Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5144

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
18-11-2019
Zaaknummer
UTR 18/3199
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Wijziging minimale omvang bouwperceel. Geen sprake van actieve of passieve risicoaanvaarding. Normaal maatschappelijk risico. Beroep gegrond en zelf voorzien door vergoeding van EUR 3.356.800,00 toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 18/3199

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.A.M. Geraedts),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder

(gemachtigden: mr. H.X. Botter en J.A. Meijerink).

Procesverloop

In het besluit van 24 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

In het besluit van 12 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. Tussen de [straatnaam 1] en de [naam kanaal] in Lelystad ligt een terrein van ongeveer 87.456 m2 (hierna: het terrein). Eiser heeft dit terrein op 24 maart 1997 van de gemeente Lelystad aangekocht en op 23 juni 1997 in eigendom verkregen.

2. Op 2 december 2015 heeft eiser een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade bij verweerder ingediend. Omdat in het nieuwe bestemmingsplan “De Groene Velden, Partiele Herziening” de gebruiks- en bouwmogelijkheden van het terrein zijn veranderd, is het terrein volgens eiser veel minder waard geworden. De planschade bedraagt volgens eiser

€ 10.875.000,00.

3. Verweerder heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) gevraagd om advies uit te brengen over eisers aanvraag. De SAOZ komt in het advies van juni 2017 tot de conclusie dat de waarde van het terrein per peildatum is gedaald met een bedrag van

€ 4.196.000,00. Het normaal maatschappelijk risico bedraagt volgens de SAOZ

€ 839.200,00, zodat eiser recht heeft op een planschadevergoeding van € 3.356.800,00.

4. Verweerder heeft in zijn primaire besluit besloten het advies van de SAOZ (op onderdelen) niet over te nemen en heeft eisers aanvraag afgewezen. Volgens verweerder wist eiser op het moment van de aankoop van het terrein dat de gemeente bouwpercelen met een minimale oppervlakte van 5.000 m2 nastreefde. Verweerder vindt ook dat eiser in de zogenoemde benuttingstijd te weinig heeft gedaan om de risico’s op het ontstaan van schade te verminderen.

5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen verweerders primaire besluit. Hij heeft in zijn bezwaar verklaard dat hij op het moment van de aankoop niet wist of had kunnen weten dat een bouwperceel minimaal 5.000 m2 moest zijn. Door de vele opeenvolgende voorbereidingsbesluiten van de gemeente was het volgens hem ook niet mogelijk tussentijds plannen te maken voor het terrein, laat staat tot een uitvoering van die plannen te komen.

6. Verweerder heeft de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Lelystad (hierna: de Commissie) verzocht aan hem een advies uit te brengen over eisers bezwaarschrift. In de definitieve versie van haar advies (4 mei 2018) adviseert de Commissie verweerder om nog geen beslissing op het bezwaar te nemen maar de SAOZ (of een andere deskundige) eerst nader onderzoek te laten doen naar het voorzienbaarheidsaspect. Het nader onderzoek zal volgens de Commissie in het bijzonder een onderbouwd antwoord moeten geven over de vraag of het artikel in het Stadsbulletin beschouwd kan worden als een concreet beleidsvoornemen op grond waarvan voorzienbaarheid kan worden aangenomen.

7. In het bestreden besluit is verweerder op een aantal punten afgeweken van het advies van de Commissie. Het (laten) doen van nader onderzoek heeft volgens verweerder geen meerwaarde omdat hij zelf een oordeel kan vormen over actieve risicoaanvaarding. Daar komt bij dat er volgens verweerder ook sprake is van passieve risicoaanvaarding. Op beide punten vindt verweerder het advies van de Commissie gebrekkig en daarom heeft hij besloten ervan af te wijken. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat eiser geen recht heeft op een planschadevergoeding.

Planologisch regime en peildatum

8. Partijen zijn het erover eens dat de planologische vergelijking moet plaatsvinden tussen het vroegere bestemmingsplan “De Groene Velden” en het nieuwe bestemmingsplan “De Groene Velden, Partiele Herziening”. Partijen zijn het er ook over eens dat de belangrijkste nadelige wijziging voor eisers terrein is dat het nieuwe bestemmingsplan voorschrijft dat een bouwperceel minimaal 5.000 m2 groot moet zijn, terwijl het oude bestemmingsplan geen beperkingen ten aanzien van de omvang bevatte. Dat het nieuwe bestemmingsplan in werking is getreden op 5 juli 2013 (de peildatum) is tussen partijen niet in geschil.

