Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5114

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
C/16/489331 / KG ZA 19-646
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Conservatoir beslag opgeheven wegens schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Rv).

Beslaglegger heeft de voorzieningenrechter in het beslagverzoek onjuist voorgelicht over het beoogde gebruik van het beslagobject (hetgeen zou bestaan uit het tonen van een prototype van een elektrische bus op een tweejaarlijkse beurs in Brussel). Daarmee heeft hij voorkomen dat de voorzieningenrechter dit aspect bij zijn beoordeling van de proprtionaliteit van het gevraagde beslag zou betrekken. Dit is een schending van artikel 21 Rv en dat heeft, gelet op de aard en ernst daarvan, tot gevolg dat de vordering om opheffing van de op deze bus gelegde beslagen reeds om die reden toewijsbaar is.

Voor het verbinden van een voorwaarde aan opheffing, inhoudende dat beslagene vóór de opheffing aan de deurwaarder de gelegenheid biedt om uitgebreid foto’s te maken van de onderdelen van de bus, zoals verzocht door beslaglegger, is geen plaats. Beslagene heeft dit aanbod gedaan onder druk van de situatie waarin beslaglegger haar had gebracht, en was dus vrijblijvend. Afgezien daarvan geldt dat honorering van deze voorwaarde ertoe zou leiden dat schending van artikel 21 Rv een “spel zonder nieten” zou worden: als de schending al ontdekt wordt en gevolgen heeft, zou namelijk altijd nog geprobeerd kunnen worden er wat gunstigs uit te slepen. Daar gaat de voorzieningenrechter niet in mee. Schending van artikel 21 Rv in een beslagprocedure is ernstig, en moet serieuze consequenties hebben, zodat partijen die om beslag verzoeken, een prikkel hebben om de waarheidsplicht na te leven.

Proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019ie Rv wordt afgewezen wegens het ontbreken van een tijdig ingediende proceskostenspecificatie. Gelet hierop kan in het midden blijven of voldaan is aan het vereiste van de aanwezigheid van "buitengewone omstandigheden" die de rechter kan noodzaken van deze discretionaire bevoegdheid gebruik te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/605
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/489331 / KG ZA 19-646

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRIBUS B.V.,

gevestigd te De Meern,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRIBUS SPECIALS B.V.,

gevestigd te Zeist,

Tribus c.s.,

advocaat mr. S.M. Kaak te Utrecht,

tegen

de vennootschap naar Sloveens recht

TAM-EUROPE D.O.O.,

gevestigd te Maribor, Slovenië,

TAM,

advocaat mr. W.J.G. Maas te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Tribus c.s. en TAM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte wijziging van eis

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie

  • -

    de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de voorzieningenrechter de indiening van de reconventionele vordering heeft geweigerd

  • -

    de pleitnota van Tribus c.s.

  • -

    de pleitnota van TAM.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 14 oktober 2019 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking (die is opgemaakt op 4 november 2019).

2. De feiten

2.1.

Tribus c.s. is een onderneming die als doel heeft het verbeteren van de mobiliteit van mensen door het ontwerpen, ontwikkelen en produceren van mobiliteitsoplossingen. Sinds 1998 creëert Tribus c.s. rolstoeltoegankelijk personenvervoer, waarbij zij bussen of auto’s ombouwt tot multifunctionele voertuigen. In december 2017 heeft zij besloten om een elektrische stadsbus te ontwikkelen, genaamd “Movitas” (hierna: de Movitas-bus of de bus van Tribus c.s.). Het prototype daarvan is inmiddels gereed, maar is nog niet productiegereed.

2.2.

TAM is een onderneming die zich bezig houdt met de ontwikkeling en vervaardiging van innovatieve bussen, waaronder airport-bussen, touringcars, schoolbussen en elektrische (stads-)bussen. In 2018 heeft zij een modulaire elektrische bus op de markt geïntroduceerd onder de merknaam “VERO”.

2.3.

