Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:539

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
7502081 UC EXPL 19-1019 LH/1040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidspensioen van gedeeltelijk arbeidsongeschikte deelnemer. Uitleg van het pensioenreglement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0166
PJ 2019/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7502081 UC EXPL 19-1019 LH/1040

Vonnis van 13 februari 2019

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. D. van der Wal,

tegen:

de stichting

Stichting Rabobank Pensioenfonds,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen het pensioenfonds,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.H. Vegter.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij mondeling vonnis van 30 januari 2019 heeft de handelskamer van deze rechtbank de door [eiser] aldaar aangebrachte zaak (met nummer NL18.10422), in de stand waarin deze zich toen bevond, verwezen naar de kantonrechter.

1.2.

De zaak is aansluitend op 30 januari 2019 mondeling behandeld. [eiser] is ter zitting verschenen, vergezeld door mr. Van der Wal. Namens het pensioenfonds is verschenen de heer [A] , actuarieel medewerker van het bestuursbureau van het pensioenfonds, vergezeld door mr. Vegter. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht. Mr. Vegter deed dat mede aan de hand van de door hem overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben geantwoord op vragen van de kantonrechter en zij hebben op elkaar kunnen reageren.

1.3.

Daarna is partijen dit vonnis in het vooruitzicht gesteld.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , geboren op [1955] , is van 1 juli 2010 tot augustus 2011 als projectmanager in (fulltime-)dienst geweest van Rabobank, laatstelijk tegen een jaarinkomen van € 63.753,13 bruto. Uit hoofde van dat dienstverband was hij deelnemer aan de pensioenregeling die door het pensioenfonds wordt uitgevoerd. Van die regeling maakt een arbeidsongeschiktheidspensioen onderdeel uit.

2.2.

Op 5 oktober 2010 is [eiser] wegens ziekte uitgevallen. Hij heeft daarna voor Rabobank geen werkzaamheden meer verricht en is gedeeltelijk arbeidsongeschikt uit dienst gegaan. Het UWV heeft hem met ingang van 5 oktober 2012 een (loongerelateerde) WGA(Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten)-uitkering toegekend. Per 5 december 2015 heeft [eiser] recht op een WIA(Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)-vervolguitkering. Aanvankelijk had het UWV de restverdiencapaciteit van [eiser] gesteld op € 2.873,61 bruto per maand en hem tussen 55 tot 65% arbeidsongeschikt geoordeeld. Op het daartegen gerichte bezwaar van [eiser] heeft het UWV op 12 augustus 2016 beslist dat de restverdiencapaciteit van [eiser] € 1.790,08 per maand, zijnde € 21.480,96 per jaar, bedraagt. [eiser] meent echter dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Tegen de UWV-beslissing heeft hij beroep ingesteld. Het hoger beroep is nog bij de Centrale Raad van Beroep aanhangig. [eiser] ziet vanwege zijn gezondheidssituatie geen kans inkomen te verwerven. De beperkte activiteiten die hij als zelfstandige onderneemt, leiden niet tot een positief resultaat.

2.3.

Het toepasselijke pensioenreglement van het pensioenfonds bepaalt in artikel 10.2.1: ‘Recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen heeft de deelnemer die een uitkering krachtens de WGA ontvangt op grond van arbeidsongeschiktheid die tijdens de deelneming is ontstaan met inachtneming van het in artikel 10.2.2 bepaalde.’ Ingevolge artikel 10.2.2 van het pensioenreglement gaat het arbeidsongeschiktheidspensioen in ‘38 maanden vanaf de dag waarop de deelnemer recht heeft gekregen op een WGA-uitkering met dien verstande dat het arbeidsongeschiktheidspensioen tot uitkering komt op de eerste dag van de maand samenvallend met of volgend op die waarin deze termijn is verstreken (-).’

2.4.

Artikel 10.2.3 van het pensioenreglement luidt, voor zover in dit geding van belang:

‘Het arbeidsongeschiktheidspensioen bij ingang als bedoeld in dit artikel bedraagt:

- 80% (-) van het bruto arbeidsinkomen op de datum van vaststelling op basis waarvan het pensioengevend jaarinkomen als bedoeld in artikel 1.28 onder e is vastgesteld (-)

verminderd met

- 80% van de door het UWV vastgestelde restverdiencapaciteit (-)

en verminderd met

- de door het Rabobank Pensioenfonds op basis van artikel 10.2.5 vastgestelde WGA-uitkering waarop de deelnemer recht heeft bij volledige benutting van zijn restverdiencapaciteit (-).’

2.5.

Het arbeidsongeschiktheidspensioen van [eiser] is ingevolge artikel 10.2.2 van het pensioenreglement ingegaan op 1 januari 2016. Het pensioenfonds heeft het arbeidsongeschiktheidspensioen aanvankelijk vastgesteld op € 8.911,76 per jaar, daarbij uitgaande van de toen door het UWV vastgestelde restverdiencapaciteit en de door het pensioenfonds berekende WGA-uitkering van € 23.401,06 per jaar (zijnde 70% van het maximum jaarloon van € 52.766,-- maal het arbeidsongeschiktheidspercentage van 63,36). De klacht die [eiser] tegen deze berekening van zijn arbeidsongeschiktheidspensioen bij het pensioenfonds heeft ingediend, is bij brief van 15 augustus 2016 ongegrond verklaard.