Geschilpunten

9. Partijen verschillen van mening over de vraag of de schade voor eiser voorzienbaar was op het moment dat hij de percelen aankocht (actieve risicoaanvaarding). Partijen zijn het er ook niet over eens of eiser gedurende een langere tijd de (bouw)mogelijkheden onbenut heeft gelaten en hem dit te verwijten valt (passieve risicoaanvaarding). Tot slot verschillen partijen van mening over hoe het normaal maatschappelijk risico beoordeeld moet worden. Voor een uitleg van deze begrippen verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.14 en 5.23 tot en met 5.37 van de als bijlage bij deze uitspraak gevoegde overzichtsuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1. Naast deze inhoudelijke geschilpunten heeft eiser aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

10. Eiser vindt de handelwijze van verweerder en de wijze van besluitvorming in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, het fair-playbeginsel, het verbod van détournement de pouvoir, het transparantiebeginsel en het dienstbaarheidsbeginsel. Eiser vindt het onbehoorlijk dat verweerder in het bestreden besluit een aanvullende reactie geeft op het advies van de SAOZ, terwijl de SAOZ daar niet meer op kan reageren. Dat er verschillende versies van het advies van de Commissie bestaan, vindt eiser op z’n zachtst gezegd opvallend. Gelet op de voorgeschiedenis had het op verweerders weg gelegen om zich eenmaal goed van zijn bestuurstaak te kwijten en had verweerder de SAOZ om aanvullend advies moeten vragen. Daarna had verweerder een afgewogen besluit kunnen nemen. Eiser heeft in het verloop van de procedure tot nu toe het idee gekregen dat verweerder maar één doel had: het hoe dan ook afwijzen van het verzoek om planschade.

11. Verweerder verklaart dat hij moest bekijken of er concrete redenen waren om te twijfelen aan de conclusies van de SAOZ. Hij heeft deze toets uitgevoerd en is tot het oordeel gekomen dat de SAOZ zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat de schade onvoorzienbaar was voor eiser. Omdat er goede redenen waren om deels af te wijken van het advies van de SAOZ en er eveneens goede redenen waren om af te wijken van het advies van de Commissie, heeft hij dat gedaan. In het bestreden besluit is dit ook uitgebreid gemotiveerd. Eisers beschuldigingen over vooringenomenheid en misbruik van bevoegdheid wijst verweerder resoluut van de hand.

12. De rechtbank overweegt dat er geen rechtsregel is die verweerder verbiedt af te wijken van een advies dat in het kader van de besluitvorming door een externe deskundige of commissie is gegeven. Verweerder moet dat wel gemotiveerd doen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de vaste rechtspraak van de ABRvS. Volgens de ABRvS staat het een bestuursorgaan vrij om van het advies van een door hem geraadpleegde deskundige af te wijken, als het dit advies of onderdelen ervan onjuist acht. Voorwaarde daarbij is dat de afwijking, al dan niet op basis van een ander deskundigenadvies, deugdelijk moet worden gemotiveerd.2 Eisers stelling dat het advies altijd leidend moet zijn of dat ieder ander standpunt eerst weer moet worden voorgelegd aan de adviseur, volgt de rechtbank dan ook niet. De vraag of verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van de adviezen van de SAOZ en de Commissie komt later aan de orde. Misbruik van bevoegdheid of vooringenomenheid heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Actieve risicoaanvaarding

13. Verweerder stelt dat (de tekst van) het artikel “ [bedrijfsnaam 1] ontwikkelt plannen voor ‘de groen velden’” van 1996 in het Stadsbulletin een openbaar gemaakt concreet beleidsvoornemen bevat. Eiser had dus op het moment dat hij het terrein kocht kunnen en ook moeten weten dat het regime ging veranderen. Naast het artikel was bovendien een verkavelingskaart afgedrukt waarop te zien was dat de kavels relatief groot zijn. Er staan namelijk 54 kavels op de kaart, wat betekent dat de gemiddelde grootte van een kavel ruim 10.000 m² beslaat. Verweerder wijst ook op een advies van 13 januari 2004 dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) heeft uitgebracht in een andere zaak. Uit dat advies blijkt dat eiser tegen de StAB-adviseur heeft gezegd dat hij ten tijde van de aankoop van het terrein bekend was met het door de gemeente gehanteerde uitgangspunt dat een kavel in het plangebied minimaal een oppervlakte van 5.000 m² diende te hebben

