Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5030

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
16/107074-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot doodslag, vernieling en wapenbezit. Slachtoffer van poging doodslag was haar hoofdbehandelaar bij een behandelinstelling. Tbs is overwogen, maar de rechtbank vindt om diverse redenen, vooral gezien de adviezen van de deskundigen, dat verdachte nog een laatste kans moet krijgen. Wel legt de rechtbank naast een gevangenisstraf een aantal bijzondere voorwaarden op. De rechtbank beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/107074-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1998] ,

wonende te [woonplaats]
thans gedetineerd te PI Westzaan – te Westzaan.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper en van hetgeen verdachte en mr. J.R.A. Röschlau, advocaat te Zeist, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de deskundigen J. van der Meer, psychiater, L. Scheffers, reclasseringswerker, E.J. Kors, klinisch psycholoog, en T. Smits, GZ-psycholoog, is verklaard.

2 TENLASTELEGGING

feit 1: primair op 3 mei 2019 te Utrecht heeft geprobeerd om [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven;

subsidiair op 3 mei 2019 te Utrecht een mes voorhanden heeft gehad ter voorbereiding om [slachtoffer] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven;

meer subsidiair op 3 mei 2019 te Utrecht [slachtoffer] heeft bedreigd.

feit 2: op 3 mei 2019 te Utrecht een of meerdere deuren/kozijnen toebehorende aan [instelling] heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

feit 3: op 3 mei 2019 te Utrecht een (opvouwbaar) mes voorhanden heeft gehad;

feit 4: op 3 mei 2019 te Utrecht opzettelijk 10 MDMA pillen aanwezig heeft gehad;

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met dien verstande dat, ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag kan worden bewezen en niet de poging tot moord.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde, uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat sprake was van een intentie in de zin van voorbedachte rade dan wel poging doodslag of de voorbereidingshandelingen hiertoe terwijl ook geen sprake is van bedreiging. De raadsman verzoekt de rechtbank dan ook verdachte integraal vrij te spreken van dit feit. De onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft verdachte ter terechtzitting bekend en de verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de bewezenverklaring.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1: 1

De verklaring van aangever [slachtoffer] inhoudende:

Ik ben werkzaam als GZ psycholoog bij (…) [instelling] gelegen (…) te [vestigingsplaats]. 2

ik [werd] gebeld door een manager genaamd: [A] (…). (…) Zij vertelde mij dat [verdachte] het voornemen had om mij neer te steken. (…) Op vrijdag 3 mei 2019 (…) ben ik gebeld door de crisisdienst van Altrecht. De medewerkster vertelde mij dat (…) Ook toen zou [verdachte] het voornemen hebben uitgesproken om mij neer te steken. 3

De verklaring van verdachte ter terechtzitting:

Ik was binnen een paar minuten met de scooter bij [instelling]. Het mes had ik inderdaad in mijn hand. Ik wilde naar binnen. Met de achterkant van het mes was ik op het glas van de deur aan het slaan, dit lukte niet. Toen ik hem zag ben ik de deur open gaan trappen. 4

De verklaring van getuige [getuige 1] inhoudende:

Ik deed de deur op slot en zette mijn voet er voor de zekerheid voor. Ik zag dat [verdachte] voor de deur stond en op het glas bonkte en stond te schreeuwen. (…)

Ik zag dat [verdachte] langs de balie van het secretariaat liep en de deur opende naar de centrale hal. (…) Ik zag dat zij naar mij toe liep en voor de deur bleef staan. Ik hoorde dat zij vroeg waar [slachtoffer] was, (…). Continu vroeg ze naar [slachtoffer] en of ik de deur open wilde doen. (…) Ik zag dat het mes ingeklapt in haar hand lag. (…) waarna (…) ze (…) tegen de deur begon te trappen. 5

De verklaring van getuige [getuige 2] inhoudende:

Op vrijdag 03 mei 2019 omstreeks 12.00 uur zat ik bij het secretariaat. (…) Ik zag dat er een vrouw voor de deur staan. Ik zag dat ze met kracht tegen de deur aan het slaan en schoppen was. 6 Ik hoorde dat de vrouw riep: "waar is hij, waar is hij!". (…) Ik zag dat de vrouw een opklapbaar mes in haar rechterhand had. 7

De bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] inhoudende:

