Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5044

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
NL18.21243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldigheid van de besluitvorming rond de gedragscode en het licentiereglement binnen de landelijke sportbond voor paardensporters. De inhoud van de gedragscode levert geen ontoelaatbare inbreuk op de vrijheid van meningsuiting op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/616
JONDR 2019/1488
TVS&R 2020, afl. 1/2, p. 30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL18.21243

Vonnis van 17 oktober 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
2. [eiseres sub 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
eisers,
advocaat mr. F. Zoer,

tegen

de vereniging
KONINKLIJKE NEDERLANDSE HIPPISCHE SPORTFEDERATIE,
gevestigd te Utrecht,
verweerster,
advocaat mr. H.M. van der Bij.

Eisers worden hierna samen [eiser sub 1] c.s. genoemd en afzonderlijk [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Verweerster wordt hierna KNHS genoemd.

1 De procedure

1.1.

Na ontvangst van de procesinleiding en het verweerschrift zijn partijen uitgenodigd voor een zitting. Daarna heeft [eiser sub 1] c.s. een schriftelijke reactie op het verweerschrift ingediend en heeft KNHS haar pleitnotitie voor de mondelinge behandeling geüpload. Op de mondelinge behandeling van 25 juli 2019 hebben partijen hun standpunten verder toegelicht. Vervolgens is bepaald dat er uitspraak wordt gedaan.

1.2.

Van wat is besproken op de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen proces-verbaal opgemaakt. Partijen kregen de gelegenheid hun opmerkingen te uploaden in geval van onjuistheden of omissies daarin. [eiser sub 1] c.s. heeft daarop een stuk ingediend waarin hij zeer uitgebreid ingaat op de inhoud van het proces-verbaal. Daar heeft KNHS bezwaar tegen gemaakt, waarop [eiser sub 1] c.s. heeft gereageerd. De rechter heeft partijen vervolgens laten weten dat zij de inhoud van de reacties op het proces-verbaal alleen meeneemt voor zover daarin is gewezen op een concrete fout of een omissie en dat de inhoud voor het overige buiten beschouwing blijft.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

KNHS is een landelijke sportbond voor paardensporters in Nederland. Het is een vereniging die zich onder andere bezighoudt met het bevorderen van de paardensport en de gezondheid en het welzijn van paarden en pony’s. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn leden van KNHS.

2.2.

Leden kunnen door het bestuur van KNHS worden benoemd tot ‘official’. Officials zijn vrijwilligers die tijdens paardensportwedstrijden een bepaalde functie vervullen, bijvoorbeeld jurylid. Aan leden met een officialfunctie wordt een licentie verstrekt. Het beleid rondom (onder andere) het verlenen, verlengen en intrekken van licenties is opgenomen in een licentiereglement.

2.3.

In augustus 2016 heeft de ledenraad met een gedragscode voor officials ingestemd. In de ledenvergadering van 10 november 2016 heeft de ledenraad een nieuw licentiereglement aangenomen, dat per 1 januari 2017 in werking zou treden. In dat licentiereglement staat dat voor verkrijging of verlenging van een officiallicentie vereist is dat de gedragscode voor officials wordt ondertekend.

2.4.

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben in het verleden een officialfunctie vervuld. [eiser sub 1] was o.a. springjurylid en [eiseres sub 2] was dressuurjurylid. [eiseres sub 2] en [eiser sub 1] zijn het niet eens met de gedragscode en willen deze niet tekenen. Als gevolg daarvan zijn hun licenties door KNHS beëindigd en/of kunnen zij geen (nieuwe) licentie krijgen. [eiseres sub 2] en [eiser sub 1] willen met deze rechtszaak bereiken dat de gedragscode en het licentiereglement, waarin staat dat officials de gedragscode moeten ondertekenen, ongeldig worden verklaard en dat KNHS wordt verplicht om hen opnieuw een licentie te verstrekken.

2.5.

Naast een geschil over de geldigheid van het licentiereglement en de gedragscode, hebben partijen ook een geschil over de interne geschillenregeling van KNHS en de vraag of [eiser sub 1] die had kunnen en moeten benutten.

De vordering

2.6.

[eiser sub 1] c.s. heeft de vordering in de procesinleiding ondergebracht onder de nummers I tot en met XII. De vordering wordt hieronder samengevat weergegeven, waarbij steeds wordt verwezen naar de bijbehorende nummers in de procesinleiding.

2.7.