14. Eiser voert aan dat er geen bewijs is voor de stellingen van de gemeente dat in de jaren ’90 de overtuiging zou zijn ontstaan een beperking ten aanzien van de minimale kavelgrootte op te nemen en te kiezen voor een minimale grootte per bouwperceel van 5000 m². Er is ook geen bewijs dat dit mondeling zou zijn afgesproken met [bedrijfsnaam 1] . Het beschrijvende artikel in het Stadsbulletin bevat volgens eiser geen concreet beleidsvoornemen. Bovendien kan een vermelding in het Stadsbulletin niet als een geldige openbaarmaking worden gezien. Het zegt volgens eiser genoeg dat verweerder niet in staat is ook maar enig stuk over te leggen waaruit blijkt dat verweerder met [bedrijfsnaam 1] zou hebben afgesproken dat privaatrechtelijk moest worden geborgd dat de omvang van de kavels minimaal 5.000 m² zou moeten zijn. De enkele opmerking in het StAB-advies van 13 januari 2004 vindt eiser onvoldoende om hem actieve risicoaanvaarding tegen te werpen.

15. Het draait allemaal om dit door verweerder overgelegde artikel in het Stadsbulletin uit 1996 (gescand):

16.1

De rechtbank is van oordeel dat het artikel in het Stadsbulletin niet als een openbaar gemaakt concreet beleidsvoornemen kan worden aangemerkt.

16.2

Allereerst kan de rechtbank uit het artikel niet opmaken of hier sprake is van een bericht van of namens verweerder of dat het gaat om een meer redactioneel artikel. Dat aan het eind van het artikel staat dat voor meer informatie contact kan worden opgenomen met de firma [bedrijfsnaam 1] geeft in ieder geval niet de indruk dat het stuk afkomstig is van de gemeente. Verweerder heeft ook hierover niet meer duidelijkheid kunnen geven.

16.3

Meer doorslaggevend is voor de rechtbank echter dat niet kan worden gesproken van een concreet beleidsvoornemen. In het begin van het artikel wordt onder meer de toestemming aan [bedrijfsnaam 1] om een verkavelingsplan uit te werken genoemd en een grote belangstelling voor agrarische vestiging in het gebied. Deze agrarische vestiging was ook al mogelijk onder het oude bestemmingsplan en hoefde naar het oordeel van de rechtbank een koper (eiser) dus niet te verontrusten. Vervolgens wordt onder het kopje ‘randvoorwaarden’ vermeld dat vanuit de gemeente een aantal randvoorwaarden en uitgangspunten is opgesteld, maar in de rest van de tekst is niets te vinden over een gewenste of minimale omvang van een agrarisch perceel. Zelfs bij de opgenomen voorbeelden van deze randvoorwaarden wordt niet gerept over een minimale omvang van kavels, wat wel voor de hand lag als dit zo’n duidelijk uitgangspunt was voor de gemeente. Verweerder heeft gelijk als hij stelt dat een maatregel niet in detail uitgewerkt hoeft te zijn om als concreet beleidsvoornemen aangemerkt te kunnen worden. Van belang is echter dat een en ander zodanig kenbaar en concreet was dat eiser er rekening mee kon en moest houden bij de aankoop van het terrein en dat is volgens de rechtbank hier niet het geval als het gaat om de perceelsomvang. De verkavelingskaart bij het artikel is volgens het onderschrift een voorlopige indeling, is niet op schaal en laat grote en kleine(re) kavels zien. Ook is niet duidelijk wie de kaart heeft opgesteld en of de kaart de instemming van de gemeente heeft. Uit deze kaart kan een concreet voornemen van de gemeente om slechts percelen met een minimale oppervlakte van 5.000 m² toe te staan, dan ook niet worden afgeleid. Het betoog van eiser dat geen sprake is van een concreet beleidsvoornemen slaagt.