Wij hoorden dat [getuige 3] ons mede deelde dat [verdachte] onderweg naar [instelling] was om een medewerker aldaar neer te steken.(…) Wij zagen dat het kozijn van de ingang van [instelling], vernield was. 8 Wij hoorden ten tijden van het vervoer dat de verdachte na het geven van de cautie dat zij de verpleging dood wilde hebben. Ik (…) vroeg de verdachte waarom zij de verpleging wilde doodsteken. Ik hoorde dat de verdachte verklaarde dat zij dit wilde doen omdat de behandeling gestopt was. Wij hoorden dat de verdachte verklaarde dat zij altijd haar woorden na kwam. 9

De bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] inhoudende:

Op vrijdag 3 mei 20l9 was ik, [verbalisant 3] , werkzaam als hulpofficier van justitie . (…) Ik hoorde dat [verdachte] zei: [slachtoffer] is mijn begeleider en hij gaat eraan. Ik was echt van plan om hem neer te steken. 10 Ik had in dit geval ook echt het idee dat mocht [verdachte] de kans krijgen zij zeker haar uitspraken ten uitvoer zou brengen. 11

4.3.2

Overwegingen ten aanzien van het bewijs, feit 1

Poging tot moord begaan tegen [slachtoffer]

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder het primair tenlastegelegde voorbedachten rade op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van poging tot moord.

Poging tot doodslag begaan tegen [slachtoffer]

Van een poging is sprake wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Daarbij is een gedraging vereist die naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht is op de voltooiing van het delict.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het voornemen had [slachtoffer] te doden door hem neer te steken met een mes. Verdachte is met een mes naar [instelling] gegaan waar [slachtoffer] op dat moment aanwezig en werkzaam was. Zij heeft vervolgens de eerste van de twee toegangsdeuren ingetrapt en heeft zich naar de volgende toegangsdeuren begeven. Ook deze deuren heeft zij geprobeerd te verbreken door te trappen en te slaan. Voordat zij zich naar [instelling] had begeven heeft zij op verschillende momenten aan zowel medewerkers van [naam] als de crisisdienst kenbaar gemaakt dat zij [slachtoffer] om het leven wilde brengen. Ook heeft verdachte tegen haar begeleidster [A] gezegd dat zij [slachtoffer] wilde neersteken. Terwijl verdachte zich in [instelling] bevond heeft zij geroepen ‘waar is hij’ en ‘laat me bij hem’, waarbij zij een (ingeklapt) mes in één hand hield. Het opzet van verdachte, en haar voornemen om [slachtoffer] van het leven te beroven, blijkt verder uit het feit dat zij haar voornemen na haar arrestatie heeft bevestigd aan zowel verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die haar hebben aangehouden, als de hulpofficier van justitie [verbalisant 3] ten tijde van de voorgeleiding.

Deze gedragingen, in combinatie met hetgeen verdachte tegen de verbalisanten heeft verklaard, moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Daaraan doet niet af dat er geen rechtstreeks contact heeft plaatsgevonden tussen verdachte [slachtoffer] . Dat verdachte aangever niet kon bereiken, is gelegen in omstandigheden die buiten verdachte liggen.

Conclusie

Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer] . Nu de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen acht, komt zij niet toe aan een bespreking van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Voor het overige vinden de verweren van de raadsman hun weerlegging in de voornoemde bewijsmiddelen.

4.3.1

De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2, 3 en 4:

Verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 2, 3 en 4 ten laste gelegde een bekennende verklaring afgelegd en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [instelling] van 3 mei 2019;12

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] van 5 mei 2019;13

- het proces-verbaal van binnentreden in woning van [verbalisant 5] van 3 mei 2019;14

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 oktober 2019.15

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1, primair

op 3 mei 2019, te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet,

- tegen meerdere personen heeft gezegd dat zij voornoemde [slachtoffer] (medewerker [instelling]) gaat neersteken, en

- naar [instelling] is gegaan terwijl zij een (ingeklapt) mes, bij zich droeg en

- daar de (afgesloten) deur heeft ingetrapt en

- de hal is ingelopen en daar heeft gevraagd waar voornoemde [slachtoffer] is, en

- meermalen heeft geroepen dat de deur geopend moest worden (terwijl die deur werd dichtgehouden en op slot werd gedraaid en

- (vervolgens) tegen de deur heeft getrapt en daarbij heeft geroepen "waar is hij, waar is hij",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

op 3 mei 2019 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een deur en/of kozijnen, dat geheel aan een ander, te weten aan [instelling] ([adres], [vestigingsplaats]) toebehoorde, heeft beschadigd;

feit 3

op 3 mei 2019 te Utrecht een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (opvouwbaar) mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

feit 4

op 3 mei 2019, te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 pillen, bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst l;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder feit 1 bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

poging tot doodslag.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen, meermalen gepleegd.

Het onder feit 3 bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder feit 4 bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van – kort gezegd – de volgende bijzondere voorwaarden:

* een meldplicht bij de reclassering;

* een behandelverplichting inhoudende ambulante behandeling;

* verplichte opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

* een contactverbod met de aangever en een locatieverbod betreffende de instellingen van

[instelling].

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de feiten, kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de thans ondergane voorlopige hechtenis. De verdediging benadrukt de hulpvraag van verdachte en de wens een passend kader op korte termijn te realiseren.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van het slachtoffer, haar hoofdbehandelaar bij de behandelinstelling [instelling], [slachtoffer] . Verdachte is op 3 mei 2019 met een mes naar [instelling] gegaan. Op het moment dat verdachte geen toegang werd verschaft tot de ingang van [instelling] heeft zij eerst de ruiten van de toegangsdeuren proberen in te tikken met het mes, en daarna de deuren ingetrapt. Vervolgens heeft zij meerdere malen, met het (ingeklapte) mes in haar hand, luid roepend kenbaar gemaakt dat ze aangever wilde zien en tegen het glas van de tweede toegangsdeur getrapt en geslagen. Het gewelddadige en bedreigende gedrag van verdachte is alleen gestopt door het snelle ingrijpen van de politie, en dat het daarmee slechts bij een poging is gebleven, is niet door toedoen van verdachte. Door deze handelingen heeft verdachte een zeer beangstigende en bedreigende situatie doen ontstaan voor de aangever en de verder aanwezige medewerkers. Zij werden geconfronteerd met een agressieve verdachte die met een mes over de afdeling rondliep, en zij hebben totdat verdachte werd aangehouden door de politie, doodsangsten uitgestaan. Verdachte heeft gehandeld uit een enorme opgewelde boosheid omdat haar behandeling was stopgezet. Deze boosheid had verdachte echter nooit om mogen zetten in de daden zoals door haar gepleegd. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Persoon van verdachte en rapportages

Bij rapporten van Pro Justitia van 10 september 2019 hebben T. Smits en E.J. Kors, klinisch psycholoog en GZ-psycholoog, en J. van der Meer, psychiater over verdachte gerapporteerd. De conclusies van de rapportages zijn door de voornoemde rapporteurs ter terechtzitting herhaald en onderschreven.

Door de psychiater is geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken. Deze conclusie wordt onderschreven door beide psychologen, zij zien echter onvoldoende aanwijzing voor borderline trekken in de persoonlijkheid.

De psychiatrisch rapporteur heeft het recidiverisico (zonder aanvullende interventies) op korte termijn ingeschat als matig, maar op de middellange tot lange termijn acht de psychiater het recidiverisico hoog. De psycholoog beschrijft het recidiverisico op agressief gedrag als matig, en het risico op herhaling van gedrag van een bedreigende aard als hoog.

Zowel de psychiater als de psycholoog melden in hun rapportage dat het voor hen onduidelijk blijft in hoeverre verdachte moet worden gezien als een ‘blaffende hond’ dan wel dat verdachte daadwerkelijk zou kunnen overgaan tot fysieke agressie. Mede omdat verdachte nog nooit is overgegaan tot fysiek geweld, kunnen zij een daadwerkelijk gevaar tot escalatie met fysiek geweld niet voorspellen (en ook niet onderbouwen).

Door zowel de psycholoog als de psychiater is geconcludeerd dat de vastgestelde stoornis invloed heeft uitgeoefend op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, en zij adviseren derhalve deze feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Doordat er door de rapporteurs geen verband wordt gevonden tussen de stoornissen en het onder 3 en 4 ten laste gelegde, adviseren zij deze feiten volledig toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten dus in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

De reclassering heeft over verdachte een rapport met de datum 13 september 2019 opgesteld. In dit rapport, opgemaakt door L. Scheffers, reclasseringswerker, zijn voornoemde bevindingen van voornoemde psychologisch en psychiatrisch rapporteurs overgenomen. De reclasseringsrapporteur heeft het recidiverisico, op basis van de door hem uitgevoerde risicoanalyse, ingeschat als laag.

