Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4989

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
C/16/479553 / FT RK 19/653 en C/16/479554 / FT RK 19/654
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldsaneringsregeling, dwangakkoord. Belastingdienst weigert, ondanks 100% uitbetaling akkoord te gaan met de aangeboden regeling omdat het akkoord uitgaat van 60 maanden en de beleidsregels van de belastingdienst uitgaan van een termijn van 36 maanden. Dwangakkoord toegewez: in de wet is geen termijn vastgelegd. Het belang van de andere schuldeisers dient zwaarder te wegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-11-2019
FutD 2019-2918
V-N Vandaag 2019/2592
NLF 2019/2646 met annotatie van Ton Tekstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

locatie Lelystad

zaaknummers: C/16/479553 / FT RK 19/653 en C/16/479554 / FT RK 19/654

uitspraakdatum: 25 juni 2019

uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (‘dwangakkoord’)

enkelvoudige kamer

in de zaken van

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1972 te [geboorteplaats] ,

en

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum 2] 1972 te [geboorteplaats] ,

beiden wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,

hierna: [verzoeker] en [verzoekster] .

tegen

Belastingdienst (Landelijk Incasso Centrum),
gevestigd te Heerlen,
hierna: de belastingdienst

en

de besloten vennootschap

Famed B.V.
gevestigd te Amersfoort,
incassogemachtigde Bosveld Incasso en Gerechtsdeurwaarders,
hierna: Famed.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het op 23 april 2019 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift tot toelating tot de schuldsanering en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw.);

 de mondelinge behandeling van genoemd verzoekschrift op 11 juni 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

[verzoeker] en [verzoekster] hebben rond 17 mei 2018 een schuldregeling (hierna: akkoord) aangeboden aan hun schuldeisers. Dit akkoord houdt -samengevat- in dat [verzoeker] en [verzoekster] 100% van de vorderingen zullen voldoen. Het gaat hier om een prognose akkoord waarbij het benodigde bedrag, inclusief de kosten voor de uitvoer van het akkoord in 60 maanden bijeen wordt gespaard.

2.2.

De onder 2.1. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve de belastingdienst en Famed aanvaard.

2.3.

De belastingdienst heeft een preferente vordering van € 11.817,57 en een concurrente vordering van € 554,00 op [verzoeker] en [verzoekster] en vertegenwoordigt daarmee 53,65% van de totale schuldenlast. Famed heeft een vordering van € 129,88 zijnde 0,56% van de totale schuldenlast.

2.4.

[verzoeker] werkt fulltime en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. [verzoekster] is 80-100% afgekeurd en ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3 Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord en het verweer

3.1.

[verzoeker] en [verzoekster] hebben in het verzoek om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht de belastingdienst en Famed te bevelen in te stemmen met het onder 2.1 bedoelde akkoord.

3.2.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 11 juni 2019 waar [verzoeker] en [verzoekster] samen met hun beschermingsbewindvoerder, de heer [A] en de schuldhulpverlener, de heer [B] zijn verschenen. Namens de belastingdienst is de heer [C] verschenen. Namens Famed is niemand verschenen.

3.3.

De belastingdienst heeft in zijn verweer, -samengevat- drie punten aangevoerd. Ten eerste wenst de belastingdienst niet af te wijken van zijn interne beleidsregel dat een minnelijk akkoord maximaal 36 maanden mag duren. Ten tweede meent de belastingdienst dat er bij de uitkering aan de schuldeisers een onderscheid moet worden gemaakt tussen de concurrente en prefrente schuldeisers, waarbij die laatsten een dubbel percentage moeten ontvangen. Ten derde is de belastingdienst van mening dat het door [verzoeker] en [verzoekster] aangeboden akkoord niet het maximaal haalbare is, nu de berekende maandelijkse afdracht in het wettelijke schuldsaneringstraject hoger is dan in het akkoord. Op het verweer wordt hieronder ingegaan.

3.4.

Famed heeft in haar weigering om akkoord te gaan met het voorstel aangegeven dat zij een aflossingsperiode van 5 jaar te lang vindt. Dit sluit aan bij het eerste punt van verweer van de belastingdienst. Famed is niet verschenen op de zitting en heeft ook niet schriftelijk verweer gevoerd.

4 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.

Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als de schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] en [verzoekster] en van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij dient tevens een vergelijking te worden gemaakt met de situatie dat [verzoeker] en [verzoekster] tot de schuldsaneringsregeling zullen worden toegelaten.

De termijn van 60 maanden

4.2.1

Als eerste reden voor haar weigering in te stemmen met het akkoord heeft de belastingdienst de termijn van 60 maanden van het akkoord aangevoerd. Dit is ook de reden dat Famed niet heeft ingestemd.

4.2.2.

De rechtbank stelt vast dat nergens in de wet is vastgelegd dat een aanbod tot een minnelijk akkoord over een periode van maximaal 36 maanden moet gaan. Dat vrijwel alle reguliere minnelijke trajecten van deze termijn uitgaan wil niet zeggen dat daar niet van afgeweken mag worden. Dat de belastingdienst vast blijft houden aan haar weigering om akkoord te gaan verwijzend naar interne beleidsregels, staat aan toewijzing van het dwangakkoord dan ook niet in de weg.