16.4

De rechtbank gaat ook niet mee in verweerders standpunt dat door het StAB-verslag kan worden vastgesteld dat eiser op het moment van de aankoop beschikte over feitelijke kennis. De enkele vermelding in het verslag dat eiser aan de verslaglegger heeft meegedeeld ‘hij ten tijde van de aankoop van de gronden bekend was met het door de gemeente gehanteerde uitgangspunt dat een kavel in het plangebied een oppervlakte van ten minste 5.000 m² dient te beslaan’ is, mede gelet op de betwisting in deze beroepsprocedure van eiser, daarvoor onvoldoende. Een weergave van een mededeling in een verslag heeft een andere juridische waarde dan een verklaring die is neergelegd in een ondertekend proces-verbaal. Om die reden vindt de rechtbank het ook voorstelbaar dat eiser deze opmerking in het verslag niet heeft betwist, te meer nu dit verslag is gemaakt in een andere zaak en in een andere context.

17. De conclusie is dat aan eiser geen actieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt.

Vervolg

18. De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden welke consequenties zij aan deze conclusie moet verbinden. Daarbij geldt dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op bezwaar op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit op bezwaar in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is. De rechtbank zal daarom ook de overige beroepsgronden bespreken zodat zij kan beoordelen of verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen of dat de rechtbank de zaak zelf kan afdoen.

3. Passieve risicoaanvaarding

19. Verweerder stelt dat vanaf 14 juni 2001 in ieder geval sprake was van een kenbare en concrete aanwijzing dat het planologisch regime voor het terrein in nadelige zin zou kunnen worden gewijzigd. In het op die datum genomen voorbereidingsbesluit is namelijk opgenomen dat de gemeente kavels voorstaat van minimaal 5.000 m² groot. In de loop der jaren zijn er vervolgens drie periodes geweest waarin er geen voorbereidingsbescherming gold. In die periodes had eiser een concrete poging kunnen en moeten ondernemen om de toen nog toepasselijke bouw- en gebruiksmogelijkheden van het terrein te benutten. Verweerder meent ook dat het redelijk is om de diverse periodes bij elkaar op te tellen. Als het voor eiser onmogelijk was om in de eerste periode plannen op te stellen, dan had hij daarmee wel kunnen beginnen en in de tweede en derde periode verder kunnen gaan. Dat eiser dat niet heeft gedaan, kan hem worden tegengeworpen.

20. Eiser voert aan dat er, naast de door verweerder in aanmerking genomen periodes, ook voor de periode tussen 23 juni 2004 en 31 januari 2005 voorbereidingsbescherming gold. De resterende periodes zijn volgens eiser veel te kort om tot een benutting van de bouwmogelijkheden te komen. Het optellen van de verschillende periodes, zoals verweerder doet, kan volgens eiser niet door de beugel. Het is niet realistisch te verwachten dat een aanvang van de ontwikkeling en uitwerking van een concreet bouwplan in 2004 (als dat al in zo’n korte tijd mogelijk is) in 2007 zonder problemen weer zou kunnen worden voortgezet.

21.1

De rechtbank stelt met partijen vast dat eiser na het voorbereidingsbesluit van 14 juni 2001 er rekening mee moest houden dat het planologisch regime voor hem in ongunstige zin zou kunnen wijzigen. Vanaf dat moment moet bekeken worden of er sprake is geweest van ‘benuttingstijd’, dat wil zeggen tijd waarin eiser de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het oude bestemmingsplan had kunnen benutten. In dit geval betekent dit dat sprake is van benuttingstijd op momenten waarop er voor het terrein geen voorbereidingsbescherming gold.

21.2

De rechtbank is van oordeel dat, anders dan verweerder stelt, ook in de periode tussen 23 juni 2004 en 31 januari 2005 voorbereidingsbescherming gold. Steun voor dat oordeel vindt zij in de ook al door eiser genoemde uitspraak van de ABRvS van 22 december 2004.3 Een redelijke wetsuitleg van artikel 50, tweede en derde lid, van de toen geldende Woningwet brengt volgens de ABRvS mee dat de aanhoudingsplicht niet geldt gedurende de periode dat een bestemmingsplan in werking is getreden maar nog niet rechtens onaantastbaar is geworden. De aanhoudingsplicht komt echter weer tot gelding indien het besluit tot goedkeuring is vernietigd én alsnog goedkeuring is onthouden aan het bestemmingsplan. In dit geval heeft de ABRvS in de uitspraak van 23 juni 20044 het goedkeuringsbesluit vernietigd én goedkeuring onthouden aan het bestemmingsplan, zodat de aanhoudingsplicht (en dus ook de voorbereidingsbescherming) vanaf dat moment weer gold. Het betoog van eiser slaagt dus.

