Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5111

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
UTR 19 /2032
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen recht op ALO-kop, afstemming bijstand

artikel 18 Pw

Eiseres viel in 2016 en 2017 onder de groep alleenstaande ouders die niet in aanmerking komt voor de ALO-kop en zij moet over die jaren de ALO-kop terugbetalen aan de Belastingdienst/toeslagen. Hierdoor is formeel gezien haar bestaansminimum in die jaren niet langer gewaarborgd en is zij achteraf bezien in dezelfde positie komen te verkeren als iemand die de ALO-kop nooit heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de rechtspraak van de CRvB - voor de hele groep een oplossing moet komen. Omdat er sprake is van een leemte in de wet die de wetgever nog niet heeft opgelost, getuigt het naar het oordeel van de rechtbank van willekeur als voor de situatie waarin de ALO-kop nooit is verstrekt wel compensatie wordt geboden en voor situaties als die van eiseres (waarin de als voorschot verstrekte ALO-kop moet worden terugbetaald) niet. Bijzondere situatie. Verweerder moet de bijstand van eiseres afstemmen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBJ-Pw/2019/025 met annotatie van mr. Maartje Smeets
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2032

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W. Kort),

en

het Dagelijks Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug, verweerder

(gemachtigde: A.C. Hoogendoorn).

Inleiding

1. Deze procedure gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om de bijstand af te stemmen of bijzondere bijstand toe te kennen omdat zij in 2016 en 2017 geen recht had op een tegemoetkoming voor alleenstaande ouders, de zogenaamde de ALO-kop. Aan deze procedure is het volgende voorafgegaan.

1.1.

Eiseres ontvangt vanaf begin 2016 bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder. Haar echtgenoot verbleef tot maart 2017 in het buitenland en vanaf maart 2017 in een AZC.

1.2.

In 2016 en 2017 heeft eiseres van de Belastingdienst/toeslagen kindgebonden budget ontvangen waaronder de tegemoetkoming voor alleenstaande ouders, de ALO‑kop.

1.3.

Bij besluiten van 9 november 2018 heeft de Belastingdienst/toeslagen het kindgebonden budget over de jaren 2016 en 2017 definitief berekend. Hierdoor moet eiseres de als voorschot ontvangen ALO-kop terugbetalen.

1.4.

Naar aanleiding van deze besluiten heeft eiseres verweerder gevraagd om de bijstand over 2016 en 2017 af te stemmen of bijzondere bijstand toe te kennen omdat zij achteraf bezien niet in aanmerking bleek te komen voor de ALO-kop. De Belastingdienst/toeslagen heeft namelijk haar echtgenoot, die in 2016 en 2017 niet bij haar woonde, alsnog als toeslagpartner voor het kindgebonden budget aangemerkt zodat zij geen aanspraak had op de ALO-kop.

1.5.

Verweerder heeft op 5 februari 2019 besloten hiervoor geen bijzondere bijstand te verstrekken omdat sprake is van een schuld (artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet (Pw)) en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van deze regel af te wijken. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.6.

Op 16 april 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep behandeld op de zitting van 19 september 2019. Eiseres was op de zitting aanwezig samen met haar gemachtigde. Ook was er voor haar een tolk aanwezig, mevrouw H. Shamoun. Namens verweerder was een gemachtigde op de zitting aanwezig.

Oordeel en overwegingen

2. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bijstand had moeten afstemmen. Het beroep van eiseres is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar van 16 april 2019 wat betekent dat dit besluit niet meer bestaat. De rechtbank zal verweerder opdragen om de bijstand over 2016 en 2017 alsnog af te stemmen vanwege het feit dat eiseres in die jaren niet in aanmerking kwam voor de ALO-kop.

3. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Voor de leesbaarheid van de uitspraak verwijst de rechtbank in voetnoten naar de relevante rechtspraak.

Afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw

4. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw de bijstand over de jaren 2016 en 2017 had moeten verhogen met een bedrag gelijk aan de misgelopen ALO-kop omdat er sprake is van een zeer bijzondere situatie als bedoeld in dat artikel.

5. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft al meerdere uitspraken gedaan in situaties die lijken op die van eiseres.1 Daarin is de CRvB ingegaan op de leemte die in de wet is ontstaan nadat op 1 januari 2015 de alleenstaande oudertoeslag door de invoering van de Wet hervorming kindgebonden budget (Whk) is vervallen. Tegelijkertijd is er een aanvullende inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders gekomen door een verhoging van het kindgebonden budget. Dit is de zogenoemde ALO-kop. Op grond van de fiscale regelingen heeft alleen de ouder die geen (toeslag)partner heeft aanspraak op een ALO-kop. Hiermee heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat een ouder die een partner heeft geen ALO-kop nodig heeft in aanvulling op het kindgebonden budget omdat de partner kan bijdragen aan de kosten voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.