Samengevat vordert [eiser sub 1] c.s. dat de rechtbank:

  1. (vordering I) het licentiereglement nietig verklaart, dit reglement vernietigt, of bepaalt dat de bepalingen in dit reglement over het verplicht tekenen van de gedragscode nietig zijn of deze bepalingen vernietigt;

  2. (vordering I + III) de gedragscode (versie augustus 2016) nietig verklaart of vernietigt en bepaalt dat de gedragscode als reglement een te vergaande en onnodige beperking van de vrijheid van meningsuiting is;

  3. (vordering II+X+XI) bepaalt dat KNHS weer licenties aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verstrekt, en [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de gelegenheid stelt om aan de geldende licentievoorwaarden te voldoen zonder dat zij de gedragscode als genoemd in het licentiereglement hoeven te ondertekenen, op straffe van een dwangsom;

(vordering IV) (voor zover de besluitvorming van de KNHS correct heeft plaatsgevonden) bepaalt dat de KNHS moet aantonen dat het Reglement Geschillenregeling door de ledenraad is bekrachtigd, dat de leden van de Geschillencommissie correct zijn benoemd en dat de tarievenlijst ten aanzien van de bijdrage voor de Geschillencommissie door de ledenraad is goedgekeurd, op straffe van een dwangsom;

(vordering V) bepaalt dat KNHS aansprakelijk is voor de schade die [eiser sub 1] heeft geleden door de gang van zaken omtrent de Geschillencommissie, nader op te maken bij staat;

(vordering VI+VII) bepaalt dat [eiser sub 1] terecht zich niet aan het oordeel van de Geschillencommissie heeft onderworpen en dat hij de onafhankelijkheid van de Geschillencommissie terecht in twijfel heeft getrokken;

(vordering VIII) (voor zover wordt geoordeeld dat de gang van zaken rondom de Geschillencommissie op de juiste manier is verlopen en de rechtbank deze kwestie niet zelf afdoet) bepaalt dat de Geschillencommissie de zaak [eiser sub 1] alsnog in behandeling moet nemen, op straffe van een dwangsom;

(vordering IX) bepaalt dat KNHS onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres sub 2] door haar niet de mogelijkheid te bieden om een bezwaarschrift in te dienen en KNHS te veroordelen in de door [eiseres sub 2] geleden schade, op te maken bij staat;

(vordering X) bepaalt dat het besluit van het bestuur van KNHS tot het intrekken van de licentie van [eiser sub 1] onrechtmatig is genomen voor zover op 1 januari 2017 geen sprake was van een door de ledenraad benoemde Geschillencommissie;

(vordering XI) bepaalt dat KNHS aansprakelijk is voor de schade die [eiser sub 1] c.s. heeft geleden als gevolg van de onbereidheid van KNHS om de gedragscode aan te passen of het tekenen daarvan onverplicht te maken, nader op te maken bij staat;

met veroordeling van KNHS in de proceskosten (vordering XII).

3 De beoordeling

De interne geschillenprocedure van KNHS

3.1.

KNHS voert allereerst (alleen ten aanzien van [eiser sub 1] ) aan dat [eiser sub 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij naar aanleiding van het besluit tot beëindiging van zijn officiallicentie de interne rechtsgang van KNHS via de Geschillencommissie onbenut heeft gelaten.

3.2.

Het volgende is gebeurd. Bij brief van 7 juni 2018 is aan [eiser sub 1] medegedeeld dat zijn licentie was ingetrokken en is hij gewezen op de bezwaar- en beroepsmogelijkheden in artikel 11 van het licentiereglement. Daarin staat:

Tegen besluiten genomen op basis van dit reglement kan binnen een maand, nadat dit de betrokkene is meegedeeld, schriftelijk gemotiveerd bezwaar worden gemaakt bij het KNHS-bestuur. Het KNHS-bestuur kan na ontvangst van het bezwaar het primair genomen besluit intrekken, wijzigen of handhaven.

Indien een bezwaar niet-ontvankelijk of ongegrond wordt verklaard kan binnen een maand, nadat dit de betrokkene is meegedeeld, schriftelijk gemotiveerd beroep worden ingesteld bij de Geschillencommissie van de KNHS. De Geschillencommissie van de KNHS kan na ontvangst van het beroep het primaire besluit intrekken, wijzigen of handhaven. De uitspraak van de Geschillencommissie van de KNHS is bindend voor partijen.”

3.3.

