Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5542

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
02-12-2019
Zaaknummer
C/16/482889 / KG ZA 19-408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding krakers; strafrechtelijke ontruiming; huisrecht art. 8 EVRM; belangenafweging; overlast; concrete plannen voor herontwikkeling; geen recht op vervangende woonruimte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/482889 / KG ZA 19-408

Vonnis in kort geding van 23 juli 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E. Tamas te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. S.J.M. Bouwman te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, betekend op 20 juni 2019, met twee producties,

  • -

    de brief van 11 juli 2019 van de Staat, met producties 1 tot en met 10,

  • -

    de conclusie van antwoord met een aanvullende productie,

  • -

    de mondelinge behandeling op 16 juli 2019, waarvan aantekeningen zijn gemaakt,

  • -

    de pleitnota van [eiser] , met een aantal bijlagen,

  • -

    de pleitnota van de Staat.

1.2.

Ten slotte is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

De familie [achternaam] heeft een aantal panden in eigendom, waaronder het pand aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het pand). Het pand wordt beheerd door [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] (hierna samen: [bedrijfsnaam 1 en 2] ). Het pand staat sinds 2015 leeg en is omstreeks oktober 2016 gekraakt. Namens [bedrijfsnaam 1 en 2] is op 24 oktober 2016 aangifte gedaan van huisvredebreuk. [eiser] woont sinds een aantal jaren in het pand.

2.2.

Op 7 september 2017 is namens [bedrijfsnaam 1 en 2] aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit (ten bate van het gekraakte pand) uit een naastgelegen pand dat ook onder het beheer van [bedrijfsnaam 1 en 2] valt.

2.3.

Vanaf 10 september 2017 tot en met 4 februari 2019 zijn (onder meer door omwonenden) meerdere meldingen bij de politie gedaan van geluidsoverlast (muziek) en stankoverlast (brandlucht) afkomstig van het pand. De meldingen zijn verwerkt in het politiesysteem en de politie is naar aanleiding van (een aantal van) de meldingen ter plaatse geweest. Binnen dezelfde periode zijn verder meldingen gedaan (onder meer) van ruzie (met gewond slachtoffer) en van mogelijke mishandeling.

2.4.

Op 10 januari 2019 heeft de gemeente aan [bedrijfsnaam 1 en 2] aangekondigd dat een last onder dwangsom zal worden opgelegd omdat het pand wordt bewoond en bewoning in strijd is met het bestemmingsplan.

2.5.

Op 7 februari 2019 heeft [bedrijfsnaam 1 en 2] een aangetekende brief naar de krakers gestuurd met de sommatie het pand uiterlijk op vrijdag 22 februari 2019 te verlaten.

2.6.

Op 13 februari 2019 heeft de politie een inval in het pand gedaan. Uit informatie uit het politiesysteem blijkt dat een gesignaleerd persoon is aangehouden en dat er diverse als gestolen geregistreerde goederen (onder andere fietsen) in het pand aanwezig waren. Bij de inval was ook een inspecteur van de afdeling Toezicht en Handhaving van de gemeente betrokken naar aanleiding van een ‘melding illegale horeca’ door de politie. In de conclusie van het proces-verbaal van bevindingen van de inspecteur staat onder meer dat er direct gevaar is voor de bewoners van het pand, vanwege het provisorisch aansluiten van een open gasleiding. Vervolgens heeft de netbeheerder op last van de inspecteur de gastoevoer afgesloten.

2.7.

Op 25 april 2019 is namens [bedrijfsnaam 1 en 2] een aanvullende verklaring afgelegd bij de politie met betrekking tot het proces-verbaal van aangifte van 24 oktober 2016. Namens [bedrijfsnaam 1 en 2] is onder meer verklaard dat er voor de panden van [bedrijfsnaam 1 en 2] plannen voor woningbouw zijn die in een vergevorderd stadium zijn. Ook is nader verklaard over de opgelegde last onder dwangsom en over de gebeurtenissen in februari 2019. Tot slot is verklaard dat [bedrijfsnaam 1 en 2] schade lijdt en heeft geleden door het kraken. Als de krakers het pand verlaten, zal [bedrijfsnaam 1 en 2] maatregelen nemen (zoals het pand afsluiten, hekken plaatsen en waar mogelijk kozijnen verwijderen) om te voorkomen dat er opnieuw gekraakt wordt.

