Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5129

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
NL19.576
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap bij convenant, geen goederenrechtelijke levering, verzwijging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.576

Vonnis van 6 november 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser van de vordering,

verweerder op de

tegenvordering, hierna te

noemen: [eiser] , advocaat

S.S. Zijderveld,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster op de vordering,

eiseres van de

tegenvordering, hierna te

noemen: [verweerster] ,

advocaat R.C.H. Bruinier te Ede Gld.

1 De procedure

1.1.

In deze procedure zijn de volgende stukken ingediend:

- de procesinleiding;

- het verweerschrift met een tegenvordering;

- het verweerschrift op de tegenvordering;

- de akte overlegging productie, tevens houdende akte wijziging tegeneis.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. Daarbij is vonnis bepaald op 6 november 2019 of zo veel eerder als het vonnis gereed zou zijn.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen op [trouwdatum] 1985. Bij beschikking van [datum] 2012 is de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op [echtscheidingsdatum] 2012.

2.2.

De gevolgen van hun echtscheiding hebben partijen geregeld in een echtscheidingsconvenant hierna te noemen: het convenant) dat is ondertekend in juni 2012 en op 6 augustus 2012. Het convenant is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2012 en maakt daar deel van uit.

2.3.

In dit convenant zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

“Artikel 1 De woning

1.1

Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren de woning staande en gelegen te [woonplaats] aan de [straatnaam 1] no. [nummeraanduiding 1] , alsmede de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] aan de [straatnaam 2] no. [nummeraanduiding 2] . De woning aan de [straatnaam 1] is aangekocht voor € 235.000,- k.k. en daarna nog verbouwd. Hiervoor is een aflossingsvrije hypothecaire lening afgesloten van € 200.000,- en een overbruggingskrediet van € 100.000,- De woning aan de [straatnaam 2] staat al geruime tijd te koop, thans voor € 295.000,-. Hiervoor is een aflossingsvrije hypothecaire lening afgesloten (in drie delen) van in totaal € 190.134,06.

1.2

De vrouw woont thans in de woning aan de [straatnaam 1] , doch het is de bedoeling van partijen dat de man daarin zal gaan wonen en de vrouw terugkeert naar de woning aan de [straatnaam 2] . Deze laatste woning is thans nog verhuurd, maar partijen zullen het daarheen leiden dat de huurovereenkomst met de huurder zo spoedig wordt beëindigd. Het is de bedoeling dat partijen, op voorwaarde dat zij dat de (her)financiering rond komt, de bij hun woning behorende leningen op eigen naam zullen overnemen en bij overname zullen zorgdragen voor ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de andere partij.

1.3

Vanaf het moment dat de vrouw haar intrek heeft genomen in hun woning, komen alle lasten van de [straatnaam 2] uitsluitend voor haar rekening en alle lasten van de [straatnaam 1] uitsluitend voor rekening van de man. Tot dat moment wordt de betaling van de woonlasten van beide woningen voortgezet zoals dat in het huwelijk steeds gebruikelijk was (waarbij de woonlasten van de [straatnaam 2] zullen worden voldaan door de man vanuit de maandelijkse huurtermijnen, die dekkend zijn), met uitzondering van de gebruikslasten van de [straatnaam 1] , die nu al voor rekening van de vrouw komen”.

2.4.

Op 1 oktober 2012 is de vrouw in de woning aan de [straatnaam 2] gaan wonen.

2.5.

Geen van beide partijen is in staat gebleken de voor hen bedoelde woning toegedeeld te krijgen en ervoor te zorgen dat de ander zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de betreffende woning verbonden schulden, zoals overeengekomen in het convenant. Beide woningen zouden daarom moeten worden verkocht. In 2013 heeft de man de woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] te [woonplaats] verkocht. De vrouw heeft daaraan haar medewerking verleend. De woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] heeft ook (een periode) in de verkoop gestaan, maar is tot op heden niet verkocht.

2.6.