[eiser sub 1] heeft na de intrekking van zijn licentie een bezwaarschrift ingediend bij het KNHS-bestuur. Dat bezwaar is op 6 augustus 2018 door het bestuur ongegrond verklaard. Op 20 augustus 2018 heeft [eiser sub 1] een beroepschrift gestuurd naar het adres van KNHS, gericht aan ‘de Geschillencommissie’. [eiser sub 1] is uiteindelijk uitgenodigd voor een zitting op 5 november 2018 en hem is verzocht om vóór 1 november 2018 een administratieve heffing van € 294,00 te betalen, onder verwijzing naar het reglement geschillencommissie. [eiser sub 1] heeft dat niet gedaan en is niet op de zitting verschenen.

3.4.

[eiser sub 1] voert aan dat hem in augustus 2018 onbekend was wie de Geschillencommissie was, waar het beroep moest worden ingediend en waar hij het reglement geschillencommissie kon vinden. [eiser sub 1] stelt dat hij daar een bestuurslid, de directeur en een ledenraadslid begin augustus naar heeft gevraagd. Het ledenraadslid heeft vervolgens op 8 augustus 2018 laten weten dat zij dat niet wist en op 23 augustus 2018, na overleg met de directeur, gezegd dat het reglement geschillencommissie aan [eiser sub 1] verstrekt zou worden. Op 3 september is dit reglement aan [eiser sub 1] verstrekt, aldus [eiser sub 1] . Volgens [eiser sub 1] heeft zich vervolgens pas op 26 september 2018 een secretaris van de geschillencommissie gemeld en was de geschillencommissie op dat moment nog niet eerder bij elkaar gekomen.

3.5.

KNHS heeft deze gang van zaken onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij erkent dat de benodigde informatie niet openbaar beschikbaar was en dat zij de informatie over de geschillencommissie niet op eerste verzoek aan [eiser sub 1] heeft verstrekt. Ook heeft zij niet betwist dat de geschillencommissie op het moment van het indienen van het beroepschrift (rond 20 augustus 2018) nog niet daadwerkelijk (volledig) was gerealiseerd. Op het moment waarop [eiser sub 1] zijn beroep indiende was hij dus niet bekend met de bezetting van de commissie of met de te volgen gang van zaken. Hij kon daarmee ook niet bekend zijn, omdat die informatie voor hem niet te vinden was en ook niet op eerste verzoek werd verstrekt. De bezetting van de commissie was op dat moment zelfs nog niet rond.

3.6.

In deze omstandigheden kon niet van [eiser sub 1] worden verlangd dat hij naar aanleiding van de beëindiging van zijn licentie op 7 juni 2018 de interne geschillenprocedure van KNHS doorliep, in plaats van de civiele rechter om een oordeel te vragen. Dat [eiser sub 1] dit niet heeft gedaan kan daarom niet tot niet-ontvankelijkheid leiden.

De geldigheid van de besluitvorming rond de gedragscode en het licentiereglement

3.7.

De vorderingen a), b) en c) gaan uit van de nietigheid of vernietigbaarheid van de besluiten tot het instellen van de gedragscode en het licentiereglement. [eiser sub 1] c.s. baseert de ongeldigheid van deze besluiten ten eerste op gestelde gebreken rondom de samenstelling van de ledenraad die de besluiten heeft aangenomen. Ten tweede baseert [eiser sub 1] c.s. de gestelde ongeldigheid op de inhoud ervan, die volgens [eiser sub 1] c.s. vernietigbaar is wegens strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Deze onderwerpen worden nu achtereenvolgens beoordeeld.

Bezwaren rondom de ledenraad

3.8.

[eiser sub 1] c.s. vindt dat de besluiten van de ledenraad van augustus 2016 tot het instellen van de gedragscode en van november 2016 tot het instellen van een nieuw licentiereglement ongeldig zijn. [eiser sub 1] c.s. stelt zich allereerst op het standpunt dat de ledenraad in 2016 geen geldige besluiten kon nemen omdat (de stemverdeling binnen) dit orgaan niet conform de statuten en het algemeen reglement was geregeld. [eiser sub 1] c.s. heeft daarbij vier bezwaren aangevoerd:

  1. onder de leden van de ledenraad zijn veertig stemrechten verdeeld terwijl dit er op grond van de statuten en het algemeen reglement twintig zouden moeten zijn,

  2. bij het verdelen van de stemmen onder de ledenraadsleden is de ledenraad uitgegaan van een verkeerd ledenaantal,

  3. de nationale vereniging Horseball die sinds 2015 lid is van KNHS heeft ten onrechte geen zetel in de ledenraad,

  4. leden van KNHS die in het buitenland wonen en enkele militaire leden zijn niet door de ledenraad vertegenwoordigd, terwijl andere leden juist meerdere keren (dubbel) zijn vertegenwoordigd.