2.6.

Bij brief van 25 januari 2017 heeft het pensioenfonds het arbeidsongeschiktheidspensioen van [eiser] , naar aanleiding van de door het UWV naar beneden bijgestelde restverdiencapaciteit (en een arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,31), met terugwerkende kracht opnieuw vastgesteld, en wel op € 9.326,95 bruto per jaar. Daarbij is het pensioenfonds uitgegaan van een laatstverdiend bruto arbeidsinkomen van € 63.753,13 (80% daarvan is € 51.002,50), van een restverdiencapaciteit van € 21.480,96 bruto per jaar en van een WGA-uitkering bij maximale benutting van de restverdiencapaciteit van € 24.491,31. Per 1 juli 2016 is het bedrag van het arbeidsongeschiktheidspensioen met 0,67% verhoogd tot € 9.389,44 bruto per jaar.

2.7.

Op een klacht van [eiser] over de berekening van het arbeidsongeschiktheidspensioen heeft de Ombudsman Pensioenen bij brief van 6 juni 2017 geconcludeerd dat het pensioenfonds het arbeidsongeschiktheidspensioen correct heeft vastgesteld.

3 De vordering en het daartegen gevoerde verweer

3.1.

[eiser] vordert dat het pensioenfonds wordt veroordeeld om hem, vanaf 5 december 2015 totdat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, te betalen een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen van € 15.506,55 bruto per jaar (zijnde het verschil tussen € 24.417,70 en € 8.911,15), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2015 tot de voldoening. Verder vordert [eiser] de veroordeling van het pensioenfonds in de buitengerechtelijke kosten van € 1.149,74. Ten slotte vordert [eiser] dat het pensioenfonds wordt veroordeeld in de proceskosten met rente en in de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het pensioenfonds zijn arbeidsongeschiktheidspensioen niet overeenkomstig (de strekking van) het pensioenreglement heeft berekend. Partijen verschillen niet (meer) van mening over de uitkomst van de eerste twee stappen van de berekening die artikel 10.2.3 van het pensioenreglement voorschrijft, ter bepaling van de hoogte van het arbeidsongeschiktheids-pensioen. Bij de derde stap van die berekening (de derde liggende streep van dat artikel 10.2.3) moet evenwel worden gerekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,78% (in plaats van 66,31%, zoals het pensioenfonds doet). Voorts moet bij die derde stap doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de strekking van de pensioenregeling, te weten dat het inkomen bij arbeidsongeschiktheid (inclusief de daadwerkelijk ontvangen UWV-uitkering, vanaf 5 december 2015 dus de WIA-vervolguitkering) 80% van het laatstverdiende inkomen bedraagt. Daarom moet bij de derde stap van de berekening van het arbeidsongeschiktheidspensioen van [eiser] vanaf 5 december 2015, toen de WIA-vervolguitkering op sociaal minimumniveau inging, niet worden gerekend met het maximum jaarloon (van € 52.766,--, zoals het pensioenfonds doet), maar met het minimum loon van € 20.108,74 per jaar. Aldus komt het arbeidsongeschiktheidspensioen, waarop [eiser] vanaf 5 december 2015 recht heeft, uit op € 24.417,70 per jaar.

3.3.

Het pensioenfonds betwist de vordering. Het pensioenreglement is correct toegepast. Nadat het UWV de restverdiencapaciteit en het arbeidsongeschiktheidspercentage had bijgesteld, is het pensioenfonds terecht uitgegaan van een restverdiencapaciteit van € 21.480,96 per jaar, van een arbeidsongeschiktheid van 63,31% en van een WGA-uitkering bij volledige benutting van de restverdiencapaciteit van € 24.491,31. Bij de berekening van dit laatste bedrag (de derde stap van artikel 10.2.3 van het pensioenreglement) komt het niet aan op de uitkering die daadwerkelijk van het UWV wordt ontvangen, maar op de door het pensioenfonds vastgestelde WGA-uitkering waarop de deelnemer recht heeft bij volledige benutting van zijn restverdiencapaciteit. Het pensioenfonds wijst op de tekst van artikel 10.2.3 (derde liggende streep), op het feit dat de restverdiencapaciteit bij de vervolguitkering geen rol speelt en op de omstandigheid dat het WGA-hiaat - een werkloosheidscomponent - door pensioenfondsen niet mag worden verzekerd.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het gaat in dit geding om de uitleg van het bepaalde in artikel 10.2.3 van het toepasselijke pensioenreglement. De kantonrechter stelt voorop dat deze uitleg dient te geschieden volgens de in de rechtspraak ontwikkelde, zogenoemde, cao-norm. Deze norm houdt in dat aan een bepaling van een pensioenreglement, net als die van een cao, in de verhouding tussen het pensioenfonds en de deelnemer een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van het pensioenreglement, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de opsteller van het pensioenreglement, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de regeling is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het pensioenreglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (zie Hoge Raad 20 februari 2004 NJ 2005, 493 en laatstelijk HR 4 mei 2018 JAR 2018, 147).