De verkoopopbrengst van de woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] te [woonplaats] was onvoldoende om de hypotheek en het overbruggingskrediet van € 100.000,- bij ING Bank (hierna te noemen: het overbruggingskrediet) af te lossen. In plaats van aflossing van het overbruggingskrediet heeft de man de resterende € 27. 835,75 aangewend om (andere) schulden mee te voldoen (de schuld aan Santander voor meer dan zijn aandeel en de schuld aan de broer van de vrouw voor zijn aandeel, te weten de helft) en rijlessen voor de dochter mee te betalen. Het bedrag groot € 7.935,15 dat daarna resteerde, heeft de man gehouden. Daarna heeft de man de rente van het overbruggingskrediet voldaan en op de hoofdsom daarvan niets afgelost, zodat nog steeds een bedrag van € 100.000,- open staat.

2.7.

Partijen hebben in het convenant geen regeling getroffen voor (de waarde van) een polis bij Generali met polisnummer [polisnummer 1] die tot de gemeenschap van goederen behoorde. De man heeft een verzoek tot afkoop gedaan en medio 2013 de volledige waarde, een bedrag van € 8.749,47, ontvangen en uitgegeven, zonder daarvan mededeling te doen aan de vrouw.

3 Het geschil

de vordering van de man

3.1. ““

Dat het uw Rechtbank behage om op grond van al het navolgende bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van partijen als volgt te gelasten:

A.

De woning aan de [straatnaam 2] nr. [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] wordt toegedeeld aan de man tegen de waarde die is vastgesteld bij taxatie d.d. 6 juni 2018 in opdracht van partijen, het transport vindt plaats binnen 1 maand na toedeling;

-De vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning.

-De kosten van overdracht van de woning en ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid worden tussen partijen bij helfte verdeeld.

B.

de vrouw wordt ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustende hypothe(e)k(en) en de man zal per de datum van toedeling/transport de rustende hypotheken op zich nemen en voldoen als eigen schuld met uitsluiting van de vrouw.

C.

In geval van toedeling van de woning en afwikkeling conform het voorstel van de man in verband met de afspraken voortvloeiend uit het echtscheidingsconvenant en de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap voldoet de vrouw € 2.168,94 aan de man ter verrekening van de vorderingen over en weer.

D.

De vorderingen van partijen op elkaar zoals vermeld worden met elkaar verrekend. Ten tijde van het transport van de woning wordt het resterend tegoed door de ene aan de andere partij uitgekeerd.

E.

Partijen worden ieder veroordeeld om de bedragen zoals vermeld hiervoor, althans de bedragen die zij op grond van het door uw rechtbank te wijzen vonnis aan elkaar dienen te voldoen, ten tijde van het transport van de woning aan elkaar te voldoen, bij gebreke waarvan zij ieder vanaf dat moment de wettelijke rente over deze bedragen zijn verschuldigd.

F.

Indien hoofdelijk ontslag niet kan worden gerealiseerd wordt subsidiair gevraagd:

  1. De vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning en te bepalen dat de helft van de overwaarde van de woning (de verkoopopbrengst -/- de hypothecaire geldschuld -/-de verkoopkosten) tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;

  2. Te bepalen dat indien partijen niet binnen 4 weken na het in deze te wijzen vonnis gezamenlijk een makelaar opdracht hebben gegeven tot de verkoop, ieder van hen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan een door uw rechtbank te benoemen NVM-makelaar tot verkoop van de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] ;

  3. Te bepalen dat, indien partijen niet binnen 2 weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs voor partijen bindend vaststelt;

  4. Te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het transport van de woning aan koper;

  5. Te bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen;

  6. Te bepalen dat zodra er een kandidaat-koper is die bereid is een prijs te betalen (tussen de

laat- en vraagprijs) die door de makelaar geadviseerd wordt, de vrouw mee dient te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst (op de gebruikelijke, door de ingeschakelde makelaar gehanteerde voorwaarden), en dat bij gebreke van dien, het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de instemmende verklaring van de vrouw;

Te bepalen dat de vrouw dient mee te werken aan het notarieel transport en te bepalen dat, voor het geval de vrouw weigert haar medewerking aan de levering van de woning aan de koper te verlenen de door Uw Rechtbank te wijzen vonnis voor wat betreft de verklaring van de vrouw in de notariële transportakte in de plaats treedt”.

3.2.

Het verweer van de vrouw strekt tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

op de tegenvordering van de vrouw

3.4.