Op 9 oktober 2019 heeft TAM bij de voorzieningenrechter van deze rechter een verzoekschrift ingediend dat (primair) strekte, kort samengevat, tot het verlenen van verlof tot:

  • -

    conservatoir beslag tot afgifte van alle exemplaren van de Movitas-bussen en gerechtelijke bewaring daarvan,

  • -

    conservatoir bewijsbeslag op een exemplaar van de Movitas-bus en op diverse documenten die met de ontwikkeling van deze bus samen zouden hangen, alsmede gerechtelijke bewaring daarvan.

Naar aanleiding van vragen van de voorzieningenrechter heeft TAM haar verzoekschrift aangepast en de aangepaste versie dezelfde dag ingediend.

2.4.

Bij beschikking van 9 oktober 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de primair verzochte beslagen grotendeels toegewezen.

2.5.

Op 10 oktober 2019 zijn de onder 2.4 bedoelde beslagen gelegd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Tribus c.s. vordert samengevat en na eiswijziging - dat de voorzieningenrechter:

  • -

    de door TAM gelegde conservatoire beslagen op de Movitas-bus (hierna: de beslagen) opheft,

  • -

    TAM veroordeelt om de bus af te geven aan Tribus c.s., althans opdracht te geven aan de gerechtelijk bewaarder om dat te doen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  • -

    TAM verbiedt om in de toekomst over te gaan tot beslaglegging onder Tribus c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom,

  • -

    de termijn ex artikel 1019i Rv en artikel 50 lid 6 TRIPS-verdrag bepaalt op 6 maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het te wijzen vonnis,

  • -

    TAM conform artikel 1019ie Rv veroordeelt in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere door Tribus c.s. gemaaklte kosten, begroot op € 20.000,-- .

Bij deze weergave van de vordering is rekening gehouden met een kennelijke verschrijving in de dagvaarding, inhoudende dat in plaats van “het ten verzoeke van Tribus gelegde conservatoire beslag” onder I van het petitum is gelezen “het ten verzoeke van TAM gelegde conservatoire beslag”.

3.2.

TAM voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Volgens TAM heeft Tribus c.s. onvoldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen, omdat niet aannemelijk is dat Tribus c.s. met haar Movitas-bus daadwerkelijk naar de beurs “Busworld 2019” in Brussel (hierna: de beurs in Brussel) wil gaan, welke beurs plaatsvindt van 18 tot 23 oktober 2019. De bus is immers volgens eigen zeggen van Tribus c.s. te fragiel om te worden vervoerd, en nog in ontwikkeling.

4.2.

De omstandigheid dat de bus van Tribus c.s. nog uitontwikkeld moet worden (volgens Tribus c.s. betreft dat het testen op betrouwbaarheid) laat onverlet dat er sprake is van een prototype dat geschikt is om op een beurs tentoon te stellen om daarmee opdrachtgevers te interesseren voor de bus. Zoals Tribus c.s. onweersproken heeft gesteld was het de bedoeling om het prototype op 12 oktober 2019 te laden (dus kennelijk op een ander voertuig) om het naar de beurs in Brussel te brengen. De vervoerbaarheid van de bus staat daarmee vast, zodat de voorzieningenrechter wel aannemelijk acht dat Tribus c.s. van plan is om met haar bus op de beurs van Brussel te gaan staan.

4.3.

Nu 15 oktober 2019 de laatste dag is waarop standhouders hun stand op de beurs in Brussel kunnen opbouwen, heeft Tribus c.s. een voldoende (zelfs zeer groot) spoedeisend belang bij haar vordering tot opheffing van het beslag op de bus.

De gemaakte bezwaren

4.4.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter het door Tribus c.s. gemaakte bezwaar tegen het indienen van een reconventionele vordering door TAM gehonoreerd. De vordering van Tribus c.s. betreft een uiterst spoedeisende kwestie, omdat het gaat over de vraag of de bus van Tribus c.s. de dag na de zitting wel of niet naar de beurs in Brussel kan gaan. De reconventionele 843a-vordering van TAM heeft niet dezelfde mate van spoed.