3.9.

[eiser sub 1] c.s. verbindt aan deze bezwaren de conclusie dat de besluiten tot het instellen van de gedragscode en het licentiereglement nietig zijn op grond van artikel 2:14 BW. Of die conclusie juist is, kan in het midden blijven. Dat deze bezwaren terecht zijn, is namelijk niet gebleken. Dit wordt hieronder toegelicht.

3.10.

Het eerste bezwaar van [eiser sub 1] c.s. gaat over het aantal stemrechten dat is verdeeld onder de leden van de ledenraad. Uit de statuten blijkt over de structuur van de ledenraad het volgende. De ledenraad vertegenwoordigt de leden van de KNHS. Dat zijn nationale verenigingen, regioverenigingen, mendistrictsverenigingen, de leden van voornoemde verenigingen en andere natuurlijke personen die geen lid zijn van een nationale-, regio- of mendistrictvereniging. De ledenraad wordt gevormd door de voorzitters van de nationale verenigingen, de regioverenigingen, de voorzitter die de mendistrictverenigingen representeert, de voorzitter die de aangespannen sport representeert en de voorzitter van de Bondsatletencommissie. Ieder ledenraadslid heeft een gewogen stem op basis van het aantal leden dat hij representeert, met een minimum van één stem. Hoeveel stemmen een ledenraadslid in een jaar heeft, wordt op de eerste vergadering in dat jaar bepaald, op basis van het aantal leden dat het ledenraadslid representeert op 31 december van het daaraan voorafgaande jaar. Het ledenraadslid dat de Bondsatletencommissie vertegenwoordigt, heeft drie stemmen.

3.11.

Volgens [eiser sub 1] c.s. blijkt uit de statuten dat er achttien ledenraadsleden zouden moeten zijn (inclusief de Horseball vereniging, zie bezwaar iii), waarvan er zeventien één stem zouden moeten krijgen en één (de vertegenwoordiger van de Bondsatletencommissie) drie stemmen. Dat klopt echter niet. In de statuten staat namelijk niet hoeveel stemmen er worden verdeeld over de ledenraadsleden. In de statuten staat dat de hoeveelheid over de ledenraadsleden te verdelen stemmen is vastgelegd in het algemeen reglement, maar in dat reglement staat hierover niets. KNHS heeft uitgelegd dat het aantal van veertig stemmen afkomstig is van vóór een structuurwijziging van KNHS in 2014, toen er nog veertig ledenraadsleden waren. Dat komt de rechtbank niet onlogisch voor. Dat het verdelen van veertig stemmen over de ledenraadsleden in strijd is met de statuten, is dus niet gebleken en leidt niet tot ongeldige besluiten.

3.12.

[eiser sub 1] c.s. voert verder (bezwaar ii) aan dat bij het maken van de stemverdeling in 2016 en 2017, geen rekening is gehouden met de juiste ledenaantallen. In de statuten staat dat bij het vaststellen van de stemverdeling aan het begin van een jaar moet worden uitgegaan van de ledenaantallen die blijken uit de jaarstukken van het daaraan voorafgaande jaar. Volgens [eiser sub 1] c.s. is dat in 2016 en 2017 niet gebeurd. De rechtbank kan dit argument moeilijk volgen. In ieder geval heeft [eiser sub 1] c.s. niet duidelijk overgebracht waarom dit vermeende gebrek heeft geleid tot een onjuiste stemverdeling binnen de ledenraad. Zonder die onderbouwing, kan ook niet worden aangenomen dat de stemverdeling binnen de ledenraad heeft geleid tot ongeldige besluiten.

3.13.