De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: “(..)Ten aanzien van de

tegenvorderingen

2. de wijze van (nadere) verdeling zal gelasten van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap met inachtneming van de standpunten van de vrouw zoals ingenomen in deze procedure;

3. primair te bepalen dat de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] nader aan de man wordt toebedeeld met inachtneming van een waarde van € 282.000,00, waarbij notariële levering niet eerder plaatsvindt dan na ommekomst van een periode van zes (6) maanden na datum van het te wijzen vonnis, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire leningen bij de ING Bank met nummers [nummeraanduiding 3] en [nummeraanduiding 4] , waarbij de kosten van notariële levering voor rekening komen van de man en onder uitbetaling - uiterlijk ten tijde van notariële levering - een bedrag van € 91.865,94 aan de vrouw;

4. subsidiair - indien de man niet aan het in punt 3 vermelde kan voldoen - partijen te veroordelen hun volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] door [naam makelaarskantoor] te [vestigingsplaats] en waar nodig de gelegenheid tot bezichtiging;

5. partijen te veroordelen niet in of rond de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] aanwezig te zijn bij de bezichtiging door (aspirant)kopers;

6. partijen te veroordelen hun medewerking te verlenen aan verkoop van de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] , als de makelaar schriftelijk heeft verklaard dat het bod - gezien de vraagprijs - redelijk is en wel door al datgene te doen wat nodig is zoals het tekenen van de voorlopige koopakte;

7. partijen te veroordelen mee te werken aan de notariële overdracht van de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] op de door de koper(s) gewenste termijn doch in ieder geval niet binnen zes (6) maanden na ondertekening van de koopakte;

8. partijen te veroordelen de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] bij overdracht aan (een) derde(n) leeg, ontruimd en in goede staat op te leveren en leeg en ontruimd te houden;

9. te bepalen met de verkoopopbrengst de hypothecaire leningen bij de ING Bank met nummers [nummeraanduiding 3] en [nummeraanduiding 4] worden afgelost, dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en overdrachtskosten ter zake de verkoop en levering van de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te dragen en dat het restant toekomt aan de vrouw;

10. te bepalen dat het te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de man voor elk van de gevorderde rechtshandelingen na ommekomst van de daarbij bepaalde termijn dan wel te bepalen dat de man aan de vrouw een dwangsom voor een bedrag van € 500,00 verbeurt voor elke dag dat hij aan een van de hier in punten 4 tot en met 8 gevorderde veroordelingen geen gevolg geeft tot een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 50.000,00;

11. de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 sub b BW te bepalen op veertien (14) dagen;

12. te bepalen dat de man dient te bewerkstelligen dat de vrouw binnen een periode van zes

(6) maanden na datum van het te wijzen vonnis wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de overbruggingslening bij de ING Bank met nummer [nummeraanduiding 5] , zulks op straffe van een dwangsom voor een bedrag van € 500,00 per dag voor iedere dag dat de man geheel of gedeeltelijk in gebreke is of blijft aan deze verplichting of veroordeling te voldoen tot een maximum aan verbeurte dwangsommen van € 50.000,00;

13. ingetrokken;

14. ingetrokken;

15. de man te veroordelen aan de vrouw – tegen behoorlijk bewijs van kwijting - te betalen

het in punt 12 van de in het petitum genoemde bedrag van € 912,27 en wel binnen veertien

(14) dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de man tevens vertragingsrente ex artikel 6:119BW verschuldigd zal worden over het bedrag van € 912,27 en welvanaf de 15e dag na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

16. ingetrokken;

17. de man te veroordelen aan de vrouw - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - te betalen een bedrag van € 8.749,47 uit hoofde van verzwijging dan welhet verborgen houden ex artikel 3:194 lid 2 BW van de waarde van de kapitaalverzekering bij Generali met polisnummer [polisnummer 1] en wel binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de man tevens vertragingsrente ex artikel 6:119 BW verschuldigd zal worden over het bedrag van € 8.749,47 en wel vanaf de 15e dag na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

18. de proceskosten tussen partijen te compenseren”.

3.5.

De man voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling van de vordering en de tegenvordering

4.1.

Vanwege de samenhang van de vordering en de tegenvordering zullen deze tezamen worden besproken.

De hamvragen

4.2.