2.8.

In een brief van 31 mei 2019 heeft de officier van justitie aan de krakers meegedeeld dat zij worden aangemerkt als verdachten van overtreding van de artikelen 138, 138a en/of 139 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en dat het voornemen bestaat om het pand uiterlijk op 26 juli 2019 te ontruimen.

2.9.

In een brief van [datum 1] 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan de gemeenteraad meegedeeld dat zij heeft ingestemd met het Startdocument [straatnaam] [.] in [naam buurt] (hierna: het startdocument) van [datum 2] 2019 en met de start van de vervolgfase, het opstellen van een Stedenbouwkundig Programma van Eisen. Het initiatief van [bedrijfsnaam 1 en 2] om ter plaatse woningbouw te realiseren dateert van 2015, zo blijkt uit het startdocument. In de planning in het startdocument staat dat met de bouw zal worden gestart omstreeks 2021.

2.10.

In een proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2019 verklaart de wijkagent over diverse incidenten in en rond het pand sinds september 2018 en over de inval op 13 februari 2019. Verder wordt verklaard over de melding bij de politie op 7 maart 2019 over een onwel geworden persoon en over een aangifte op 5 juni 2019 van mishandeling van een persoon in het pand op 1 juni 2019.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - de Staat te verbieden over te gaan tot strafrechtelijke ontruiming van het pand aan de [adres] in [woonplaats] , waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan het overhandigen van het pand aan derden, dan wel het niet optreden tegen huisvredebreuk jegens [eiser] gedurende zijn afwezigheid in het pand (I); en de Staat te bevelen het huisrecht van [eiser] in het pand aan de [adres] in [woonplaats] te beschermen tegen inbreuken door derden (II); en de Staat te veroordelen in de kosten van het geding (III).

3.2.

[eiser] stelt hiertoe dat hem niet bekend is op grond van welke feiten en omstandigheden de officier van justitie oordeelt dat tot strafrechtelijke ontruiming kan worden overgegaan, anders dan de verdenking van [eiser] van de overtreding van het bepaalde in de artikelen 138, 138a en 139 Sr. De officier van justitie heeft na zijn aankondiging dat [eiser] verdachte is, hem ten onrechte niet voorzien van alle informatie waarover de Staat in verband met de verdenking van [eiser] beschikt. Dit is in strijd met het recht op informatie in strafprocedures, het recht op een eerlijk proces en de redelijkheid en billijkheid.

Verder is van belang dat zowel de eigenaar als de officier van justitie hebben stilgezeten na aanvang van bewoning van het pand door [eiser] . Verder is niet tijdig bekend gemaakt wat de concrete belangen van [bedrijfsnaam 1 en 2] zijn bij de ontruiming van het pand. Er is volstaan met een standaardmededeling in de aanzegging. Ook hierdoor wordt het procesbelang van eiser geschaad. Door op deze wijze op te treden, misbruikt de officier van justitie de bevoegdheid tot strafrechtelijke ontruiming van [eiser] uit het pand, althans gebruikt hij die voor een ander doel dan waarvoor door de wetgever wordt beoogd.

[eiser] stelt verder dat hij op dit moment voor onderdak en bepaalde activiteiten is aangewezen op het pand. Hij beschikt niet over financiële middelen voor een ander onderdak. Door de ontruiming zal [eiser] dus op straat belanden. Huisvesting is een basale levensbehoefte en [eiser] heeft daar recht op. Dit volgt ook uit internationale verdragen zoals onder meer het Europees Sociaal Handvest (ESH) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). De Staat dient op zijn minst vervangende woonruimte aan te bieden, hetgeen ook volgt uit artikel 22 lid 2 van de Grondwet (Gw). Een redelijke en billijke belangafweging dient, mede gezien de voormelde gevolgen van ontruiming van [eiser] , en gezien het feit dat de Staat [eiser] geen vervangende woonruimte aanbiedt, in het voordeel van [eiser] uit te vallen. [eiser] verzoekt tot slot om de verplichting tot betaling van het griffierecht op te heffen. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:354).

