Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4959

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
20-11-2019
Zaaknummer
489892
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verkoop woning en vervangende toestemming school

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer / rolnummer: C/16/489892 / KG ZA 19-659

Vonnis in kort geding van 30 oktober 2019

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. C.A.H. Boom,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 oktober 2019 met producties 1 tot en met 6;

  • -

    de mondelinge behandeling van 24 oktober 2019, waarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat; en

  • -

    de man.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd. De vrouw heeft een verzoek tot echtscheiding ingediend (bekend onder zaaknummer C/16/485977 / FA RK 19-4698). Dit verzoekschrift is bij deze rechtbank in behandeling.

2.2.

Tevens is er een verzoekschrift voorlopige voorzieningen bij deze rechtbank ingediend. De behandeling van deze zaak staat gepland op 8 november 2019.

2.3.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2014] te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2016] te [geboorteplaats] .

2.4.

Partijen zijn in onderling overleg de volgende zorgregeling overeengekomen:

  • -

    in de ene week verblijven de kinderen vrijdag uit school tot na het avondeten bij de man;

  • -

    in de andere week verblijven de kinderen van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school bij de man.

2.5.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Op deze woning rust een hypothecaire lening ter grootte van € 227.791,00.

2.6.

De waarde van de woning wordt door een door de vrouw ingeschakelde makelaar ( [makelaar] ) geschat op € 400.000,00.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat - bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te gebieden om, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,00 per dag, binnen een dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis toestemming te geven voor de inschrijving van [minderjarige 1] op basisschool [basisschool] ( [adres] , [woonplaats] );

II. de man te gebieden om, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,00 per dag, binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis:

a. de voormalige echtelijke woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] te koop aan te bieden bij een NVM-makelaar naar keuze;

b. de aangewezen makelaar opdracht te geven te bemiddelen in de verkoop van de voormalige echtelijke woning;

c. diens (schriftelijke) aanwijzingen op te volgen, voor zover dit het uit te voeren onderhoud van de woning, de bepaling van de vraagprijs of een te accepteren bieding betreft.

3.2.

De man voert verweer tegen de onder I. ingestelde vordering.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

In een kort gedingprocedure is vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat de eisende partij op korte termijn een beslissing van de voorzieningenrechter nodig heeft en een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De beslissing van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter. Als geen sprake is van een spoedeisend belang, zal de voorzieningenrechter de eisende partij niet-ontvankelijk verklaren of de vorderingen afwijzen.

Woning

4.2.

Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verkoop van de woning. Beide partijen zijn het erover eens dat de woning verkocht moet worden, omdat geen van hen de ander uit kan kopen en/of de woonlasten alleen kan dragen. Bovendien erkennen beide partijen dat er schulden zijn die (grotendeels) kunnen worden afgelost met de overwaarde van de woning. Op de zitting hebben partijen verder overeenstemming bereikt op de volgende punten:

  • -

    de woning zal per 1 februari 2020 te koop worden gezet bij [makelaar] ;

  • -

    partijen zullen binnen twee weken na de zittingsdatum, dus uiterlijk 7 november 2019, de bemiddelingsovereenkomst met [makelaar] tekenen;

  • -

    partijen zullen [makelaar] vragen om hen schriftelijk te informeren over welke verbeteringen nog nodig zijn om een zo hoog mogelijke prijs voor de woning te krijgen. De man zal het advies van de makelaar volgen en alleen de door de makelaar genoemde verbeteringen aanbrengen.

De voorzieningenrechter zal dienovereenkomstig beslissen. Omdat partijen zich op de zitting bereid hebben verklaard de hiervoor genoemde afspraken na te komen, zal de voorzieningenrechter geen dwangsom opleggen.

School

4.3.

De vrouw woont samen met de kinderen sinds een aantal weken in [woonplaats] . De moeder is van mening dat het beter voor [minderjarige 1] is dat hij zo snel mogelijk naar basisschool [basisschool] (voorheen [naam] ) in [woonplaats] gaat. Ook de huidige basisschool van [minderjarige 1] heeft dit geadviseerd. De moeder heeft [minderjarige 1] tot nu toe elke schooldag naar zijn school in [woonplaats] gebracht, maar de enkele reistijd is circa 45 minuten. Dat is volgens de moeder veel te lang en te onrustig voor beide kinderen. Bovendien ervaart [minderjarige 1] veel onrust, omdat hij inmiddels vriendjes heeft in [woonplaats] en hij niet snapt waarom hij niet naar dezelfde basisschool mag. De vader maakt bezwaar. Aangezien de woning moet worden verkocht, moet hij op zoek naar andere woonruimte. Hij weet nog niet waar hij terecht komt, maar hij wil het liefst in [woonplaats] blijven wonen. Deze onzekerheid, in combinatie met het feit dat de vader in de toekomst (vanaf januari) een co-ouderschapsregeling wil, zorgt ervoor dat de vader het nu nog te vroeg vindt om te wisselen van school.

4.4.

Gelet op de onzekerheid over de toekomstige woonsituatie van de vader, de vraag of een co-ouderschapsregeling vanaf januari haalbaar en in het belang van de kinderen is en met het oog op het advies van de huidige basisschool van [minderjarige 1] , is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat hij zo snel mogelijk wisselt van school. Bovendien heeft [minderjarige 1] voor de herfstvakantie al afscheid genomen van zijn klas, waardoor het voor hem extra verwarrend is als hij na de herfstvakantie gewoon terugkomt in deze klas. De voorzieningenrechter heeft op de zitting al aan partijen al meegedeeld dat zij aan de moeder vervangende toestemming zal verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] op basisschool [basisschool] . Naar aanleiding hiervan heeft de vader op de zitting het inschrijfformulier van de nieuwe basisschool getekend. De voorzieningenrechter behoeft daarom in het dictum van dit vonnis geen beslissing meer te nemen op het verzoek van de vrouw.

Proceskosten

4.5.

In procedures van familierechtelijke aard is het gebruikelijk de proceskosten tussen partijen te compenseren. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en zal de proceskosten dan ook (ambtshalve) compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , waarbij de woning per 1 februari 2020 in de verkoop zal worden gezet bij [makelaar] ;

5.2.

veroordeelt zowel de man als de vrouw om uiterlijk 7 november 2019 hun medewerking te verlenen aan het tekenen van de bemiddelingsovereenkomst met [makelaar] ;

5.3.

veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan het aanbrengen van uitsluitend die verbeteringen die door [makelaar] schriftelijk aan partijen zijn doorgegeven;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Hoogeveen-van de Vrede als griffier en in het openbaar uitgesproken op

30 oktober 2019.