De man wil nu de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] , die bewoond wordt door de vrouw, overnemen. Als de man de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] niet kan overnemen zijn partijen het er over eens dat (ook) deze woning moet worden verkocht. Op deze woning rusten nog hypotheken voor een totaalbedrag groot € 190.134,06. In verband met de wens van de man om de woning over te nemen is de woning getaxeerd in 2018 op een bedrag van € 282.000,-. Met die taxatiewaarde zijn beide partijen het eens, maar zij zijn het oneens over het antwoord op de twee hamvragen:

1. Wie is draagplichtig voor het overbruggingskrediet van € 100.000,- ?

2. Aan wie komt de overwaarde op de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] toe ? Het gaat om - naar schatting - zo’n € 91.865,94 op basis van een waarde van de woning van € 282.000,- en hypotheken groot € 190.134,06. Wellicht is de waarde van de woning inmiddels gestegen.

Daarbij geldt dat als de man geheel draagplichtig is voor het overbruggingskrediet, hij niet in staat is om de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] te financieren.

4.3.

De rechtbank oordeelt dat de man geheel draagplichtig is voor het overbruggingskrediet. De overwaarde van de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] (koopprijs verminderd met de hypotheken en de kosten van de notaris en de makelaar) komt zonder verrekening toe aan de vrouw. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt wordt hierna uitgelegd.

4.4.

De man doet een beroep op de redelijkheid en stelt dat partijen met een ongelijke verdeling blijven zitten als de man het overbruggingskrediet geheel voor zijn rekening zou moeten nemen. Het overbruggingskrediet behoort tot het onverdeelde vermogen van partijen, evenals de woningen. Nu de afwikkeling zoals beoogd voor geen van partijen realistisch is gebleken is het uitgangspunt wederom die onverdeelde gemeenschap.

4.5.

De vrouw verwijst naar de inhoud van het convenant (artikel 1.2 en 1.3) en de latere correspondentie daarover tussen de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw. Zij concludeert op grond van het convenant dat de man draagplichtig is voor het overbruggingskrediet omdat hij deze lasten zonder verrekening diende te voldoen en had moeten zorgen dat de vrouw zou worden ontheven uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor het overbruggingskrediet. Elk van partijen diende bovendien de lasten van de aan hem respectievelijk haar toebedeelde woning te voldoen, vanaf de datum waarop hij respectievelijk zij daarin hun intrek had genomen, zonder verrekening.

4.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het convenant bevat een verdeling. Daarbij is overeengekomen dat elk van partijen de lasten verbonden aan de aan hem resp. haar toe te delen woning voor zijn resp. haar eigen rekening zou nemen, zonder verrekening. Als de leveringen van de woningen zouden zijn uitgevoerd had de man het overbruggingskrediet ook geheel gedragen. Dit laatste is door de man gedurende de mondelinge behandeling bevestigd. Dat de juridische levering van de woningen niet kon plaatsvinden om dat geen van partijen één van beide woningen kon financieren, brengt daarin geen verandering. Het convenant is immers niet ontbonden. Weliswaar heeft de man gesteld dat er in 2013 afspraken zijn gemaakt tussen partijen over de verkoop van de woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] te [woonplaats] , maar niet wat die afspraken precies inhielden en of er iets, en zo ja wat, tussen partijen is overeengekomen over het overbruggingskrediet (in afwijking van het convenant). Daar komt bij dat partijen het uitgangspunt van het convenant feitelijk hebben uitgevoerd. Immers, met de overwaarde heeft de man schulden afgelost en voor zover die aflossing van schulden ook het deel van de vrouw betrof, vordert de man dat van de vrouw terug. Het restant van de overwaarde na aflossing van schulden heeft de man sinds de verkoop in 2013 zelf gehouden. De man ging er dus kennelijk zelf ook van uit dat de verkoopopbrengst van de woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] te [woonplaats] geheel aan hem toekwam. Dat de vrouw heeft meegewerkt aan de verkoop van de woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] te [woonplaats] is logisch omdat zij juridisch nog wel mede-eigenaar was. Maar dit enkele juridische mede-eigendom brengt geen verandering in de draagplicht van het overbruggingskrediet.

4.7.

Ditzelfde geldt ook voor de beantwoording van de vraag aan wie de vrijvallende overwaarde bij verkoop van de woning aan de [straatnaam 2] te [woonplaats] toekomt. In geval van juridische levering zou er niets verrekend worden. Er is niets gesteld op grond waarvan dat bij verkoop anders zou moeten zijn. De door de man aangevoerde redelijkheid is onvoldoende (onderbouwd) om hiervan af te wijken.