De reclassering heeft geadviseerd – indien de rechtbank tot een veroordeling komt – aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met – kort gezegd – de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij de reclassering

  • -

    een behandelverplichting inhoudende ambulante behandeling;

  • -

    verplichte opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

  • -

    een contactverbod met de aangever en een locatieverbod betreffende de instellingen van [instelling].

De reclasseringsrapporteur heeft daarnaast geadviseerd deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Strafoplegging en bijzondere voorwaarden

De rechtbank heeft acht geslagen op voornoemde rapportages van de psychologisch en psychiatrisch rapporteurs en het hierin opgenomen, en door de reclassering overgenomen, advies tot opleggen van gedragskundige interventie in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank zal derhalve de bijzondere voorwaarden, zoals geformuleerd door de reclassering, opleggen aan verdachte in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.

De officier van justitie, de gedragsdeskundigen én de rechtbank hebben de mogelijkheid van het opleggen van een voorwaardelijke TBS-maatregel overwogen, in plaats van een hulpkader georganiseerd met bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft bij de afweging tussen deze twee kaders de jonge leeftijd van verdachte (nu 21 jaar), de afwezigheid van eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en de adviezen van de rapporteurs die ter terechtzitting hebben benadrukt dat het opleggen van een voorwaardelijke TBS-maatregel niet wenselijk wordt geacht meegewogen. De rapporteurs hebben ter zitting benadrukt dat vanwege de specifieke persoonlijkheidsproblematiek van verdachte de autonomie van de patiënt in het hulpkader en tijdens de behandelingen voorop dient te staan. De rechtbank is, alle omstandigheden meewegend, van oordeel dat een dergelijke voorwaardelijke TBS-maatregel om deze redenen op dit moment niet passend en geboden is. Verdachte moet nog een laatste kans worden geboden en de hulpvraag van verdachte, alsmede het doel van de beperking van het recidiverisico, wordt voldoende ondervangen door het geformuleerde kader van bijzondere voorwaarden in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. De daarbij op te leggen proeftijd zal – in tegenstelling tot de twee jaren zoals door de officier is geëist – worden bepaald op drie jaren, zodat voldoende tijd wordt ingeruimd voor een succesvolle behandeling ter beperking van het recidiverisico.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven en rekening houdend met de ernst van het bewezen verklaarde, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank, met de officier van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. De tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis zal in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen vrijheidsstraf. Aan het voorwaardelijk deel van de straf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde, en door de officier van justitie gevorderde, voorwaarden verbinden. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het begeleid wonen, gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte op korte termijn geplaatst kan worden bij Lister. Voor zolang dit niet het geval is, zal zij na haar invrijheidsstelling tot de plaatsing bij Lister verblijven bij haar oom.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht. Het wettelijk kader voor de dadelijke uitvoerbaarheid stelt de eis dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval voldaan aan deze wettelijke vereisten voor de dadelijke uitvoerbaarheid. Gezien de ernst van de feiten en het door de rapporteurs ingeschatte recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er een gevaar voor herhaling bestaat dat zij in de toekomst opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een of meer personen.

9 BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [B] namens [instelling] heeft zich gevoegd in het strafproces en een vordering tot schadevergoeding ingediend ten aanzien van feit 2. De benadeelde partij heeft een schadebedrag gevorderd van in totaal € 299,59. Dit bedrag is opgebouwd uit de (herstel)kosten van de ruit (€ 179,59) en de arbeidskosten gemaakt voor de reparatie van de ruit (€ 120,-).