Bovendien heeft TAM met het indienen van een reconventionele vordering enkele minuten vóór het aflopen van de 24-uurs termijn van artikel 7.2 van het Procesreglement Kort Gedingen Rechtbanken Handel/Familie de grenzen van die termijn opgezocht, mede omdat een substantieel deel van die termijn viel binnen het weekend. Daarmee heeft de rechter (alsook Tribus c.s.) onvoldoende voorbereidingstijd gehad.

Een en ander leidt tot de conclusie dat TAM met het indienen van haar reconventionele vordering de goede procesorde schendt, zodat die vordering niet wordt toegelaten. Dit laat onverlet dat het TAM vrij staat om een nieuw kort geding te starten om haar 843a-vordering ter beoordeling aan de rechter voor te leggen.

4.5.

TAM heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de indiening door Tribus c.s. van haar proceskostenoverzicht (productie 29), aangezien deze indiening te laat, namelijk enkele uren (om 9:45 uur) vóór aanvang van de zitting (om 13:00 uur), heeft plaatsgevonden. Daardoor is zij in haar verdediging geschaad, aldus TAM.

4.6.

De voorzieningenrechter honoreert ook dit bezwaar. Uitgangspunt van het Procesreglement kort geding is dat stukken zo spoedig mogelijk worden ingediend, en dat stukken die binnen 24 uur (één werkdag) vóór de zitting worden ingediend, in

beginsel buiten beschouwing worden gelaten. Dat geldt ook voor een kostenspecificatie als de onderhavige, aangezien tegen een dergelijke specificatie diverse verweren kunnen worden gevoerd, en TAM in de gelegenheid moet zijn om die verweren voor te bereiden (vgl. artikel 6 Indicatietarieven in IE-zaken). Die gelegenheid is er door de late indiening onvoldoende geweest. Deze productie zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

4.7.

Daarnaast heeft TAM bezwaar gemaakt tegen het overleggen door Tribus c.s. van producties middels haar pleitnota (paragrafen 3.19 en 5.5 en 5.7), omdat deze producties te laat, binnen de 24-uurstermijn vóór de zitting, zijn ingediend.

4.8.

De voorzieningenrechter wijst dit bezwaar af, omdat de bedoelde onderdelen van de pleitnota van Tribus c.s. geen producties betreffen, maar afbeeldingen ter toelichting van de in de pleitnota ingenomen stellingen, waarop - gelet op de omvang daarvan - eenvoudig ter zitting kan worden gereageerd.

4.9.

Ten slotte heeft TAM bezwaar gemaakt tegen de omstandigheid dat Tribus c.s. in haar pleitnota nieuwe feiten naar voren heeft gebracht, waaronder de betrokkenheid van de heer Verbruggen bij het bouwen van het prototype van de bus van Tribus c.s., het bestaan van regelgeving omtrent stadsbussen en het gedane beroep op misbruik van recht.

4.10.

De voorzieningenrechter gaat aan dit bezwaar voorbij, nu - voor zover al sprake zou zijn van nieuwe feiten en TAM daardoor in haar verdediging zou zijn geschaad - deze feiten, zoals hierna zal blijken, niet relevant zijn voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

Opheffing beslagen

4.11.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag.

4.12.

Ter onderbouwing van haar vordering tot opheffing van de op haar Movitas-bus gelegde beslagen heeft Tribus c.s., kort samengevat, aangevoerd dat zij bij het ontwikkelen van haar bus geen gebruik heeft gemaakt van bedrijfsgeheimen van TAM, zodat het door TAM ingeroepen recht ondeugdelijk is. Verder zijn de beslagen vexatoir van aard en onnodig gelegd.