4.8.

De vordering van de vrouw om de man te veroordelen het overbruggingskrediet te voldoen zal worden toegewezen. De rechtbank zal daaraan geen dwangsom verbinden. Reden daarvan is dat de rechtbank aanneemt dat de man niet over € 100.000,- beschikt om deze schuld af te lossen en hij dat bedrag waarschijnlijk in termijnen aan de bank zal moeten doen. Gelet hierop kan de man niet ineens voldoen aan de vordering van de vrouw en wijst de rechtbank de gevorderde dwangsom af. De vordering dat de man dient te bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het overbruggingskrediet zal ook worden toegewezen. De daarop door de vrouw gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Het gaat hier om een inspanningsverbintenis waarvan immers niet duidelijk is of die tot resultaat kan leiden omdat dit afhankelijk is van de schuldeiser terwijl er tegelijkertijd al een veroordeling van de man tot betaling zal worden uitgesproken.

Verkoop van de woning aan de [straatnaam 2]

4.9.

Partijen zijn het er over eens dat de woning moet worden verkocht omdat de vrouw de woning niet kan financieren en de man niet ontheven kan worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op deze woning rustende hypotheken. De man heeft niet de mogelijkheid deze woning over te nemen nu hij geheel draagplichtig is voor het overbruggingskrediet en de overwaarde van de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] geheel toekomt aan de vrouw. Daarmee kan een einde komen aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man voor de hypotheekschulden die rusten op de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] . Voor zover wordt gevorderd dat de rechtbank een nadere verdeling zal gelasten wordt die vordering afgewezen. Er is immers een convenant dat een verdeling bevat. Dit convenant is niet ontbonden. Partijen discussiëren nog over de termijn waarbinnen de woning kan worden geleverd en de vrouw de woning moet verlaten: de vrouw wil daarvoor zes maanden de tijd hebben, de man vindt dat het – kort gezegd – al lang genoeg heeft geduurd. Beide partijen hebben een punt. De rechtbank zal beslissen dat als de woning is verkocht, de woning wordt geleverd vijf maanden na de datum van dit vonnis of zo veel eerder als de vrouw andere woonruimte heeft gevonden. De woning moet immers nog worden verkocht en aan de vrouw moet enige tijd gegund worden om andere woonruimte te vinden.

4.10.

De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen [naam makelaarskantoor] te [vestigingsplaats] . Partijen dienen deze makelaar dan ook opdracht te geven tot de verkoop van de woning.

4.11.

Op de vorderingen van partijen voor wat betreft de te nemen stappen bij verkoop zal de rechtbank, gelet op de overeenstemming tussen partijen dat de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] moet worden verkocht als de man de woning niet kan overnemen, beslissen zoals in het dictum van dit vonnis is weergegeven. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. De vordering van de vrouw dat de man de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overdrachtskosten moet voldoen wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. De rechtbank ziet vooralsnog geen reden om een machtiging als door de vrouw sub 10 en 11 gevorderd, toe te wijzen. Partijen zijn het er immers over eens dat de woning moet worden verkocht en de man heeft belang bij beëindiging van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid.

Overige geschilpunten

De regresvordering van de man

4.12.

Deze vordering van de man zal worden afgewezen. De regresvordering van de man bestaat uit een optelsom van verschillende posten waarvan hij ter zitting het bedrag dat hij aan Santander heeft voldaan en waarmee bij de vaststelling van de alimentatie rekening is gehouden, heeft afgetrokken (door intrekking van dat deel van de vordering).

4.13.

Van die regresvordering resteert een bedrag van € 3.009,79 waarvan de man stelt dat hij die kosten voor de vrouw heeft voldaan. Voor zover de verrekeningsvordering van de man ziet op de rente van het overbruggingskrediet wordt dit deel van de vordering afgewezen omdat de man de draagplichtige is van deze vordering, inclusief rente, zoals overwogen onder 4.3.

4.14.