Als reactie op het bezwaar van [eiser sub 1] c.s. onder iii dat de nationale vereniging Horseball die in 2015 lid is geworden van KNHS ten onrechte geen eigen zetel heeft in de ledenraad, heeft KNHS het volgende aangevoerd. De Horseballvereniging is aangesloten bij de KNHS, maar is geen nationale vereniging als bedoeld in artikel 3 lid 1 sub a van de statuten. Het is ook niet logisch om daar vanuit te gaan, want het zou leiden tot een zeer omvangrijke oververtegenwoordiging in de besluitvorming van de Horseball leden. De Horseball vereniging heeft rond de dertig leden (van de in totaal ongeveer 160.000 KNHS leden). Als zij op die dertig leden een vol ledenraadslid zouden krijgen zouden zij veel te zwaar vertegenwoordigd zijn ten opzichte van de andere KNHS leden. De leden van de Horseballvereniging worden daarom op de gebruikelijke wijze vertegenwoordigd, namelijk via de regioverenigingen.

3.14.

[eiser sub 1] c.s. heeft in het licht van deze (feitelijk niet betwiste) toelichting van KNHS onvoldoende concreet uitgelegd dat de Horseballvereniging desondanks een nationale vereniging is in de zin van artikel 3 lid 1 sub a van de statuten die een eigen zetel zou moeten krijgen in de ledenraadsvergadering. Bezwaar iii gaat dus niet op.

3.15.

Ook bezwaar iv leidt niet tot ongeldige besluiten. Zo heeft KNHS gemotiveerd en aan de hand van voorbeelden betwist dat leden die in het buitenland wonen en militaire leden niet vertegenwoordigd zijn en heeft [eiser sub 1] c.s. deze kale stelling vervolgens niet concreet onderbouwd, zodat daarvan niet is gebleken.

3.16.

Dat leden die verschillende disciplines beoefenen recht hebben op inspraak in alle disciplines die zij beoefenen, zodat het voorkomt dat zij via verschillende ledenraadsleden (en dus dubbel) zijn vertegenwoordigd erkent KNHS. Dat dit in strijd is met de statuten blijkt echter niet. In artikel 3 van het algemeen reglement staat bovendien expliciet dat verenigingsleden verenigingslid kunnen zijn van meer dan één lidvereniging. Dat heeft binnen de regels over de organisatie van de ledenraad, automatisch de consequentie dat bepaalde leden via verschillende ledenraadsleden vertegenwoordigd kunnen zijn en is dus juist in overeenstemming met de statuten.

3.17.

De bezwaren i t/m iv zijn dus niet doorslaggevend gebleken voor het resultaat dat [eiser sub 1] c.s. wil bereiken, namelijk de conclusie dat de besluiten tot het instellen van het licentiereglement en de gedragscode ongeldig zijn.

Vernietigbaarheid van besluiten wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid

3.18.

De vorderingen a), b) en c) zijn (subsidiair) gebaseerd op het standpunt dat de besluiten tot het instellen van de gedragscode en het licentiereglement vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 BW, wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit gaat niet op.

3.19.

In artikel 2:15 lid 5 BW staat dat de bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen een jaar nadat aan het besluit voldoende bekendheid heeft gegeven of de dag waarop de belanghebbende van het besluit heeft kennisgenomen, vervalt. Volgens KNHS is daaraan in dit geval voldaan en kan [eiser sub 1] c.s. dus geen vernietiging vorderen.

3.20.

Het besluit tot het instellen van de gedragscode is in augustus 2016 genomen en het besluit tot het instellen van het nieuwe licentiereglement in november 2016. Volgens KNHS is dit duidelijk gepubliceerd op haar website en zijn officials zoals [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] door KNHS in kennis gesteld van de implementatie van het licentiereglement en de invoering van de gedragscode. Dat heeft [eiser sub 1] c.s. niet betwist.

3.21.

Volgens [eiser sub 1] c.s. is de vervaltermijn echter pas gaan lopen op het moment dat KNHS openheid van zaken heeft gegeven over de stemverdeling in de ledenraad. Daarin gaat de rechtbank niet mee. Het geven van openheid van zaken van de stemverdeling binnen de ledenraad is geen vereiste voor het openbaar maken van een besluit. Er wordt daarom aangenomen dat de besluiten eind 2016 bekend zijn gemaakt. De procesinleiding dateert van 12 november 2018. Dat betekent dat de bevoegdheid om vernietiging van de besluiten tot het instellen van het licentiereglement en de gedragscode te vorderen inmiddels is vervallen.

De geldigheid van de gedragscode zelf (vordering b), laatste zinsnede)

3.22.