4.13.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het midden blijven of er sprake is van een redelijk vermoeden van schending van bedrijfsgeheimen door Tribus c.s. De vordering tot opheffing van de beslagen op de bus van Tribus c.s. is immers op een andere grond reeds toewijsbaar.

4.14.

Uit artikel 21 Rv vloeit voor partijen de verplichting voort de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. Indien een van de partijen aan deze verplichting niet voldoet, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De nauwgezette naleving van de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting klemt te meer bij een beslagrekest, aangezien toewijzing van een dergelijk verzoek tot zeer ingrijpende gevolgen voor de wederpartij kan leiden en de rechter na slechts summier onderzoek en in beginsel ex parte op het verzoekschrift beslist. Dit laatste brengt met zich dat de verzoeker, bij het vragen van verlof om conservatoir beslag te leggen, de voorzieningenrechter volledig en naar waarheid moet inlichten over de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Misleiding door onvoldoende toelichting in het beslagrekest kan de voorzieningenrechter reden geven om een beslagverlof te weigeren of om een latere vordering tot opheffing van het beslag reeds om die reden toe te wijzen (Gerechtshof Amsterdam 22 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV7108 en Gerechtshof Amsterdam, 10 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV0477).

4.15.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft TAM bij het vragen van verlof voor het leggen van de conservatoire beslagen op de bus van Tribus c.s. niet aan deze verplichting voldaan. Eén van de aspecten die bij de verlofverlening moet worden beoordeeld is de proportionaliteit van het gevraagde beslag (zie pagina’s 53 en 54 van de Beslagsyllabus). Bij de proportionaliteit moeten onder meer worden meegewogen:

  • -

    de mate van ingrijpendheid van het gevraagde bewijsbeslag;

  • -

    de kans op schade en de te verwachten omvang daarvan;

4.16.

Gelet hierop had TAM de voorzieningenrechter moeten inlichten over het feit dat het de bedoeling was van Tribus c.s. om met haar Movitas-bus (waarop de conservatoire beslagen zagen) de week na de indiening van het verzoekschrift naar de tweejaarlijkse beurs in Brussel te gaan. Het leggen van conservatoir beslag tot afgifte en bewijsbeslag zou immers tot rechtstreeks gevolg hebben dat dat niet meer mogelijk zou zijn, en dat Tribus c.s. weer twee jaar zou moeten wachten op een mogelijkheid om zich op deze belangrijke, wereldwijde busbeurs te etaleren. Daarmee zou het beslag ingrijpende gevolgen hebben voor Tribus c.s., en haar ook schade kunnen berokkenen.

4.17.

TAM heeft de voorzieningenrechter niets verteld over dit beoogde gebruik van deze bus, waarvan zij, zo heeft zij ter zitting erkend, ten tijde van het vragen van het verlof op de hoogte was. Integendeel, zij heeft in de begeleidende brief bij het verzoek vermeld (zoals ter zitting voorgelezen door de voorzieningenrechter):

“Ik heb zojuist begrepen dat één van de beslagobjecten (de zogenaamde “MOVITAS” bus(sen)) vermoedelijk na vrijdag uit Nederland verdwijnen. Dit verzoek heeft daarom de hoogste spoed.”

Daarmee heeft zij gesuggereerd dat de bus(sen) definitief zouden worden verduisterd, terwijl het in wezen ging om een bezoek aan een belangrijke beurs. Enige aanwijzing dat de bus na de beurs zou verdwijnen, is niet gebleken noch onderbouwd.

4.18.

TAM heeft ter zitting aangevoerd dat zij in de begeleidende brief had opgenomen dat het ging om een “al dan niet tijdelijke” verdwijning uit Nederland, maar dat is in de brief niet te lezen.

4.19.

