Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5543

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2019
Datum publicatie
29-11-2019
Zaaknummer
7699554
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 843a Rv; expertiserapport; contractueel geheimhoudingsbeding; rechtmatig belang; geen gewichtige redenen; geen waarborg behoorlijke rechtsbedeling; toewijzing vordering afschrift rapport; vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7699554 UC EXPL 19-4024 BJ/33913

Vonnis van 20 november 2019

inzake

het kerkgenootschap

[eiseres] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. R.C.H. Schrömbges,

tegen:

de besloten vennootschap

ProRail B.V.,

gevestigd in Utrecht,

verder ook te noemen: ProRail,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. D.M.C. van der Pas.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 31 juli 2019, waarin de kantonrechter zich bevoegd heeft verklaard van de vordering van [eiseres] kennis te nemen (na instemming van beide partijen met behandeling van de zaak door de kantonrechter op grond van artikel 96 Rv, waarbij partijen zich de mogelijkheid van hoger beroep hebben voorbehouden),

- de conclusie van repliek tevens houdende eiswijziging voor zover vereist, met producties,

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat op 20 november 2019 uitspraak zal worden gedaan.

2 De beoordeling

Waar gaat het om?

2.1.

[eiseres] heeft een kosterswoning aan de [adres] in [woonplaats] in eigendom (hierna: de kosterswoning). In de (directe) nabijheid van de kosterswoning heeft de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) in de nacht van 30 juli 2016 op 31 juli 2016 werkzaamheden aan het spoor uitgevoerd in opdracht van ProRail. Volgens [eiseres] is er als gevolg van die werkzaamheden schade ontstaan aan de muren van de kosterswoning, in de vorm van diverse scheuren. Op 31 juli 2016 heeft [eiseres] hierover ter plekke gesproken met een vertegenwoordiger van [bedrijfsnaam 1] . [eiseres] heeft verder op 1 augustus 2016 melding van de volgens hem ontstane schade gedaan bij ProRail, zowel telefonisch als door middel van een aangifteformulier.

[eiseres] heeft zowel ProRail als [bedrijfsnaam 1] aansprakelijk gesteld voor de (vermeende) schade. Beide ondernemingen hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen, waarbij [bedrijfsnaam 1] [eiseres] heeft verwezen naar ProRail en ProRail [eiseres] heeft verwezen naar [bedrijfsnaam 1] .

2.2.

Er is omstreeks januari 2017 een expertiserapport in verband met bovengenoemde werkzaamheden opgesteld, in opdracht van [bedrijfsnaam 1] . Dit rapport heeft ProRail ook. [eiseres] heeft ProRail verzocht om een afschrift van dit rapport (onder meer in een brief van 8 maart 2018). ProRail heeft afwijzend op het verzoek gereageerd, omdat zij een contractuele geheimhoudingsplicht heeft in haar relatie met [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 1] haar toestemming heeft geweigerd het rapport aan [eiseres] te verschaffen. [eiseres] vordert in deze procedure een afschrift van het expertiserapport, op grond van artikel 843a van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv).

Voorwaarden artikel 843a lid 1 Rv

2.3.

In artikel 843a lid 1 Rv staat dat hij die daarbij rechtmatig belang (i) heeft afschrift kan vorderen van bepaalde bescheiden (ii) aangaande een rechtsbetrekking (iii) waarin hij partij is van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft (iv). Ook een verbintenis uit onrechtmatige daad geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv.

2.4.

De kantonrechter stelt voorop dat uit de stukken blijkt dat er één expertiserapport is opgemaakt dat verband houdt met de werkzaamheden die [bedrijfsnaam 1] in juli 2016 in opdracht van ProRail in de buurt van de kosterswoning heeft uitgevoerd. Duidelijk is dat [eiseres] een afschrift van dit rapport wenst. De kantonrechter gaat niet mee in de stelling van ProRail dat niet duidelijk is welk rapport [eiseres] bedoelt, omdat [eiseres] het in de dagvaarding heeft over een rapport van schade-expert [bedrijfsnaam 2] GmbH en er volgens ProRail alleen een rapport van [bedrijfsnaam 3] (van 24 januari 2017) is. ProRail heeft immers aangegeven dat het rapport van [bedrijfsnaam 3] het enige rapport is dat zij van [bedrijfsnaam 1] heeft ontvangen. ProRail heeft ook erkend dat daar iets in staat over de bewuste werkzaamheden en de kosterswoning. Dus is voldoende bepaald dat het rapport van [bedrijfsnaam 3] van 24 januari 2017 het rapport is waarvan [eiseres] afschrift vordert. Aan voorwaarde (ii) van artikel 843a lid 1 Rv is dus voldaan.

