Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:5006

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
488663 / HA RK 19-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 488663 / HA RK 19-269

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

29 oktober 2019

op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

(verder te noemen: verzoeker).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 30 september 2019;

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. J.O. Zuurmond van 1 oktober 2019.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 15 oktober 2019 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

1.3.

Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker en mr. J.O. Zuurmond verschenen.

2 Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J.O. Zuurmond als behandelend kantonrechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het kenmerk

7875561 UC EXPL 19-6752 BE/40890.

2.2.

Verzoeker heeft in een tweetal omstandigheden aanleiding gevonden om de rechter te wraken.

Ten eerste is er geen proces-verbaal opgemaakt van de zitting van 4 september 2019, terwijl verzoeker daar wel in persoon is verschenen om zijn standpunt mondeling toe te lichten. Aan verzoeker is op 5 september 2019 een brief van deze rechtbank verzonden waar in staat dat hij niet op de rolzitting van 4 september 2019 is verschenen.

Ten tweede heeft de rechter op genoemde zitting van 4 september 2019 aan verzoeker gevraagd “…waarom hij ervan uit zou gaan dat je niet gewoon de boel belazerd door aan te geven dat dit niet je handtekening is zodat je ermee wegkomt?”.

Verzoeker trekt om bovengenoemde redenen de onafhankelijkheid van de betreffende rechter in twijfel.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie en ter zitting heeft hij het volgende naar voren gebracht. Kennelijk is het proces-verbaal van de zitting van 4 september 2019 niet aan verzoeker verzonden. Dit proces-verbaal is wel opgemaakt, zoals blijkt uit het digitale systeem van de griffier van de zitting van 4 september. Vermoedelijk is dit proces-verbaal niet ter tekening aan de rechter voorgelegd. Dat aan verzoeker op

5 september 2019 een brief is toegezonden dat hij niet op de zitting van 4 september 2019 is verschenen is een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De rechter heeft benoemd dat dit onzorgvuldig is en niet had mogen gebeuren en heeft hiervoor zijn excuses aangeboden aan verzoeker.

2.4.

Ten aanzien van de tweede door verzoeker aangevoerde reden voor wraking, heeft de rechter naar voren gebracht geen actieve herinnering meer te hebben aan de behandeling van de zaak van verzoeker op de zitting van 4 september 2019. De rechter gaat daarom uit van de juistheid van het citaat en leest hierin dat hij met deze vraag heeft geprobeerd verzoeker te prikkelen om er zo, vanuit zijn taak als rolrechter, achter te komen of verzoeker zijn stelling kan onderbouwen. Van vooringenomenheid is volgens de rechter geen sprake. Het betreft immers een vraag, geen stelling.

2.5.

Hoewel het wrakingsverzoek naar het oordeel van de rechter formeel te laat is ingediend, heeft de rechter de wrakingskamer, gelet op de door de rechtbank gemaakte fout met betrekking tot het proces-verbaal, in overweging gegeven het verzoek toch inhoudelijk te beoordelen.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 37, eerste lid Rv bepaalt dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden. In dit geval is de door verzoeker geciteerde uitlating hem op de zitting van 4 september 2019 ter ore gekomen. De brief van de rechtbank waarin staat dat verzoeker niet op de zitting is gekomen, is op 5 september 2019 verzonden. Deze brief zal verzoeker uiterlijke enkele dagen daarna hebben bereikt. Verzoeker heeft op 30 september 2019 de rechter gewraakt. Ter zitting heeft hij naar voren gebracht dat hij ervan uit ging dat hij zijn wrakingsverzoek kon indienen zo lang er nog geen uitspraak in zijn zaak was gedaan.

3.2.

De wrakingskamer constateert dat verzoeker ongeveer drie weken nadat de genoemde feiten en omstandigheden hem bekend zijn geworden een verzoek tot wraking heeft ingediend. Dit maakt dat de wrakingskamer vindt dat het wrakingsverzoek niet voldoet aan de eis die in artikel 37, eerste lid Rv staat. Het verzoek is dus niet tijdig gedaan.. De wrakingskamer zal verzoeker daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. De wrakingskamer geen aanleiding om in dit geval af te wijken van de hierboven genoemde wettelijke bepaling.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de zaak van verzoeker met het kenmerk 7875561 UC EXPL 19-6752 BE/40890 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. R. in 't Veld, voorzitter, mr. G.L.M. Urbanus en

mr. G.A. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N. Kruijswijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.