21.3

De rechtbank stelt vast dat er twee periodes overblijven waarin sprake is van het vervallen van de voorbereidingsbescherming. De ene periode in de eerste helft van 2007 duurt 5,5 maand en de andere periode in 2008 duurt iets minder dan 2,5 maand. Anders dan verweerder acht de rechtbank het niet realistisch om de periodes bij elkaar op te tellen. Los daarvan zijn deze termijnen ook bij elkaar opgeteld naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend voor het opstellen van een bouwplan, gelet op de aard en omvang van het terrein. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet kan worden verweten dat hij te lang heeft stilgezeten.

22. De conclusie is dat aan eiser geen passieve risicoaanvaarding kan worden tegengeworpen. Ook deze beroepsgrond van eiser slaagt.

Normaal maatschappelijk risico

23. Verweerder stelt dat deze ontwikkeling naadloos binnen het jarenlange gevoerde ruimtelijke beleid van de gemeenteraad van Lelystad past. Ten aanzien van de dan te hanteren korting geldt dat er in de rechtspraak reeds kortingspercentages van 50% bij directe schade zijn geaccepteerd. De door de SAOZ gehanteerde korting van 20% vindt verweerder voldoende gemotiveerd en daarom volgt hij de SAOZ. Verder wijst verweerder erop dat hij op dit punt beoordelingsruimte heeft.

24. Eiser voert aan dat een wijziging van 55 kavels van 1.500 m² naar 16 kavels van 5.000 m² niet als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd. De maatschappelijke ontwikkeling lag daarnaast niet in de lijn der verwachtingen omdat de gemeente er, zeker in de jaren 2006-2011, juist alles aan heeft gedaan om te voorkomen dat een minimale kavelgrootte werd vastgelegd. Van een ontwikkeling die past binnen het door de gemeente gevoerde beleid is dan ook geen sprake. De door de SAOZ toegepaste korting van 20% vindt eiser onvoldoende gemotiveerd. Volgens eiser komt de gehele schade van

€ 10.875.000,00 voor vergoeding in aanmerking. In het geval dat moet worden aangenomen dat een deel van de schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort, moet van een drempel van 2% van de oorspronkelijke waarde van de percelen worden uitgegaan. In dat geval bedraagt de vergoeding € 4.017.800,00.

25. Bij directe planschade wordt op basis van artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt. Alleen de schade die uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het maatschappelijk risico dat elke burger behoort te dragen, wordt vergoed. De vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico is in de eerste plaats aan verweerder, die daarbij beoordelingsruimte heeft. Als de beroepsgronden daar aanleiding toe geven, toetst de rechter verweerders motivering en kan hij, als de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normale maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.5

26. Eisers betoog dat geen sprake is van schade die tot het normaal maatschappelijk risico behoort, slaagt niet. De SAOZ heeft in haar advies van juni 2017 overwogen dat eiser ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan, gelet op de structuur van de omgeving en opzet van het plan er rekening mee moest houden dat de gemeente afwijking hiervan zou trachten te voorkomen door dit planologisch te regelen in het nieuwe bestemmingsplan, iets waarmee de gemeente al sinds 2001 doende was. Het gemeentelijk beleid ter zake van de aanwendingsmogelijkheden van de gronden binnen ‘De Groene Velden’ is langjarig gericht geweest op het creëren van een overgangsgebied met een ruime verkaveling aan de rand van Lelystad. Sinds 2001 heeft de gemeente alles in het werk gesteld om te komen tot kavels van minimaal 5.000 m2. In die zin past deze ontwikkeling volgens de SAOZ dan ook binnen het door de gemeente gevoerde ruimtelijke beleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de SAOZ daarmee voldoende gemotiveerd dat hier sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling, die in de lijn der verwachtingen lag. Voorts heeft de SAOZ bij de bepaling van de korting meegewogen dat in dit geval in aanzienlijke mate aan de relevante toetsingscriteria wordt voldaan, maar ook dat de hoogte van de schade aanzienlijk is in verhouding tot de waarde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de SAOZ daarmee de toegepaste korting van 20% voldoende gemotiveerd.