In het aangepaste verzoekschrift (waarin zij op verzoek van de voorzieningen-rechter onder meer de proportionaliteit en subsidiariteit van de beslagen nader heeft onderbouwd) heeft zij daarover uiteindelijk het volgende opgenomen:

104. Gerechtelijke bewaring van de inbeslaggenomen exemplaren van de MOVITAS is noodzakelijk en proportioneel om de volgende redenen:

- Wat betreft het beslag tot afgifte: TAM vermoedt dat Tribus vooralsnog slechts één MOVITAS exemplaar bezit. Zeker weten doet TAM dit echter niet. Hiervoor is reeds uiteen gezet dat en waarom TAM recht op en belang bij een beslag op afgifte van de MOVITAS bus(sen) heeft. Een bewaarneming hiervan is proportioneel omdat in het geval er géén bewaarneming plaatsvindt, de kans aanwezig is dat Tribus de bus(sen) op de markt brengt. In dat geval is de schade voor TAM zeer groot. TAM heeft jarenlang geïnvesteerd in de Knowhow en wanneer een afnemer kiest voor de concurrerende MOVITAS bus in plaats van een VERO exemplaar, loopt TAM direct inkomsten mis. Bovendien zal het lastig zijn om - wanneer er eenmaal een voor TAM positief eindvonnis ligt - de verkochte MOVITAS bussen terug te vorderen om haar recht op afgifte en vernietiging te bewerkstelligen. Er is geen minder bezwarende manier om veilig te stellen dat de inbreukmakende MOVITAS bus(sen) in de tussentijd niet worden verkocht.

- Voor wat betreft het bewijsbeslag: de bewaarneming van een MOVITAS is in het

kader van het verzochte bewijsbeslag logisch. TAM verwijst naar haar uiteenzetting over de reële vrees voor verduistering. De enige reden om verduistering tegen te gaan en het benodigde bewijs te verzamelen, betreft de bewaarneming van een MOVITAS exemplaar.”

4.20.

Ook hier is niets vermeld over het door Tribus c.s. beoogde bezoek aan de beurs in Brussel. Alleen dat er een kans aanwezig is dat Tribus “de bus(sen) op de markt brengt”.

4.21.

Volgens TAM was het niet noodzakelijk om in het beslagverzoek te vermelden dat de bus naar de beurs in Brussel zou gaan, omdat dat niet is waar het bij deze beslaglegging om ging. Zij heeft gewoon gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om beslag te leggen, om te voorkomen dat op de beurs een inbreukmakend product zou worden gedemonstreerd. De timing van het beslagverzoek was onfortuinlijk gelet op de beoogde gang naar de beurs de week erna, maar dat is niet bewust gedaan, aldus TAM. Het forensisch onderzoek van de laptop van één van haar ex-werknemers, die volgens haar na het einde van het dienstverband betrokken was geweest bij de ontwikkeling van de bus van Tribus c.s., was pas 1 of 2 dagen vóór het beslagverzoek afgerond. Bovendien zou Tribus c.s. met haar bus ook naar een andere beurs dan die in Brussel kunnen gaan.

4.22.

Met dit betoog miskent TAM dat de beslagprocedure een ex parte procedure is, waarbij de wederpartij niet de gelegenheid krijgt om haar verweer en belangen naar voren te brengen. Daarom was het de verantwoordelijkheid van TAM om dat te doen. Het beoogde gebruik van het beslagobject is één van de belangen die bij de beoordeling van de proportionaliteit wordt betrokken. Door daarover onjuiste mededelingen te doen in het verzoekschrift en de begeleidende brief heeft TAM voorkomen dat de voorzieningenrechter dit aspect bij zijn beoordeling zou betrekken.

4.23.

Gelet op de aard en ernst van deze schending van artikel 21 Rv heeft dit tot gevolg dat de vordering om opheffing van de op deze bus gelegde beslagen reeds om die reden toewijsbaar is.

4.24.

