Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:514

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
6904689 UC EXPL 18-5687
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid. Landing van luchtballon op particuliere grond zonder toestemming is inbreuk op eigendomsrecht en dus onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/200
S&S 2019/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6904689 UC EXPL 18-5687 nig/1449

Vonnis van 13 februari 2019

inzake

1 [eiseres sub 1] ,

en 2. [eiser sub 2],

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 2] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. L.E. Huard,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.G. Krüger.

1 Waar gaat de zaak over?

1.1.

In het dossier zitten de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 15 augustus 2015;

  • -

    de aanvullende producties van beide kanten;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de zitting van 4 oktober 2018.

1.2.

Op 5 augustus 2014 is een luchtballon van [gedaagde] , met 14 passagiers, na een ballonvaart geland in een weiland bij de woning van [eiser sub 2] . In dat weiland liepen paarden, die eigendom waren van [eiser sub 2] . De landingsprocedure heeft vrij lang geduurd, omdat de ballon weer moest opstijgen en nog eens landen op een gunstiger plaats. Daarbij zijn ook relatief veel mensen in het weiland geweest. Van die grote ballon, het lawaai van de gasbranders en/of de drukte in het weiland zijn de paarden in paniek geraakt. Eén van de paarden, het springpaard [naam 1] , is daarna zo angstig – en daardoor onberekenbaar in haar gedrag – gebleven dat [eiser sub 2] haar heeft laten euthanaseren. De Friese merrie [naam 2] is kreupel geraakt en gebleven.

1.3.

[eiser sub 2] vordert nu van [gedaagde] € 14.463,59 aan schadevergoeding, inclusief rente tot en met 25 april 2018, en € 8.887,72 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente en kosten.

2 Wat vindt de kantonrechter ervan?

2.1.

De vordering van [eiser sub 2] is gebaseerd op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het eerste lid:

Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

Wat een onrechtmatige daad is, is geregeld in het tweede lid:

Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

2.2.

[gedaagde] is zonder toestemming van [eiser sub 2] met een luchtballon geland in een weiland, dat eigendom is van [eiser sub 2] . Dat is een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser sub 2] . Op grond van artikel 5:1 BW heeft [eiser sub 2] , als eigenaar, met uitsluiting van ieder ander het recht om van die grond gebruik te maken. Daar zijn wel beperkingen aan ( [eiser sub 2] mag geen gebruik maken van de grond op een wijze die strijdt met rechten van anderen), maar die houden niet in dat anderen de grond mogen gebruiken.

2.3.

Het landen met een grote luchtballon in een weiland met paarden, met alle risico’s van dien, is overigens ook in strijd met de zorgvuldigheid die het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer voorschrijft.

2.4.

Het landen met een luchtballon op grond van iemand anders is dus een onrechtmatige daad, behalve als er een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Toestemming is zo’n rechtvaardigingsgrond. Overmacht of noodtoestand kan dat ook zijn, maar in dit geval is dat niet zo. [gedaagde] heeft omstandig uitgelegd dat een luchtballon niet te sturen valt, en dat dus in de regel geland wordt op grond van iemand anders. Bij iedere ballonvaart brengt zij zichzelf in die positie. Omdat zij de overmacht of noodtoestand dus aan zichzelf te wijten heeft, komt dat voor haar risico.

2.5.

[gedaagde] beroept zich op artikel 14 van de Luchtvaartwet:

1. Het is verboden binnen Nederland:

(…) met een luchtvaartuig te landen of een luchtvaartuig te doen landen anders dan op een luchtvaartterrein; (…)

2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet:

a. in de gevallen, aangegeven bij algemene maatregel van bestuur; (…)

Inmiddels geldt hiervoor de vergelijkbare regeling in de artikelen 8.1a lid 1 en artikel 8a.50 lid 1 van de Wet luchtvaart. Maar die regeling heeft met deze situatie niets te maken. Zonder wettelijke regeling zou men met een luchtvaartuig mogen landen op ieder stuk grond waarvan de eigenaar daar toestemming voor geeft. De Luchtvaartwet verbiedt dat, maar maakt bij dat verbod een uitzondering voor bepaalde categorieën luchtvaartuigen. Die uitzondering betekent niet dat men met zo’n luchtvaartuig overal mag landen, ook zonder toestemming van de eigenaar; het betekent alleen dat men daarmee niet per definitie beperkt is tot luchthavens. In dit geval betekent het dat het [gedaagde] niet per definitie verboden was om te landen in het weiland van [eiser sub 2] , maar niet dat daarvoor geen toestemming van [eiser sub 2] nodig was.

2.6.

[gedaagde] beroept zich ook op artikel 2.4 van de Gedragscode Ballonvaart:

Een ballon mag overal landen, omdat hij door de luchtvaartwet is ontheven van de verplichting om te landen op een vliegveld.

Dit zijn afspraken die in 2005 gemaakt zijn door de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor de Luchtvaart, de Professionele Ballonvaarders Nederland en LTO Nederland vanuit de landbouw. Dergelijke afspraken gaan niet boven de wet; zij kunnen het in de wet geregelde eigendomsrecht niet beperken. Als een grondeigenaar daar toestemming voor geeft, dan mag een ballon landen op zijn grond, ook al is dat geen vliegveld. Maar de Gedragscode is geen vrijbrief om gebruik te maken van grond van iemand die daar geen toestemming voor geeft.

2.7.

Dat er geen toestemming gegeven is, staat vast. [gedaagde] heeft dus tegenover [eiser sub 2] onrechtmatig gehandeld, en zal de schade moeten vergoeden die daardoor veroorzaakt is. Voor de bepaling van de omvang van die schade zou het rapport van de door [eiser sub 2] ingeschakelde expert, de heer [A] van [bedrijfsnaam] B.V. gevolgd kunnen worden, waarin de schade als gevolg van het voorval begroot wordt op € 16.777. Bij dat onderzoek is [gedaagde] betrokken geweest, en de conclusies worden bevestigd door de twee rapporten van [B] . Het tegenrapport van [C] is op verzoek van [gedaagde] opgesteld zonder melding aan of betrokkenheid van [eiser sub 2] en op basis van alleen papieren onderzoek, en het is pas in deze procedure overgelegd. Daarom volgt de kantonrechter dit rapport niet. [eiser sub 2] vordert echter slechts € 14.463,59, op basis van een taxatie van [naam taxatiebureau] . Omdat dit minder is, kan dat worden toegewezen.

2.8.

[eiser sub 2] vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarbij is voldoende onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Voor het bedrag zal worden aangesloten bij de tarieven van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, omdat die bedragen als redelijk beschouwd kunnen worden. De vergoeding wordt dan € 1.112,76 (inclusief btw). De rest zal worden afgewezen, omdat dat niet is onderbouwd.

2.9.

Omdat [eiser sub 2] voor het grootste deel gelijk krijgt, zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,80

- griffierecht € 476,00

- salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00)

Totaal € 1.299,80

3 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 2] tegen bewijs van kwijting te betalen € 14.463,59 met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 tot de voldoening, en € 1.112,76 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 2] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.299,80, waarin begrepen € 720,00 aan salaris gemachtigde, met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] , als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiser sub 2] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, waarvan het salaris begroot wordt op € 100,00, met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2019.