2.5.

De stelling van ProRail dat [eiseres] het rapport niet bij haar maar bij [bedrijfsnaam 1] dient op te vragen omdat [bedrijfsnaam 1] eigenaar is van het rapport, volgt de kantonrechter niet. ProRail erkent dat zij het rapport heeft en in zoverre is dus voldaan aan de voorwaarde dat zij het rapport tot haar beschikking heeft dan wel onder haar berusting heeft (voorwaarde (iv) van artikel 843a lid 1 Rv).

2.6.

De kantonrechter is verder van oordeel dat [eiseres] een rechtmatig belang heeft bij afschrift van het expertiserapport (of in ieder geval een deel daarvan) en dat dus ook aan voorwaarde (i) van artikel 843a lid 1 Rv is voldaan. Uit de stellingen van [eiseres] kan worden afgeleid dat hij overweegt een schadevorderingsprocedure (op grond van onrechtmatige daad) te beginnen. Het rapport is relevant voor (het bepalen van) de rechtspositie van [eiseres] en mogelijk heeft hij het rapport voor bewijslevering nodig. Dit is een rechtmatig belang. Er is in dit geval geen sprake van een algemene zoektocht zonder afgebakend doel, een zogenaamde ‘fishing expedition’, zoals ProRail stelt. In de door haar aangehaalde rechtspraak ging het onder meer om ongefundeerde gissingen (Hof Den Bosch 12 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1668) en daar is hier geen sprake van. Duidelijk is immers (zie 2.4.) dat het expertiserapport wel degelijk voor [eiseres] relevante informatie bevat, namelijk informatie over de werkzaamheden in juli 2016 in de nabijheid van de kosterswoning (los van de vraag of erin staat dat daardoor schade is ontstaan) en het dus niet een gissing betreft. Wat betreft de precieze inhoud van het rapport, daar moet [eiseres] inderdaad naar gissen, maar dat komt nu juist omdat hij het rapport nooit heeft ingezien. Dat kan [eiseres] dus niet worden tegengeworpen.

2.7.

Over voorwaarde (iii), het bestaan van een rechtsbetrekking, hebben partijen geen geschil. De conclusie luidt dat aan alle voorwaarden van artikel 843a lid 1 Rv is voldaan. In beginsel dient ProRail dan ook een afschrift van het expertiserapport aan [eiseres] te verschaffen. Dit is alleen anders als een van de uitzonderingen van lid 4 zich voordoet.

Uitzonderingen artikel 843a lid 4 Rv

2.8.

In lid 4 van artikel 843a Rv is bepaald dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet is gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

2.9.

Het ligt op de weg van ProRail, die zich beroept op het bestaan van een gewichtige reden, te stellen en zo nodig aannemelijk te maken, met betrekking tot welke gegevens zij het bestaan van haar belang bij geheimhouding inroept en waarin dat belang bestaat. Daarbij dient de opgave zo specifiek te zijn dat de rechter zich een oordeel kan vormen over de gerechtvaardigdheid van het beroep op lid 4 van artikel 843a Rv (Hoge Raad 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985).

2.10.

ProRail voert aan dat zij een contractuele geheimhoudingsplicht heeft, die volgt uit een beding uit de UAV-GC 2005 dat in de overeenkomst tussen ProRail en [bedrijfsnaam 1] van toepassing is verklaard. Het gaat om paragraaf 40 lid 6 van de UAV-GC 2005, als volgt aangehaald door ProRail:

“Informatie door of namens de ene partij aan de andere partij beschikbaar gesteld, mag door de ontvangende partij niet aan derden bekend worden gemaakt, behoudens uitdrukkelijke toestemming van de ander. Deze verplichting geldt niet voor informatie van de Opdrachtgever waarvan de bekendmaking aan gemachtigden of hulppersonen van de Opdrachtnemer noodzakelijk is voor de uitvoering van de Werkzaamheden. De verplichting geldt evenmin voor informatie die algemeen bekend of voor het publiek toegankelijk is of die bekend wordt zonder dat dit aan de ontvangende partij kan worden… “