3.3.

De Staat voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij de beoordeling van zijn vordering, omdat is aangekondigd dat de strafrechtelijke ontruiming die hij wil voorkomen uiterlijk op 26 juli 2019 zal plaatsvinden.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat kraken strafbaar is gesteld in de artikelen 138, 138a en 139 Sr. Aan deze strafbaarstelling is door de wetgever niet alleen de bescherming van het recht van de eigenaar van de woning of het gebouw ten grondslag gelegd, maar ook het belang van de openbare orde bij het voorkomen van kraken, en het voorkomen van strafbare feiten in het algemeen. In geval van een verdenking van overtreding van deze wetsartikelen kan in beginsel op de voet van artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) tot ontruiming worden overgegaan. Daarvoor is niet een (al dan niet onherroepelijke) veroordeling door de strafrechter noodzakelijk (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880).

4.3.

[eiser] betwist niet dat hij het pand heeft gekraakt, dus bestaat er op goede grond verdenking van overtreding van de in 4.2. genoemde verbodsbepalingen. De Staat kan in beginsel overgaan tot (aanzegging van de) strafrechtelijke ontruiming, temeer omdat uit de aangifte(n) van [bedrijfsnaam 1 en 2] blijkt dat er bezwaar bestaat tegen het gebruik van het pand door [eiser] en eventuele medekrakers. Anders dan [eiser] betoogt, was de officier van justitie niet gehouden om al in een eerder stadium informatie te verschaffen waarover de officier van justitie ten tijde van de aanzegging van de ontruiming beschikte. De officier van justitie was evenmin op een eerder moment gehouden om kenbaar te maken welke belangen bij de te maken belangenafweging zijn betrokken en op welke wijze die zijn gewogen.

4.4.

Wel is het zo dat [eiser] op grond van artikel 8 lid 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming van een huisrecht toekomt. Dit huisrecht is echter niet onbegrensd en in artikel 8 lid 2 EVRM zijn voorwaarden neergelegd voor een gerechtvaardigde inbreuk op dit recht. In dat kader dient er een concrete belangenafweging te worden gemaakt tussen het belang van de Staat enerzijds en het belang van [eiser] anderzijds aan de hand van de proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. In het kader van de proportionaliteitstoets dient te worden bezien of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de bescherming van de rechten van derden ook in de concrete omstandigheden van het geval voorgaan op het huisrecht van [eiser] .

4.5.

Uitgangspunt is dat het aan de kraker is om die feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig aannemelijk te maken op grond waarvan de belangenafweging in dit geval anders dient uit te vallen, waarbij geldt dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.

4.6.

[eiser] is hierin niet geslaagd. Hij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan de belangenafweging anders uitvalt. Zo heeft [eiser] niet onderbouwd dat zijn financiële situatie zodanig is dat hij geen vervangende woonruimte zal kunnen vinden. De omstandigheid dat aan hem een toevoeging is verleend wil nog niet zeggen dat zijn financiële situatie dermate nijpend is dat het voor hem onmogelijk is om andere woonruimte te vinden. Dat de wachtlijsten voor sociale huurwoningen in Utrecht lang zijn, maakt de situatie van [eiser] niet anders, ook omdat niet is gebleken of aannemelijk is gemaakt dat [eiser] economisch en/of maatschappelijk gebonden is aan Utrecht. Dat hij van het pand afhankelijk zou zijn voor de uitoefening van activiteiten aldaar, is niet aannemelijk. Ter zitting heeft [eiser] weliswaar gesteld dat hij een faciliterende rol speelt bij het exposeren van kunst door artiesten in het pand, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd.

4.7.

