Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5479

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
UTR - 19 _ 1919
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB verzoek, geen aanleiding om 8:29 beslissing te nemen, rechtbank kan niet toetsen of weigeringsgronden terecht zijn vanwege ontbreken van toestemming om kennis te nemen van de vertrouwelijke stukken.

Deze uitspraak is gepubliceerd in verband met een onderzoek van de Universiteit Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/1919

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.G. Blasweiler),

en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.V. van Vegten en E. Jonkers).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2018 (het primaire besluit) is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 3 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 17 september een verzoek per e-mail gedaan op grond van de Wob. In de brief bij het e-mail bericht staat:

Hierbij mijn verzoek:

Ik zal graag alle schriftelijke informatie willen en ook alle onderliggende schriftelijke stukken met betrekking tot het beleid van het ministerie dat over mij als persoon is uitgeroepen. Dus alle e-mails en ook echt alles tot dit beleid dat het ministerie.”

In zowel de brief als de begeleidende e-mail spreekt eiser over de bejegening door de telefonistes wanneer hij in contact treedt met verweerder. Eiser stelt in zijn brief dat hij heeft begrepen dat er beleid is gecommuniceerd naar de telefonistes van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

2. Verweerder heeft in zijn besluitvorming toegelicht dat het verzoek volgens verweerder ziet op mogelijk bestaand telefoonbeleid ten aanzien van eiser. Verweerder heeft hierop een zoekslag uitgevoerd bij zowel zijn eigen ministerie als het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) aangezien enkel de telefooncentrale van BZK de inkomende telefoongesprekken in behandeling neemt. Verweerder heeft na een inventarisatie één stuk aangetroffen, te weten tekstfragmenten uit de interne kennisbank van BZK. Dit stuk is gedeeltelijk openbaar gemaakt. Verweerder heeft passages gelakt op grond van de artikelen 10, tweede lid, onder e van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob.

De beperkte kennisneming, artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht

3. Eiser heeft primair verzocht om alsnog een beslissing op grond van 8:29 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) te nemen, omdat er een vertrouwelijk stuk door verweerder is ingediend. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er eerst getoetst moet worden of beperkte kennisneming gerechtvaardigd is en kan zich niet verenigen met het geformuleerde in artikel 2.8, lid 6, van het Procesreglement. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat als eiser bekend zou zijn met het vertrouwelijke document de procedure zinledig zou zijn en daarom een zogenoemde 8:29 beslissing niet nodig is.

4. De rechtbank heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 2.8, lid 6, van het Procesreglement Bestuursrecht Rechtbanken 2017, waarin staat dat voor zover het gaat om stukken waarover op grond van de Wob een besluit is genomen, de bestuursrechter handelt alsof de bestuursrechter heeft besloten dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Dit betekent dat de beroepsprocedure is voortgezet zonder een schriftelijke beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb te nemen. Eiser is vervolgens verzocht om te laten weten of hij de rechtbank toestemming verleent tot inzage in de stukken, zodat de rechtbank kan toetsen of de weigering terecht is. De rechtbank acht dit in overeenstemming met artikel 8:29 van de Awb.

5. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat als eiser bekend zou zijn met het ongelakte document waarover het Wob-verzoek gaat, de procedure zinledig zou zijn. Hierom is voorzien in artikel 2.8, lid 6, van het Procesreglement Bestuursrecht Rechtbanken 2017. Dat dit volgens eiser niet zou gelden voor andere stukken dan de Wob-stukken en dat daar dus geen inzicht in is gegeven door een zogenoemde 8:29 beslissing, geeft geen aanleiding voor een andere uitkomst. Het dossier geeft geen aanleiding te betwijfelen dat het document dat onder geheimhouding is overgelegd de ongelakte versie is van het document dat als bijlage bij het bestreden besluit is overgelegd. Als dat toch anders zou zijn, dan zou dat ondervangen kunnen worden door de toestemming genoemd in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb aan de rechtbank te geven om de stukken in te zien. Die toestemming heeft eiser in deze procedure niet gegeven. De rechtbank heeft dus niet kunnen controleren of beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Omdat overeenkomstig het procesreglement is gehandeld komt dit naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eiser. Voor een verwijzing naar een andere kamer in deze rechtbank bestaat evenmin aanleiding, nu de kamer die deze uitspraak doet geen kennis heeft genomen van wat door verweerder onder artikel 8:29 van de Awb is overgelegd.