ProRail heeft de in het artikel bedoelde toestemming gevraagd aan [bedrijfsnaam 1] , maar [bedrijfsnaam 1] heeft deze toestemming geweigerd. ProRail riskeert dus in haar relatie met [bedrijfsnaam 1] toerekenbaar tekort te schieten als zij toch een afschrift van het expertiserapport aan [eiseres] verstrekt, aldus ProRail. Zo wordt ProRail onredelijk benadeeld. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad (van 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8421) stelt ProRail verder dat het van groot belang is dat partijen als ProRail en [bedrijfsnaam 1] erop kunnen vertrouwen dat de stukken en gegevens die zij aan elkaar verstrekken vertrouwelijk worden behandeld door de andere partij. Zo kunnen zij elkaar voor hun contractuele relatie relevante stukken verstrekken. Dit is van cruciaal belang voor de samenwerking tussen partijen om hun (publieke) taken uit te voeren. Dit klemt volgens ProRail te meer omdat in het rapport ook passages staan die geen betrekking hebben op de door [eiseres] gestelde schade en op rechtsverhoudingen waarbij [eiseres] geen partij is.

2.11.

De kantonrechter overweegt dat het in de door ProRail aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ging om een wettelijke verplichting tot geheimhouding (en geen contractuele zoals in de deze zaak), maar dat ook die op zichzelf niet voldoende is om een weigering om afschrift te rechtvaardigen. Er kan slechts van gewichtige redenen sprake zijn indien in de concrete omstandigheden van het geval de belangen waarop de geheimhoudingsplicht ten aanzien van de verlangde inlichtingen of stukken zich in het bijzonder richt, zwaarder wegen dan het zwaarwegende maatschappelijk belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt, aldus de Hoge Raad.

2.12.

ProRail heeft naar het oordeel van de kantonrechter in te algemene bewoordingen omschreven waarom de geheimhouding voor haar van belang is. De geheimhoudingsbepaling zelf is heel algemeen en ProRail heeft onvoldoende onderbouwd waar in dit geval het specifieke belang voor haar ligt en waarom dat zwaarder zou moeten wegen dan het belang van [eiseres] bij het kennis nemen van de bevindingen van de deskundige van [bedrijfsnaam 3] . Dat ProRail als gevolg van een toewijzend vonnis haar geheimhoudingsplicht jegens [bedrijfsnaam 1] zal moeten schenden, is niet een belang dat aan [eiseres] kan worden tegengeworpen. [eiseres] is immers geen partij bij die geheimhoudingsafspraak tussen ProRail en [bedrijfsnaam 1] . Voor het feit dat er ook passages in het rapport staan die geen betrekking hebben op de door [eiseres] gestelde schade is een praktische oplossing mogelijk (zie hierna in 2.14.). De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv.

2.13.

De kantonrechter is verder van oordeel dat zonder verschaffing van de gevraagde gegevens niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd. Hierboven (in 2.4.) is al overwogen dat het expertiserapport van [bedrijfsnaam 3] het enige rapport is met betrekking tot de werkzaamheden van [bedrijfsnaam 1] in juli 2016 en de mogelijk als gevolg daarvan ontstane schade. Voldoende aannemelijk is dat [eiseres] niet over andere bescheiden beschikt waarmee een eventueel causaal verband tussen de werkzaamheden en de gestelde schade kan worden aangetoond. Dat [eiseres] zich ook tot [bedrijfsnaam 1] kan richten om het rapport op te vragen en dus op die wijze een behoorlijke rechtsbedeling gewaarborgd is, is niet aannemelijk. Aannemelijk is dat ook [bedrijfsnaam 1] zal verwijzen naar het contractuele geheimhoudingsbeding (voor zover zij dat al niet heeft gedaan). De weigering van [bedrijfsnaam 1] om toestemming aan ProRail te verlenen om [eiseres] het rapport te verschaffen wijst ook in die richting. Verder is gebleken dat ProRail en [bedrijfsnaam 1] naar elkaar wijzen ten aanzien van de aansprakelijkheid. Dat boezemt geen vertrouwen in ten aanzien van de waarborg van een behoorlijke rechtsbedeling als de kantonrechter nu mee zou gaan in de stelling van ProRail en [eiseres] zou wijzen op de mogelijkheid om een procedure jegens [bedrijfsnaam 1] te starten om het rapport te verkrijgen (met het risico dus dat [bedrijfsnaam 1] weer naar ProRail zal wijzen).