Voor het verbinden van een voorwaarde daaraan, inhoudende dat Tribus c.s. vóór de opheffing aan de deurwaarder de gelegenheid biedt om uitgebreid foto’s te maken van de onderdelen van de bus, zoals verzocht door TAM, is geen plaats. Tribus c.s. heeft weliswaar ter zitting aangeboden om de deurwaarder deze gelegenheid te bieden, maar dat heeft zij gedaan onder druk van de situatie waarin TAM haar had gebracht, namelijk een bus waarop beslag lag en die zonder opheffing daarvan niet naar de tweejaarlijkse beurs in Brussel kon gaan. Daarom moet dit aanbod als vrijblijvend worden aangemerkt.

4.25.

Afgezien daarvan geldt dat honorering van deze voorwaarde ertoe zou leiden dat schending van artikel 21 Rv een “spel zonder nieten” zou worden: als de schending al ontdekt wordt en gevolgen heeft, zou namelijk altijd nog geprobeerd kunnen worden er wat gunstigs uit te slepen. Daar gaat de voorzieningenrechter niet in mee. Schending van artikel 21 Rv in een beslagprocedure is ernstig, en moet serieuze consequenties hebben, zodat partijen die om beslag verzoeken, een prikkel hebben om de waarheidsplicht na te leven.

4.26.

De gevorderde opheffing en afgifte van de bus, en de terzake gevorderde dwangsom zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum is vermeld.

Verbod opnieuw beslag leggen

4.27.

Volgens vaste jurisprudentie is voor een verbod om opnieuw beslag te leggen, gelet op het door het EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, slechts plaats in zeer uitzonderlijke gevallen, zoals in het geval een beslaglegger klaarblijkelijk misbruik maakt van zijn recht om beslag te leggen. Dat is (nog) niet komen vast te staan. Het staat immers niet bij voorbaat vast dat de voorzieningenrechter, indien TAM hem wel juist had ingelicht over het door Tribus c.s. beoogde gebruik van de bus, alle belangen afwegend, het verzochte beslag op de bus zou hebben geweigerd. Onder deze omstandigheden is het gevorderde beslagverbod niet toewijsbaar.

Proceskosten

4.28.

TAM zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Tribus c.s. heeft (na eiswijziging) gevorderd dat TAM op grond van het bepaalde in artikel 1019ie Rv wordt veroordeeld in de door haar gemaakte “redelijke en evenredige gerechtskosten”, begroot op € 20.000,--.

De voorzieningenrechter wijst die vordering af, omdat een tijdig ingediende proceskostenspecificatie ontbreekt. Daarmee kan in het midden blijven of in dit geval is voldaan aan het vereiste van de aanwezigheid van “buitengewone omstandigheden” (als bedoeld in de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling; zie Eerste Kamer 2017-2018, 34821, E, Nadere memorie van antwoord, p. 3) waardoor de rechter de in artikel 1019ie Rv gegeven discretionaire bevoegdheid (“kan”-bepaling) kan gebruiken.

4.29.

Het voorgaande betekent dat de kosten aan de zijde van Tribus c.s. worden begroot aan de hand van het gebruikelijke liquidatietarief, en wel op:

- dagvaarding € 81,83

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.536,83

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de door TAM ten laste van Tribus c.s. gelegde beslagen op het exemplaar van de Movitas-bus van Tribus c.s., en de daarop gelegde gerechtelijke bewaring,

5.2.

beveelt TAM om uiterlijk op 15 oktober 2019 om 10:00 uur over te gaan tot afgifte aan Tribus c.s. van de hiervoor bedoelde bus, door aan de gerechtelijk bewaarder opdracht te geven om deze bus voor die tijd uit de gerechtelijke bewaring te halen en vervolgens onverwijld aan Tribus c.s. af te geven,

5.3.

veroordeelt TAM om aan Tribus c.s. een dwangsom te betalen van € 50.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan dit bevel voldoet, tot een maximum van € 500.000,-- is bereikt,

5.4.

veroordeelt TAM in de proceskosten, aan de zijde van Tribus c.s. tot op heden begroot op € 1.536,83,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren,

5.6.

bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 1019ic jo artikel 1019i Rv op 6 maanden,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019.1

1 type: WV (4208) coll: JAS (4601)