[eiser sub 1] c.s. is van mening dat de inhoud van de gedragscode een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting meebrengt, en daarmee onrechtmatig is. Daarbij verwijst [eiser sub 1] c.s. met name naar de artikelen 2.2. en 2.4 waarin staat:

“(…) 2.2 De official verklaart zich te allen tijde correct, fatsoenlijk en behoorlijk te gedragen, opdat een positief beeld van de sport wordt overgebracht, ook ten opzichte van de KNHS, de andere officials, de deelnemers of KNHS-sponsors. (…)

2.4

De official draagt door gedrag en uitlatingen bij aan een positief imago van de paardensport in het algemeen en het officialkorps in het bijzonder. (…)” Volgens [eiser sub 1] c.s. is het woord ‘positief’ onnodig beperkend en probeert KNHS hiermee te bereiken dat er geen kritiek kan worden geuit door officials.

3.23.

KNHS heeft het volgende toegelicht over de gedragscode. De gedragscode is bedoeld voor officials, en ziet dus ook alleen maar op het gedrag van een official in functie. Van officials wordt een professionele houding verwacht. Dat er in de gedragscode één en ander is opgenomen over negatieve uitingen van officials is bedoeld als kwaliteitsimpuls voor de cultuur. De KNHS heeft de afgelopen jaren geconstateerd dat er op sociale media meedogenloos kritiek werd geleverd op wedstrijdorganisatoren, de prestaties van paardensportbeoefenaars, het functioneren van collega-officials, en de KNHS. Het staat een official vrij om kritiek te leveren als hij het met de gang van zaken binnen KNHS niet eens is, maar van een official wordt verwacht dat hij of zij in gesprek gaat met de KNHS en eventuele misstanden rapporteert. De KNHS wil met de gedragscode dus duidelijkheid bieden over het gebruik van sociale media door officials.

3.24.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de inhoud van de gedragscode geen ontoelaatbare inbreuk op de vrijheid van meningsuiting op. De bepalingen zien erop toe dat een official zich gedurende de uitoefening van die taak onthoudt van negatieve uitlatingen over de KNHS. Dat laat voldoende ruimte voor de leden van KNHS om zich intern – al dan niet in hoedanigheid van official – kritisch te uiten als de situatie daartoe aanleiding geeft. Ook wordt het KNHS-lid niet beperkt in zijn vrijheid zich kritisch te uiten in het openbaar, mits hij zich daarbij op persoonlijke titel uitlaat en niet in hoedanigheid van official. Eén en ander blijkt voldoende uit de bewoordingen van de bepaling, in combinatie met de toelichting die KNHS daarop heeft gegeven. KNHS heeft – onweersproken – uiteengezet dat en waarom zij belang heeft bij een (bindende) afspraak binnen de vereniging dat officials niet in het openbaar de strijd aanbinden met elkaar, met leden of met het bestuur van de KNHS. Voor zover officials door de gedragscode worden beperkt in hun vrijheid van meningsuiting, brengt een afweging van de betrokken belangen mee dat die beperking toelaatbaar is.

Geen schadevergoeding

3.25.

Onder j) vordert [eiser sub 1] c.s. vergoeding van de schade die [eiser sub 1] c.s. heeft geleden doordat KNHS de gedragscode weigert aan te passen of het tekenen daarvan onverplicht te maken. Deze vordering is gebaseerd op het uitgangspunt dat het onrechtmatig is dat KNHS van haar leden verlangt dat zij de gedragscode ondertekenen. Daarvan is, gezien het voorgaande, geen sprake zodat voor schadevergoeding geen grondslag bestaat.

3.26.

De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen a), b), c) en j) zullen worden afgewezen.

De vorderingen d) t/m i)

3.27.

De vorderingen d) t/m i) hebben betrekking op de gang van zaken rondom de interne geschillenprocedure van KNHS. In 3.6 van dit vonnis is geoordeeld dat niet van [eiser sub 1] kon worden verwacht dat hij naar aanleiding van de beëindiging van zijn licentie op 7 juni 2018 de interne rechtsgang van KNHS doorliep. Dat maakt dat de voorwaarde voor de vordering g) niet is ingetreden zodat deze niet hoeft te worden beoordeeld.

Ook de overige vorderingen worden afgewezen, zoals hierna per vordering wordt toegelicht.

vordering d)

3.28.

[eiser sub 1] vordert onder d) kort gezegd dat KNHS aantoont dat de gang van zaken rondom de Geschillencommissie goed is gegaan. Het uitgangspunt in dit vonnis is dat dat niet het geval is. Er bestaat dus geen aanleiding om KNHS het tegendeel daarvan te laten aantonen, zodat vordering d) zal worden afgewezen.

vordering e)

3.29.