Tegenover de belangen van [eiser] staan de (algemene) belangen bij ontruiming. De Staat heeft in dit verband verwezen naar de overlast in en rond het pand en de openbare orde en veiligheid die daarmee in geding komt. Dat recent geen meldingen meer zijn gedaan, zoals [eiser] stelt, wordt weersproken door de verklaring van de wijkagent van 12 juli 2019 waaruit blijkt dat begin juni nog een incident heeft plaatsgevonden in het pand. Of [eiser] zelf bij die incidenten betrokken was, is in het kader van de belangenafweging niet relevant. Het gaat er immers om of het pand in het belang van de openbare orde en veiligheid strafrechtelijk moet worden ontruimd. Omdat er, ook recentelijk, sprake was van overlast, heeft de Staat een concreet belang bij de ontruiming van het pand. Overigens overweegt de voorzieningenrechter dat de Staat met verwijzing naar het incidentenoverzicht gemotiveerd heeft betwist dat [eiser] geen bijdrage heeft geleverd aan de ervaren overlast.

Verder is het zo dat de gemeente [bedrijfsnaam 1 en 2] een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens gebruik van het pand in strijd met het bestemmingsplan. De Staat heeft onweersproken gesteld dat de gemeente niet heeft laten weten dat zij het handhavingstraject zal staken. De omstandigheid dat de gemeente op dit moment (nog) geen dwangsom heeft geïnd, zoals door [eiser] naar voren is gebracht, betekent niet dat de last onder dwangsom van de baan is.

Tot slot is voldoende aannemelijk dat [bedrijfsnaam 1 en 2] , die als eigenaar naar eigen goeddunken over het pand moet kunnen beschikken, het gebied waarin het pand ligt wil herontwikkelen en ter plaatse woningbouw wil realiseren. Deze plannen zijn concreet uitgewerkt in het startdocument en goedgekeurd door de gemeente. [eiser] betoogt dat er nog geen ‘fysieke stappen’ zijn genomen en evenmin concrete termijnen zijn vastgesteld voor deze stappen, en dat daarom nu een strafrechtelijke ontruimingsprocedure niet gerechtvaardigd is. [eiser] heeft daarbij verwezen naar een vonnis van de rechtbank Gelderland van 2 november 2017. De situatie in dat vonnis is echter een andere: de plannen zijn in dit geval concreter. Bovendien is in dit geval onweersproken door de Staat gesteld dat het pand niet geschikt is voor bewoning en ook niet geschikt te maken valt voor bewoning. [bedrijfsnaam 1 en 2] is voornemens om in afwachting van de nadere stappen ter uitvoering van zijn plannen het pand ontoegankelijk te maken, zoals hij ook op 25 april 2019 heeft verklaard.

Overigens overweegt de voorzieningenrechter dat het mogelijk nog enige tijd duurt voordat de bouwplannen zijn geformaliseerd, maar dat de Staat daarmee nog niet zijn reguliere belang om aan een strafbare toestand, in het belang van de eigenaar, een einde te maken, verliest (zie ook het arrest van 11 juli 2017 van het Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:5945).

4.8.

Dit alles betekent dat het belang van de Staat, en tevens het door de Staat mede te behartigen belang van de eigenaar, prevaleert boven dat van [eiser] als kraker. Het gevorderde ontruimingsverbod en bescherming van het huisrecht zullen daarom worden afgewezen.

4.9.

Voor zover [eiser] zich beroept op het internationaal erkende recht op huisvesting en het volgens hem daaruit voortvloeiende recht op vervangende woonruimte, heeft overigens te gelden dat hij dit recht tegenover de Staat niet ten laste van een derde partij, de eigenaar van het pand, kan afdwingen. Dit geldt eveneens voor het beroep van [eiser] op artikel 22 lid 2 Gw (zie daarover ook het vonnis van deze rechtbank van 4 oktober 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4752). De Staat is dus niet gehouden om [eiser] van vervangende woonruimte te voorzien.

4.10.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.619,00.

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis.

4.11.

Aan [eiser] wordt – vanwege het feit dat hij een toevoeging heeft – het griffierecht (civiel) voor onvermogenden in rekening gebracht. Er is dus al rekening gehouden met zijn vermogensrechtelijke positie. Verdere ontheffing van het griffierecht, zoals [eiser] vraagt, is niet mogelijk. De uitspraak van de Hoge Raad waar [eiser] naar verwijst heeft betrekking op betaling van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken en kan hem daarom in deze procedure niet baten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.1

1 type: JB (4977) coll: VD (41624)