27. De conclusie is dat verweerder het advies van de SAOZ om een korting van 20% (= ruim 10% van de waarde van de percelen onder het oude planologisch regime) dan ook heeft mogen overnemen.

Eindconclusie

28.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte risicoaanvaarding aan eiser heeft tegengeworpen. Eisers beroep slaagt en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

28.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit op het punt van actieve en passieve risicoaanvaarding is afgeweken van het SAOZ-advies maar dit advies heeft overgenomen ten aanzien van normaal maatschappelijk risico. Ook in het verweerschrift (bijvoorbeeld onder punt 69) is verweerder ingegaan op het door SAOZ berekende schadebedrag. Verweerder heeft dus een standpunt ingenomen over de aard en de omvang van de schade (in het geval voorzienbaarheid niet kan worden aangenomen). Ook eiser heeft zich daarover uitgelaten.

28.3

De rechtbank ziet daarom met het oog op finale geschilbeslechting aanleiding zelf in de zaak te voorzien op basis van het advies van de SAOZ door de als gevolg van de planologische wijziging geleden planschade vast te stellen op € 3.356.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag (2 december 2015) tot en met de dag van betaling.

Kosten van rechtsbijstand

29. Op grond van artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro vergoedt het bestuursorgaan, indien het een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 6.1 toekent, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

29.1

Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS kunnen kosten die de aanvrager heeft gemaakt vanaf het moment dat de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige een conceptadvies dan wel advies over de aanvraag aan het bestuursorgaan heeft uitgebracht tot het moment dat het bestuursorgaan op de aanvraag een besluit heeft genomen waartegen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld, voor vergoeding in aanmerking komen, indien het inroepen van bijstand redelijk was en de kosten van het opstellen van een zienswijze redelijk zijn.6

29.2

De tarieven van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zijn niet van toepassing op de bepaling van de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro. Bepalend voor de redelijkheid van de omvang van deze kosten is of deze in verhouding tot de verrichte werkzaamheden staan en redelijk zijn.

30. Eiser heeft facturen met een totaalbedrag van € 19.481,00 (inclusief BTW) overgelegd. Een aantal facturen ziet niet op de periode nadat de door verweerder ingeschakelde SAOZ een concept-advies had uitgebracht en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat het inroepen van rechtsbijstand voor de beoordeling van het (concept)advies van de SAOZ door eiser redelijk is. Voor iemand die geen kennis heeft van het planschaderecht is het niet mogelijk de juistheid van de in het conceptadvies neergelegde bevindingen te beoordelen. Uit de in beroep overgelegde facturen van 1 mei 2017 en 2 juni 2017 blijkt dat de gemachtigde aan de reactie op het conceptadvies 28,2 uur heeft besteed. Het door de gemachtigde opgegeven uurtarief bedraagt € 250,00. Zowel het aantal uren als het uurtarief is naar het oordeel van de rechtbank te hoog om volledig voor vergoeding in aanmerking te komen. De rechtbank acht in dit geval een vergoeding voor 20 uur met een uurtarief van € 150,00 redelijk.

31. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit ook wegens strijd met artikel 6.5 van de Wro, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand is afgewezen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder aan eiser een bedrag van € 3.000,00 inclusief btw aan kosten voor rechtsbijstand in de zin van artikel 6.5 van de Wro moet vergoeden.

Proceskosten en griffierecht

32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,00 en een wegingsfactor 1).

33. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een planschadevergoeding van € 3.356.800,00 betaalt, te

vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 december 2015 tot en met de dag van

betaling;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een bedrag van € 3.000,00 (inclusief btw) vergoedt als

kosten van rechtsbijstand;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. L.A.C. de Vaan en

mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582

2 bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3393

3 ECLI:NL:RVS:2004:AR8013

4 ECLI:NL:RVS:2004:AP3368

5 bijvoorbeeld de uitspraken van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668, 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3120 en 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2598

6 Bijvoorbeeld de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582