Het maximale aanbod

4.3.1

De rechtbank dient verder te beoordelen of het aanbod het uiterste is waartoe [verzoeker] en [verzoekster] financieel in staat moeten worden geacht. Het tweede verweer van de belastingdienst heeft hierop betrekking.

4.3.2.

Uit het verzoek blijkt dat in de wettelijke schuldsaneringsregeling [verzoeker] en [verzoekster] op basis van het vrij te laten bedrag maandelijks meer moeten afdragen dan hun aanbod in het akkoord. De belastingdienst meent daarom dat het aangeboden akkoord niet het maximaal haalbare is. In de wettelijke schuldsaneringsregeling zullen [verzoeker] en [verzoekster] met de maximale afdracht hun schulden niet volledig kunnen betalen binnen de reguliere looptijd. Ook in een 36 maanden lopende minnelijke regeling met maximale afdracht is 100% voldoening niet aan de orde. Op de zitting hebben [verzoeker] en [verzoekster] verklaard dat zij hun schulden volledig willen betalen. Om dat doel te behalen hebben zij er in hun aanbod voor gekozen om gedurende een langere periode af te dragen, maar dan wel een lager bedrag per maand. [verzoeker] en [verzoekster] hebben verklaard dat de lagere afdracht het voor hen mogelijk maakt om de langere periode waarin zij van minder zullen moeten leven, door te komen.

4.3.3.

De rechtbank ziet zelden in een verzoek tot dwangakkoord een principiële keuze van schuldenaren om het akkoord zo in te richten dat alle vorderingen volledig worden voldaan. Ook [verzoeker] en [verzoekster] hadden immers kunnen kiezen voor een alternatief op basis van 36 maanden waarbij een deel van hun schuld onbetaald blijft. Hiermee waren de belastingdienst en Famed kennelijk wel akkoord gegaan. [verzoeker] en [verzoekster] kiezen echter een voor henzelf meer belastend alternatief. Dat zij voor zichzelf de uitvoering van het akkoord iets draaglijker maken door maandelijks minder af te dragen dan alles boven het vrij te laten bedrag vindt de rechtbank te rechtvaardigen vanwege de langere periode waarin wordt afgelost en het feit dat de vorderingen 100% betaald worden. In de gegeven omstandigheden is dit naar het oordeel van de rechtbank dan ook het maximaal haalbare.

Verschil in uitkering aan preferente en aan concurrente schuldeisers

4.4.

De belastingdienst heeft als verweer ook aangevoerd dat preferente schuldeisers twee maal zoveel uitgekeerd dienen te krijgen als concurrente schuldeisers. Als alle vorderingen voor 100% worden betaald, zoals [verzoeker] en [verzoekster] voorstaan, dan gaat dit verweer niet op en kan hier dus verder onbesproken blijven.

De belangen van de niet weigerende schuldeisers

4.5.1

Bij de beoordeling van de vraag of de belastingdienst en Famed in redelijkheid tot hun weigering konden komen, moeten tevens de belangen van de schuldeisers die wel hebben ingestemd met het akkoord worden gewogen. Aanvaarding van het akkoord zal tot gevolg hebben dat alle schuldeisers 100% van hun vordering voldaan kunnen krijgen. Dit zal (in beginsel) moeten worden vergeleken met de situatie dat op [verzoeker] en [verzoekster] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt, zoals subsidiair gevorderd, nu de rechtbank het aannemelijk acht dat [verzoeker] en [verzoekster] hiertoe zullen worden toegelaten. In dat geval zullen, volgens een in het verzoek opgenomen berekening van de schuldhulpverlener, preferente schuldeisers 82,93% en concurrente schuldeisers 41,46% van hun vordering voldaan krijgen.

4.5.2.

Op de zitting heeft de belastingdienst verklaard voor lief te nemen dat zij een deel van de vordering van [verzoeker] en [verzoekster] moeten kwijtschelden als het akkoord wordt verworpen en [verzoeker] en [verzoekster] worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Voor de belastingdienst is het verschil ook niet zo groot: 100% versus 82,93%. Afwijzing van het akkoord en toelating tot de schuldsaneringsregeling zal voor de schuldeisers, die wel hebben ingestemd met het akkoord echter betekenen dat zij een veel kleiner deel van hun vordering, namelijk 41,46% in plaats van 100% voldaan krijgen. Het belang van deze schuldeisers, die gezamenlijk meer dat 45% van de schulden vertegenwoordigen dient naar het oordeel van de rechtbank gezien dat grote verschil in uitkering zwaarder te wegen dan het belang van de weigerende schuldeisers.

Conclusie

4.6.

Het bovenstaande leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot vaststelling dwangakkoord zal toewijzen, nu de belastingdienst en Famed in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen.

4.7.

Aangezien het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt toegewezen komt het verzoek tot toelating van de schuldsaneringsregeling niet meer aan de orde.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt de belastingdienst en Famed in te stemmen met de onder 2.1 bedoelde schuldregeling;

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.