Onder e) vordert [eiser sub 1] een verklaring voor recht en veroordeling van KNHS in de schade die hij heeft geleden door de gebrekkige gang van zaken rondom de geschillencommissie, nader op te maken bij staat. [eiser sub 1] heeft deze zaak in plaats van aan de geschillencommissie kunnen voorleggen aan de civiele rechter. [eiser sub 1] legt niet voldoende uit waar de gestelde schade in deze situatie op zou zien. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is vereist dat de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk is geworden. Daaraan is niet voldaan. Dat maakt dat KNHS niet wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en dat [eiser sub 1] geen belang heeft bij toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht. Vordering e) wordt dus afgewezen.

vordering f)

3.30.

Onder f) vordert [eiser sub 1] dat de rechtbank bepaalt dat hij zich terecht niet aan het oordeel van de geschillencommissie heeft onderworpen. [eiser sub 1] heeft niet toegelicht waarom hij belang heeft bij een verklaring voor recht op dit punt. Vordering f) wordt daarom afgewezen.

vordering h)

3.31.

[eiseres sub 2] vordert onder h) dat de rechtbank bepaalt dat KNHS onrechtmatig heeft gehandeld door haar niet de mogelijkheid te bieden om een bezwaarschrift in te dienen en dat KNHS wordt veroordeeld in de door haar geleden schade.

3.32.

Dat [eiseres sub 2] schade heeft geleden licht zij echter niet toe. Er is dus geen aanleiding voor een veroordeling daartoe met verwijzing naar de schadestaat. Dat maakt dat [eiseres sub 2] geen belang heeft bij een verklaring voor recht dat KNHS onrechtmatig heeft gehandeld.

3.33.

[eiser sub 1] c.s. koppelt aan de stelling dat [eiseres sub 2] nooit bezwaar heeft kunnen maken ook nog het gevolg dat KNHS in redelijkheid de licentie van [eiseres sub 2] in ere moet herstellen. Ook daarin gaat de rechtbank niet mee. Zoals hierboven is toegelicht is niet gebleken dat KNHS het vereiste van het tekenen van de gedragscode niet mocht stellen. [eiseres sub 2] wil de gedragscode niet ondertekenen. Voor zover het klopt dat [eiseres sub 2] geen bezwaar heeft kunnen indienen (en dat heeft KNHS gemotiveerd betwist; zij schetst dat ten aanzien van [eiseres sub 2] nooit een besluit tot intrekking is genomen en dat [eiseres sub 2] naast de weigering om de gedragscode te ondertekenen ook zelf niet de vereiste opleidingsacties heeft ondernomen om haar licentie verlengd te krijgen), brengt dat dus niet mee dat haar (opnieuw) een licentie moet worden verleend.

vordering i)

3.34.

Onder i) vordert [eiser sub 1] dat de rechtbank bepaalt dat het bestuur het besluit tot het intrekken van zijn licentie onrechtmatig heeft genomen zonder dat er een mogelijkheid was om de interne geschillenprocedure van KNHS te volgen. Waarom dit moet leiden tot onrechtmatigheid heeft [eiser sub 1] niet toegelicht. Dat de interne Geschillencommissie niet tijdig op orde was leidt tot het oordeel dat [eiser sub 1] c.s. het geschil kon voorleggen aan de civiele rechter zonder eerste die interne route te bewandelen. Aan de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit zelf doet dit gegeven echter niet toe of af. Het is immers niet zo dat het besluit als gevolg van die omstandigheden is onttrokken aan toetsing. Hoe het feit dat de Geschillencommissie nog niet in stelling was van invloed kan zijn op de rechtmatigheid van enig bestuursbesluit valt dan ook niet te beredeneren.

De proceskosten

3.35.

[eiser sub 1] c.s. heeft ongelijk gekregen en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van KNHS. Die kosten worden begroot op € 1.712,00, bestaande uit € 626,00 aan griffierecht en € 1.086,00 aan advocatensalaris (2 punten x tarief € 543,00). De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten worden toegewezen op de manier die in de beslissing staat weergegeven.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt [eiser sub 1] c.s. in de proceskosten van KNHS, tot op vandaag begroot op € 1.712,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling,

4.3.

veroordeelt [eiser sub 1] c.s. in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op

- € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling; en

- € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2019.