6. De rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd dan ook geen aanleiding om alsnog een zogenoemde 8:29 beslissing te (laten) nemen. De rechtbank voelt zich gesteund in dit standpunt door de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank wijst bij wijze van voorbeeld op de uitspraak van10 november 20101 .

Duiding van het Wob-verzoek

7. Eiser heeft over het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder het verzoek niet nader heeft geduid dan alleen stukken over het belbeleid, echter beoogd was alle schriftelijke informatie over hem te ontvangen. Er moet meer informatie zijn gelet op de manier waarop hij door telefonistes wordt bejegend en gelet op brieven die hij in zijn bezit heeft die door verweerder niet zijn genoemd. Dit zijn brieven uit 2003 en 2005 die gaan over instructies van de beveiliging voor de bejegening van eiser. Voorts heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit te algemeen geformuleerd is en verweerder zich onvoldoende heeft ingespannen om de aanwezige documenten te vinden en aan eiser een inventarislijst te verstrekken.

8. Verweerder heeft de formulering van het Wob-verzoek als uitgangspunt genomen. Uit dit verzoek is niet opgemaakt dat eiser verzocht om alle schriftelijke informatie met betrekking tot zijn persoon buiten het gestelde beleid om. Dit omdat zowel de brief als de begeleidende e-mail gaan over de bejegening van eiser door telefonistes. Bij verweerder is geen informatie beschikbaar dat valt onder het verzoek. Bij de inventarisatie bij BZK zijn de tekstfragmenten aangetroffen die (gedeeltelijk) zijn verstrekt. Naar aanleiding van het bezwaarschrift is nogmaals navraag gedaan bij het ministerie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nog meer informatie bij verweerder is, aldus verweerder.

9. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek door verweerder niet te beperkt of onjuist is opgevat. Het verzoek was niet zodanig opgesteld dat het onduidelijk was en verweerder hierover opheldering had moeten vragen bij eiser op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wob. Verweerder heeft gelet op het verzoek in de brief en de verdere inhoud van de brief en de begeleidende e-mail het verzoek zo mogen begrijpen dat eisers verzoek ging over eventueel beleid over de bejegening van eiser door telefonisten. Eiser heeft nog aangevoerd dat het in de bezwaarprocedure wel duidelijk werd dat hij alle stukken wilde hebben, maar verweerder heeft hierover terecht gezegd dat het Wob-verzoek zelf leidend is. Hoewel het bestreden besluit een heroverweging is, betekent dit niet dat in bezwaar het verzoek verruimd kan worden. De rechtbank wijst hierbij op een uitspraak van de ABRvS van 31 mei 20172. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder onvoldoende inspanningen zou hebben verricht om meer documenten te verstrekken, is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er meer stukken bij verweerder aanwezig zijn die vallen onder de reikwijdte van dit WOB-verzoek. De brieven door eiser genoemd gaan over de situatie dat eiser het ministerie bezoekt en vormen daarvoor dan ook geen aanknopingspunt.

De weigeringsgronden

11. Eiser heeft vervolgens de weigeringsgronden ter discussie gesteld. Verweerder heeft openbaarmaking gedeeltelijk geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob. Omdat de rechtbank geen toestemming van eiser heeft gekregen om het stuk in te zien, kan de rechtbank niet toetsen of verweerder het openbaar maken van de gelakte passages op grond van de genoemde weigeringsgronden heeft mogen weigeren. De gevolgen van het niet verlenen van deze toestemming zijn volgens vaste rechtspraak van de ABRvS in beginsel voor risico van eiser. De rechtbank wijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van 10 februari 20163. Van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat hierop in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt, is niet gebleken.

12. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de bezwaargronden van eiser. Bij het primaire besluit is een inventarislijst verstrekt. Ook in zoverre slaagt het beroep van eiser niet.

13. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:BO3465.

2 ECLI:NL:RVS:2017:1428.

3 ECLI:NL:RVS:2016:426.