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [instelling] als gevolg van het door verdachte in bovengenoemde zaak bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank acht de gevorderde materiële schadevergoeding voldoende onderbouwd en volledig toewijsbaar. De rechtbank zal de vordering van [instelling] derhalve toewijzen tot een bedrag van € 299,59.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [instelling] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 299,59. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 5 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die door verdachte is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [instelling] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling door verdachte is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    27 en 54 van de Wet wapens en munitie

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 24 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 jaren vast;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 zich ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

 zich persoonlijk binnen vijf werkdagen volgend op de datum van invrijheidsstelling zal melden bij reclassering Inforsa op het adres Witte Vrouwenkade 6 te Utrecht. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 zich laat behandelen bij Fivoor/Kade 17 of soortgelijke ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Verdachte zal zich daarbij houden aan de regels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

 zal verblijven bij Lister of een soortgelijke instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Totdat die plaatsing mogelijk is, zal verdachte verblijven bij haar oom dhr. [oom] , wonende te [woonplaats] ;

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [1980] , en zich niet zal bevinden binnen een straal 200 meter van beide de locaties van de instelling [instelling], zijnde:

- [vestigingsplaats], [adres], [vestigingsplaats]

- [vestigingsplaats], [adres], [vestigingsplaats]

Dit contact- en locatieverbod duurt de gehele proeftijd. De politie ziet toe op handhaving van dit contact- en locatieverbod;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partij

- wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [instelling] tot een bedrag van € 299,59 (zegge: tweehonderdnegenennegentig euro en negenenvijftig eurocent), bestaande uit materiële schade en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij;

- verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [instelling], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 299,59 (zegge: tweehonderdnegenennegentig euro en negenenvijftig eurocent), bestaande uit materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal aan te vullen met hechtenis van 5 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevel tot voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. J.G. van Ommeren en A. Blanke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. Kappel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

zij, op of omstreeks 3 mei 2019, te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- tegen een/of meerdere perso(o)n(en) heeft gezegd dat zij voornoemde [slachtoffer] (medewerker [instelling]) gaat neersteken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) naar [instelling] is gegaan terwijl zij een (ingeklapt) mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, bij zich droeg en/of

- ( vervolgens) daar de (afgesloten) voordeur heeft ingetrapt en/of

- ( vervolgens) de hal is ingelopen en daar heeft gevraagd waar voornoemde [slachtoffer] is, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- meermalen heeft geroepen dat de (tussen)deur geopend moest worden (terwijl die (tussen)deur werd dichtgehouden en/of op slot werd gedraaid) en/of

- ( vervolgens) tegen de (tussen)deur heeft getrapt en/of (daarbij) heeft geroepen "waar is hij, waar is hij", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 289, art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, op of omstreeks 3 mei 2019, te Utrecht, althans in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf om een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (moord, strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht en/of doodslag, strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht) opzettelijk een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/ of voorhanden heeft gehad;

( art 46 lid l Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 3 mei 2019 te Utrecht

[slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- zich met een mes naar [instelling] te begeven,

- aldaar te roepen "waar is hij" en/of "laat me bij hem, laat me naar hem toe", en/of

- ( indirect) door een medewerker van [naam] te vertellen dat ze deze [slachtoffer] ging neersteken;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

zij op of omstreeks 3 mei 2019 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk

een of meerdere deuren en/of kozijnen, in elk geval enig goed, dat geheel

of ten dele aan een ander, te weten aan [instelling] ([adres], [vestigingsplaats]) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3

zij op of omstreeks 3 mei 2019 te Utrecht

een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een een (opvouwbaar) mes

zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden

waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen

dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/ofte dreigen

heeft gedragen;

( art 27 lid 1 Wet wapens en munitie )

4

zij, op of omstreeks 3 mei 2019, te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 10 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst l,dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet)

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal toetsing met dossiernummer PL0900-2019131806 Z (p. 1 t/m 66) en het proces-verbaal einddossier met de documentcode 190611.1000.13977 (p. 85 t/m 120) bevinden, volgens de in dat proces-verbaal toegepaste nummering. Wanneer paginanummers verwijzen naar andere processen-verbaal, dan wordt dit expliciet vermeld. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal die op ambtseed of ambtsbelofte en in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 De verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 6.

3 De verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 7.

4 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 oktober 2019.

5 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 17.

6 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 19.

7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 20.

8 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 3.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 4.

10 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 23 mei 2019, proces-verbaal einddossier, pagina 119.

11 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 23 mei 2019, proces-verbaal einddossier, pagina 120.

12 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [instelling] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 11 t/m 12.

13 Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 5 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 24.

14 Een proces-verbaal van binnentreden in woning van verbalisant [verbalisant 5] d.d. 3 mei 2019, proces-verbaal toetsing, pagina 41 t/m 47.

15 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 3 oktober 2019.