarde is gedaald (punt 25).

2.8.

De posten 27 (schade aan parketvloer) en 29 (vochtschade plafond platte dak) zien op vochtschade. De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de vijver waterdicht moest maken en dat hij ventilatie moest aanbrengen in de kelder en gaat er daarom niet van uit dat de gestelde vochtschade een gevolg is door [gedaagde] ten onrechte níet uitgevoerde werkzaamheden. De rechtbank zal de deskundige daarom niet vragen deze opgevoerde schadeposten mee te nemen in het deskundigenonderzoek.

2.9.

Ten aanzien van post 28 (opruimen betonrestanten) en post 30 (scheuren bestaande woning) zal de rechtbank de deskundige wél vragen om deze mee te nemen in zijn onderzoek.

2.10.

De rechtbank zal de heer S. van de Wal benoemen als deskundige. De heer Van de Wal heeft jarenlange ervaring met het optreden als deskundige in bouwzaken bij de rechtbank.

2.11.

Zoals in de vorige beslissing al is aangekondigd, moet het voorschot op de kosten van de deskundige door [eiser] worden gedeponeerd.

2.12.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.13.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, moet hij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan en zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

2.15.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

benoemt tot deskundige:

De heer Sytze van de Wal ( […] ),

correspondentie- en bezoekadres: [correspondentie- en bezoekadres] ,

[postcode] [plaatsnaam] ,

telefoon: [telefoonnummer] ,

e-mailadres: [e-mailadres],

3.2.

beveelt een onderzoek door de deskundige ter beantwoording van de vragen als vermeld in 2.2.,

het voorschot

3.3.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

  • -

    de deskundige dient binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten

  • -

    de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen

  • -

    partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting

  • -

    indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag

  • -

    indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

3.4.

bepaalt dat [eiser] het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

3.5.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

3.6.

bepaalt dat [eiser] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

3.7.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

3.8.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

  • -

    de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,

  • -

    indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,

3.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

3.10.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

3.11.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

  • -

    de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

3.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

overige bepalingen

3.13.

bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 2 oktober 2019,

3.14.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

  • -

    indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of

  • -

    na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser] op een termijn van vier weken,

3.15.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,

3.16.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019.1

1 type: RV (4877)