6. De CRvB heeft in haar uitspraken samengevat overwogen dat uit de wetsgeschiedenis2 bij de Whk blijkt dat de wetgever zich bewust was van het feit dat er alleenstaande ouders zijn die in het kader van de bijstand worden aangemerkt als alleenstaande ouder, maar per 1 januari 2015 niet in aanmerking komen voor de ALO-kop omdat zij volgens fiscale regels niet worden beschouwd als alleenstaande ouder. Niet gebleken is echter dat de wetgever bij de invoering van de Whk heeft onderkend dat de groep niet rechtmatig in Nederland verblijvende partners of (duurzaam) gescheiden levende partners meestal niet kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen. Hiermee gaat de gedachte van de wetgever dat de ouder met een partner de alleenstaande oudertoeslag in de vorm van de ALO‑kop niet nodig heeft, niet zonder meer op. De wetgever heeft door de hier bedoelde groep ouders uit te sluiten van de ALO-kop, terwijl tot 1 januari 2015 in de bijstandsnorm wel werd voorzien in een toeslag voor de kosten van de kinderen, een leemte laten ontstaan in de wetgeving, die hij niet zelf heeft opgelost. Hierbij is geen sprake geweest van een bewuste beslissing van de wetgever om geen ALO-kop toe te kennen aan de groep ouders met een partner die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het meer een onbedoeld gevolg is van het streven naar een eenvoudiger hanteerbaarder en rechtvaardiger systeem van kindregelingen.

7. Zolang de wetgever deze leemte niet zelf heeft opgelost, moet in voorkomende gevallen gedacht worden aan een oplossing in de bijstandssfeer om het mislopen van de ALO-kop te compenseren. Uit de uitspraken van de CRvB volgt dat het verlenen van bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw hiervoor niet het geëigende instrument is. De oplossing in dit soort gevallen moet worden gezocht in het afstemmen van de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw.3

Wat betekent dit voor de situatie van eiseres?

8. Vaststaat dat eiseres in 2016 en 2017 bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verder is niet in geschil is dat eiseres in 2016 en 2017 onder de groep alleenstaande ouders viel die niet in aanmerking komt voor de ALO-kop. Eiseres moet over 2016 en 2017 de ten onrechte als voorschot verstrekte ALO-kop dan ook terugbetalen aan de Belastingdienst/toeslagen. Hierdoor is formeel gezien haar bestaansminimum over de jaren 2016 en 2017 niet langer gewaarborgd en is zij achteraf bezien in dezelfde positie komen te verkeren als iemand die de ALO-kop nooit heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de rechtspraak van de CRvB - voor de hele groep een oplossing moet komen. Omdat er sprake is van een leemte in de wet die de wetgever nog niet heeft opgelost, getuigt het naar het oordeel van de rechtbank van willekeur als voor de situatie waarin de ALO-kop nooit is verstrekt wel compensatie wordt geboden en voor situaties als die van eiseres (waarin de als voorschot verstrekte ALO-kop moet worden terugbetaald) niet. Hierbij maakt het volgens de rechtbank niet uit dat eiseres op dit moment het bedrag aan teveel ontvangen ALO-kop nog niet aan de Belastingdienst/toeslagen hoeft terug te betalen.

Conclusie

9. De rechtbank komt tot de conclusie dat de situatie van eiseres is aan te merken als een zeer bijzondere situatie zodat verweerder in beginsel gehouden is tot afstemming van de bijstand over 2016 en 2017 ter compensatie van het gemis aan ALO-kop over die jaren. Het besluit van verweerder om dit niet te doen is dan ook in strijd is met artikel 18, eerste lid, van de Pw.

10. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres gegrond en vernietigt het besluit op bezwaar wegens strijd met de wet. Vervolgens moet de rechtbank bekijken welk vervolg hieraan wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de rechtbank evenmin de zaak zelf afdoen omdat zij over onvoldoende gegevens beschikt. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en de bijstand van eiseres over de jaren 2016 en 2017 af te stemmen.

10. Gezien deze conclusie hoeven de overige beroepsgronden niet te worden beoordeeld.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) op € 1.024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder het griffierecht van € 47,- dat eiseres heeft betaald aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

11 oktober 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 6 juni 2018 ECLI:NL:CRVB:2018:1600, ECLI:NL:CRVB:2018:1618 en 16 juli 2019, ECLI:NL:CRCB:2019:2301.

2 Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen en van de relevante delen uit de wetsgeschiedenis van de WhK wijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1600), onder 4.6.1 tot en met 4.6.5.4.

3 Zie de uitspraak van de CRvB van 6 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1600) onder 4.14 e.v.