Voor zover de regresvordering betrekking heeft op de voldoening van hypotheekachterstanden zal deze worden afgewezen. De man stelt dat de vrouw moet bijdragen aan de achterstand van de hypotheeklasten omdat die bij het convenant vergeten zouden zijn. De vrouw wijst op artikel 1.2 van het convenant. Op grond daarvan moest de man, met gebruikmaking van de inkomsten uit verhuur van één van beide woningen, tot 1 oktober 2012 alle eigenaars- en gebruikerslasten voor de [straatnaam 2] en alle eigenaarslasten van de [straatnaam 1] voor zijn rekening nemen en de vrouw de gebruikerslasten van de [straatnaam 1] , zonder verrekening. Verder stelt de vrouw dat de schuld voor zover deze achterstallige hypotheekrente ten aanzien van de woning aan de [straatnaam 1] [nummeraanduiding 1] betreft, is ontstaan na 1 oktober 2012. Op grond van het convenant komt die schuld voor rekening van de man, zonder verrekening. De rechtbank constateert dat partijen specifiek zijn overeengekomen wie welke lasten draagt en dat hetgeen de man nu vordert, daarvan afwijkt. Dat deze achterstanden vergeten zouden zijn, en waarom deze achterstanden niet zouden vallen onder de specifiek in het convenant geregeld draagplicht van die lasten, heeft de man niet onderbouwd.

4.15.

Voor zover de regresvordering bedragen bevat ter zake van servicekosten, waterschapslasten en gemeentebelasting heeft de man zijn vordering onvoldoende onderbouwd tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw.

De polis bij Generali met nummer [polisnummer 1]

4.16.

De vordering van de vrouw inhoudende dat de man de gehele afkoopwaarde van deze polis groot € 8.749,47 geheel aan haar moet voldoen, zal worden toegewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

4.17.

Vast staat dat deze polis een bestanddeel was van de gemeenschap van goederen maar niet is genoemd in het convenant. De vrouw heeft een brief van Generali aan de man gedateerd 22 april 2013 overgelegd en het daarin genoemde afkoopwaarde groot € 8.749,47. Zij stelt dat deze brief een reactie is op een eerder door de man gedaan verzoek tot afkoop. Volgens de vrouw heeft de man nimmer melding gemaakt aan de vrouw van het bestaan van deze polis, dat hij de polis heeft afgekocht en het bedrag van Generali heeft ontvangen en uitgegeven. De man bestrijdt in zijn verweer op de tegenvorderingen van de vrouw dat sprake is van verzwijgen of verbergen van vermogensbestanddelen en stelt dat hij nadere informatie zal overleggen, maar dat heeft hij niet gedaan. Verder heeft hij op de mondelinge behandeling verklaard dat sprake was van schulden en financiële chaos bij hem.

4.18.

De vrouw doet een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW. Ingevolge art. 3:194 lid 2 BW verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Met ‘opzettelijk’ heeft de wetgever aangegeven dat lid 2 slechts geldt als de deelgenoot wist dat de goederen tot de gemeenschap behoorden. Het gaat hierbij om handelen of nalaten met het oogmerk de rechten van de deelgenoten te verkorten. De stelplicht en bewijslast rusten op degene die zich op deze bepaling beroept.

4.19.

De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van opzettelijk verzwijgen of verborgen houden van de polis door de man. Er zijn verschillende momenten geweest waarop van de man verwacht had mogen worden dat hij melding van het bestaan van de polis had moeten maken aan de vrouw, maar hij heeft - zo kort na het convenant en de echtscheiding - verzocht om afkoop, de afkoop doorgezet, het geld ontvangen en uitgegeven en dit alles stil gehouden. De man betwist ook niet dat de polis behoorde tot de gemeenschap van goederen. Hij stelt daarover verder niets. Dat de man met het bedrag schulden heeft voldaan en dat het bij hem een financiële chaos was, is onvoldoende om de vordering af te wijzen.

4.20.

Tegen de gevorderde wettelijke rente is door de man geen verweer gevoerd. Wel heeft de man zelf gevorderd dat er verrekening zou plaatsvinden van het over en weer verschuldigde bij de levering van de woning, maar omdat partijen zelf al een deel van de vorderingen hebben verrekend en de vrouw niets aan de man verschuldigd is, maar de man wel aan de vrouw, zal de vordering worden toegewezen.

Partijen zijn het eens over het volgende

4.21.