4.2.

De kantonrechter oordeelt dat het pensioenfonds bij de berekening van het aan [eiser] toekomende arbeidsongeschiktheidspensioen met de juiste (naar beneden bijgestelde) restverdiencapaciteit heeft gerekend. Deze is door het UWV in januari 2017 met terugwerkende kracht - opnieuw - vastgesteld op € 21.480,96 bruto per jaar. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.28 onder d, g en f van het pensioenreglement bedraagt dan het arbeidsongeschiktheidspercentage 66,31, te weten: 100% minus € 21.480,96 : € 63.753,13 x 100%, dus 100% minus 33,69%.

4.3.

Zoals ter zitting door de gemachtigde van [eiser] is verklaard, zijn partijen het erover eens dat het niet uitmaakt of bij de bedoelde derde stap van de berekening het bepaalde in artikel 61 lid 1, aanhef en onder b WIA en dus de wettelijke formule (0,7x (A-B x C/D)) wordt gevolgd of dat de verkorte versie van die formule wordt gehanteerd, zoals het pensioenfonds in de correspondentie tussen partijen wel heeft gedaan. [eiser] erkent dat beide berekeningswijzen op hetzelfde bedrag uitkomen.

4.4.

Daarmee draait de kern van het geschil om de vraag of bij de derde stap van de berekening van artikel 10.2.3 van het pensioenreglement - zoals [eiser] betoogt - moet worden uitgegaan van de sinds 5 december 2015 daadwerkelijk door hem ontvangen vervolguitkering op minimumniveau, of dat - zoals het pensioenfonds meent - moet worden gerekend met het maximum WIA-(dag)loon. Bij de beantwoording van deze vraag geven de bewoordingen waarin genoemd artikel 10.2.3 is gesteld de doorslag. Bij de derde stap van de berekening gaat het dan ook om de door het pensioenfonds vastgestelde ‘WGA-uitkering waarop de deelnemer recht heeft bij volledige benutting van zijn restverdiencapaciteit.’ Het pensioenreglement verwijst hier dus naar de wettelijke regeling van (de hoogte van) de uitkering voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, de WGA. Deze regeling is te vinden in artikel 61 WIA. Het is deze - loongerelateerde - uitkering, waarmee derhalve bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspensioen moet worden gerekend, en wel uitgaande van een volledige benutting van de door het UWV bepaalde restverdiencapaciteit van de deelnemer.

4.5.

[eiser] wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat in de derde stap van de berekening van artikel 10.2.3 van het pensioenreglement, vanaf het moment waarop de loongerelateerde WGA-uitkering is overgegaan naar de op het wettelijk minimumloon gebaseerde vervolguitkering in de zin van artikel 62 WIA, (in plaats van, zoals eerder, het maximum WIA-loon) dit wettelijk minimumloon bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspensioen tot uitgangspunt moet worden genomen. Die uitleg zou leiden tot het onaannemelijke rechtsgevolg dat het zogenoemde ‘WGA-hiaat’ door het pensioenfonds volledig verzekerd en, bij het niet benutten van de restverdiencapaciteit, volledig gedekt zou worden. Nu het hierbij gaat om een werkloosheidsrisico waarmee elke arbeidsongeschikte die zijn restverdiencapaciteit niet weet te benutten wordt geconfronteerd, is dit aan pensioenfondsen niet toegestaan. Weliswaar heeft de wetgever (bij wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet) voorzien in een regeling, waarin onder meer een uitzondering is gemaakt voor de situatie dat een pensioenfonds een voorziening wil treffen voor een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die zijn restverdiencapaciteit volledig benut, maar van die mogelijkheid heeft het Rabobank Pensioenfonds blijkens de in het pensioenreglement gebruikte formuleringen geen gebruik willen maken. Dit staat haar vrij.

4.6.

Dat het pensioenreglement - zeker voor een leek op pensioengebied - niet eenvoudig te doorgronden is, de Ombudsman Pensioenen wees hierop in zijn brief van 6 juni 2017, maakt niet zonder meer dat in een geding als het onderhavige geheel moet worden voorbijgezien aan de gebruikte bewoordingen en daaraan een uitleg moet worden gegeven, zoals die door [eiser] in dit geding is verdedigd. Nu (de hoogte van) het arbeidsongeschiktheidspensioen in het reglement gedetailleerd is uitgewerkt, kan hem ook de enkele verwijzing naar de algemene strekking van de pensioenregeling, dat deelnemers bij arbeidsongeschiktheid 80% van hun laatstverdiende loon ontvangen, niet baten.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering niet toewijsbaar is. [eiser] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het pensioenfonds. Deze worden, tot dit vonnis, begroot op € 480,-- aan salaris gemachtigde. De wettelijke rente over deze proceskosten wordt toegewezen, zoals hierna vermeld. Datzelfde geldt voor de gevorderde nakosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van het pensioenfonds, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 480,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door het pensioenfonds volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,-- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019.