De conclusie luidt dat het beroep van ProRail op artikel 843a lid 4 Rv niet slaagt.

Conclusie

2.14.

De vordering van [eiseres] zal dus worden toegewezen en wel als volgt. In lid 2 van artikel 843a Rv staat dat de rechter zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft, bepaalt. ProRail heeft te kennen gegeven dat het rapport ook passages bevat die geen betrekking hebben op de door [eiseres] gestelde schade en rechtsverhouding en heeft de kantonrechter daarom verzocht om die passages uit te sluiten. De kantonrechter geeft aan dit verzoek gehoor en zal ProRail veroordelen tot het verschaffen van een afschrift (een kopie) van de algemene passages van het rapport van [bedrijfsnaam 3] van 24 januari 2017 en van de passages die betrekking hebben op de werkzaamheden van [bedrijfsnaam 1] in de nacht van 30 op 31 juli 2016 en de al dan niet als gevolg van die werkzaamheden veroorzaakte schade aan/in de kosterswoning. Passages in het rapport die hierbuiten vallen, kan ProRail eventueel weglakken. ProRail zal een termijn van twee weken krijgen, die ingaat na de betekening van dit vonnis.

2.15.

De door [eiseres] gevorderde dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 25.000,00 zal worden toegewezen.

Vonnis uitvoerbaar bij voorraad?

2.16.

ProRail voert verweer tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. Van een toewijzend vonnis zal zij zeker in hoger beroep komen, aldus ProRail, en als het rapport eenmaal wordt verstrekt, heeft dat hoger beroep voor haar geen zin meer.

2.17.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring van dit vonnis zou een eventueel ingesteld hoger beroep inderdaad zinloos maken, zodat de kantonrechter dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. De kantonrechter wil ProRail wel in overweging geven om, ondanks het al aangekondigde hoger beroep, op grond van hetgeen hierboven wordt toegewezen (en de wijze waarop), eerst opnieuw een afweging te maken en mogelijk alsnog mee te werken aan het verstrekken van een afschrift aan [eiseres] zoals hierboven is toegewezen (dus ook zonder dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard). Zo kan een volgende procedure met alle kosten en tijd die daarmee zijn gemoeid, worden voorkomen.

Kosten

2.18.

ProRail zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 104,81

- griffierecht € 121,00

- salaris gemachtigde € 480,00 (2 punten x tarief € 240,00)

Totaal € 705,81.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, vanaf de veertiende dag na de betekening van het vonnis tot de voldoening. De gevorderde nakosten en wettelijke rente daarover zullen eveneens worden toegewezen, op de wijze zoals in de beslissing staat vermeld.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt ProRail om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis een afschrift (een kopie) aan [eiseres] te verstrekken van de algemene passages van het rapport van [bedrijfsnaam 3] van 24 januari 2017 en van de passages van het rapport van [bedrijfsnaam 3] van 24 januari 2017 die betrekking hebben op de werkzaamheden van [bedrijfsnaam 1] in de nacht van 30 op 31 juli 2016 en de al dan niet als gevolg van die werkzaamheden veroorzaakte schade aan/in de kosterswoning aan de [adres] in [woonplaats] ;

3.2.

bepaalt dat ProRail aan [eiseres] een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 voor iedere dag dat ProRail in gebreke blijft aan de veroordeling in 3.1. te voldoen, tot een maximum is bereikt van € 25.000,00;

3.3.

veroordeelt ProRail tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 705,81, waarin begrepen € 480,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan het bedrag aan proceskosten wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de voldoening;

3.4.

veroordeelt ProRail, onder de voorwaarde dat ProRail niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na aanschrijving tot de voldoening;

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de veertiende dag na betekening tot de voldoening;

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 november 2019.