De regresvordering van de man op de vrouw voor een bedrag van € 5.002,73 op basis van de aflossing van het restant van de schuld aan Bank Santander per 1 juli 2014 als gevolg van verrekening ex artikel 6:127 lid 1 BW per datum van indiening van dit processtuk is teniet gegaan gelet op de vordering van de vrouw op de man voor een bedrag van € 5.915,00 op basis van de wijze van verdeling van de teruggaven inkomstenbelasting 2011 en 2012 zodat per saldo nog resteert een door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 912,27. Daarover zijn partijen het eens.

De man heeft weliswaar gevorderd dat alle verrekeningsvorderingen worden voldaan bij levering van de woning maar ging er daarbij van uit dat hij nog een geldvordering op de vrouw zou hebben. Nu dat niet het geval is zal de vordering van de vrouw om dit bedrag binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis aan de vrouw te voldoen (vordering onder 12) worden toegewezen. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd.

4.22.

De polissen bij Generali met de nummer [polisnummer 2] en [.] zullen worden afgekocht en de afkoopwaardes daarvan zullen bij helfte worden gedeeld.

4.23.

De caravan in Spanje wordt door de vrouw geleverd aan de man zonder vergoeding, onder de verplichting dat de aan de caravan verbonden lasten voor rekening komen van de man en dat hij die lasten als zijn eigen schuld zal voldoen.

4.24.

Nu er geen geschil meer bestaat over de verdeling van de waarde van de onder 4.22. genoemde polissen en de levering van de caravan aan de man, hoeft de rechtbank hierover niet meer te beslissen. Partijen zijn vanzelfsprekend welgebonden aan hun afspraken als vermeld in dit vonnis.

Proceskosten

4.25.

Elk van partijen draagt de eigen proceskosten. Reden daartoe is dat deze zaak een geschil tussen ex-echtelieden betreft en de afwikkeling van hun echtscheidingsconvenant, waarvoor beiden nog actie moeten ondernemen.

5 De beslissing op de vordering en de tegenvordering

De rechtbank

5.1.

veroordeelt partijen hun volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] door:

- binnen vier weken na de datum van dit vonnis opdracht tot verkoop te geven van de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] aan [naam makelaarskantoor] te [vestigingsplaats] ;

- voldoende gelegenheid te bieden tot bezichtiging;

- niet in of rond de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] aanwezig te zijn bij de bezichtiging door (aspirant)kopers; als de makelaar schriftelijk heeft verklaard dat het bod - gezien de vraagprijs - redelijk is, al datgene te doen wat nodig is zoals het tekenen van de voorlopige koopakte en medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan de koper;

- mee te werken aan de notariële overdracht van de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] op de door de koper(s) gewenste termijn doch in ieder geval niet binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis;

- de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] bij overdracht aan een derde leeg, ontruimd en in goede staat op te leveren en leeg en ontruimd te houden;

5.2.

verklaart voor recht dat hetgeen van de verkoopopbrengst van de woning aan de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] te [woonplaats] resteert, na aflossing van de hypothecaire leningen bij de ING Bank met nummers [nummeraanduiding 3] en [nummeraanduiding 4] en de kosten van de makelaar, de notaris en overdrachtskosten ter zake de verkoop en levering van de [straatnaam 2] [nummeraanduiding 2] , toekomt aan de vrouw;

5.3.

veroordeelt de man de overbruggingslening bij de ING Bank met nummer [nummeraanduiding 5]

groot € 100.000,- te voldoen als eigen schuld, zonder verrekening;

5.4.

veroordeelt de man € 912,27 te betalen aan de vrouw - tegenbehoorlijk bewijs van kwijting - binnen veertien (14) dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan de man tevens vertragingsrente ex artikel 6:119BW verschuldigd zal worden over het bedrag van € 912,27 en wel vanaf de 15e dag na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.5.

veroordeelt de man om aan de vrouw - tegen behoorlijk bewijs van kwijting - te betalen een bedrag van € 8.749,47 uit hoofde van verzwijging dan welhet verborgen houden ex artikel 3:194 lid 2 BW van de waarde van de kapitaalverzekering bij Generali met polisnummer [polisnummer 1] en wel binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis, bij gebreke waarvan de man tevens vertragingsrente ex artikel 6:119 BW verschuldigd zal worden over het bedrag van € 8.749,47 en wel vanaf de 15e dag na dagtekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 5.1.,5.3., 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde;

5.8.

bepaalt dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2019.