Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4970

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
29-10-2019
Zaaknummer
16/249917-18 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is recent een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 8 jaren. De officier van justitie heeft ervoor gekozen om de feiten in deze zaak af te splitsen, met als gevolg dat niet alle stukken uit de door de rechtbank reeds afgedane zaak in dit dossier zijn opgenomen. Daarbij komt dat er al geruime tijd is verstreken sinds de feiten zijn geconstateerd.

Deze omstandigheden, in samenhang met de relatieve eenvoud en omvang van deze zaak maken dat de rechtbank om proceseconomische redenen afziet van het heropenen van het onderzoek en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/249917-18 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1959] te [geboorteplaats] (Israël),

thans verblijvende te PIV Nieuwersluis te Nieuwersluis.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2019, 13 mei 2019, 23 juli 2019 en 15 oktober 2019. Op laatstgenoemde zitting heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. De onderhavige strafzaak is toen gelijktijdig behandeld met de eveneens aanhangig gemaakte ontnemingsvordering tegen de verdachte, bekend onder hetzelfde bovenstaande parketnummer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C. Zijlstra en van hetgeen de door verdachte gemachtigde raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Almere, naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: (primair) in de periode van 22 oktober 2016 tot en met 4 februari 2017 te [vestigingsplaats] (in een pand aan de [vestigingsplaats] ), samen met (een) ander(en), opzettelijk 195 hennepplanten heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad dan wel (subsidiair) dat zij daarbij opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemd pand voor de teelt van hennepplanten beschikbaar te stellen;

feit 2: in de periode van 22 oktober 2016 tot en met 4 februari 2017 te [vestigingsplaats] , samen met (een) ander(en) elektriciteit van Stedin Netbeheer B.V. heeft gestolen door middel van braak of verbreking.

3 VOORVRAGEN

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is.

3.2

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde.

3.3

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De rechtbank zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging en overweegt daartoe als volgt.

Naar aanleiding van het aantreffen van een dodelijk slachtoffer heeft op 4 februari 2017 een doorzoeking plaatsgevonden in het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Tijdens deze doorzoeking werd er in voornoemd pand een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met daarin 195 hennepplanten, hetgeen heeft geleid tot de in de tenlastelegging genoemde verdenkingen.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de zaak met betrekking tot onder meer het dodelijke slachtoffer door de officier van justitie is afgesplitst van de onderhavige zaak. Voor die zaak is verdachte op 10 april 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, hetgeen blijkt uit het strafblad van verdachte van 13 september 2019.

Ter terechtzitting van 15 oktober 2019 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet in Nederland berecht kan worden voor de tenlastegelegde feiten omdat in strijd is gehandeld met het specialiteitsbeginsel. Hierbij heeft de raadsman er op gewezen dat verdachte voorafgaand aan haar vervolging is overgeleverd door de Duitse autoriteiten. Bij die overlevering is door de Nederlandse autoriteiten geen overleving verzocht, noch verkregen voor de onderhavige ten laste gelegde feiten. Om die reden dient volgens de raadsman het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank kan op grond van de stukken in dit dossier het verweer van de raadsman niet beoordelen. De overleveringsstukken maken immers geen deel uit van het dossier. Om het verweer te kunnen beoordelen zal de rechtbank de zaak moeten heropenen en de officier van justitie de opdracht geven de betreffende stukken toe te voegen aan het dossier. De rechtbank zal hier echter niet toe overgaan, om de navolgende reden.

Aan verdachte is recent een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 8 jaren. De officier van justitie heeft ervoor gekozen om de feiten in deze zaak af te splitsen, met als gevolg dat niet alle stukken uit de door de rechtbank reeds afgedane zaak in dit dossier zijn opgenomen. Daarbij komt dat er al geruime tijd is verstreken sinds de feiten zijn geconstateerd. Deze omstandigheden, in samenhang met de relatieve eenvoud en omvang van deze zaak maken dat de rechtbank om proceseconomische redenen afziet van het heropenen van het onderzoek en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

4 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en

E.W.A. Vonk, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2019.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1
zij, in of omstreeks de periode van 22 oktober 2016 tot en met 4 februari
2017 te [vestigingsplaats] , gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging
met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of
bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig
heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in
totaal) ongeveer 195 hennepplanten, althans een groot aantal
hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep
een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C
Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:


een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode
van 22 oktober 2016 tot en met 4 februari 2017 te [vestigingsplaats] , gemeente
Stichtse Vecht, met elkaar, althans één van hen, opzettelijk
heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk
geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan
[adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 195
hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen
daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram
van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel
vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het
plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks 22
oktober 2016 tot en met 4 februari 2017 te [vestigingsplaats] , gemeente
Stichtse Vecht, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal
(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft
verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die
onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de
teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond B Opiumwet, art 3 ahf/ond C
Opiumwet, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2
Wetboek van Strafrecht )

2
zij, in of omstreeks 22 oktober 2016 tot en met 4 februari 2017 te
[vestigingsplaats] , gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke
toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in
elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin
Netbeheer B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte en/of haar mededaders, waarbij verdachte en/of haar
mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben
verschaft en/of die/dat weg te nemen hoeveelheid stroom/elektriciteit
onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak
en/of verbreking;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van
Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )