Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4954

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
01-11-2019
Zaaknummer
C/16/481957 / KG ZA 19-357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het artikel over een officier van justitie en haar man op de zwarte lijst artsen en de uitlatingen over deze officier op de zwarte lijst rechters, zijn onrechtmatig en in strijd met de AVG. Met de foto in het artikel wordt ook inbreuk gemaakt op het portretrecht. Het artikel en de uitlatingen moeten worden verwijderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/481957 / KG ZA 19-357

Vonnis in kort geding van 25 oktober 2019

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Openbaar Ministerie),

zetelend te Den Haag,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.S. Bierens te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de stichting

STICHTING SLACHTOFFERS IATROGENE NALATIGHEID-NEDERLAND,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

advocaat mr. R.L. de Graaff te Amsterdam.

Eisers worden hierna afzonderlijk het OM en [eiser sub 2] en gezamenlijk het OM c.s. genoemd. Gedaagden worden hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1] en SIN-NL en gezamenlijk [gedaagden c.s.] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 juni 2019 met productie 1 tot en met 15

  • -

    de op 17 juli 2019 van het OM c.s. ontvangen productie 16

  • -

    de mondelinge behandeling van 18 juli 2019, waarbij de inhoudelijke behandeling is aangehouden om gezondheidsredenen van [gedaagde sub 1]

  • -

    de op 18 september van [gedaagden c.s.] ontvangen producties 1 tot en met 6

  • -

    de op 18 september van [gedaagden c.s.] ontvangen producties 7 tot en met 14

  • -

    de mondelinge behandeling van 11 oktober 2019

  • -

    de pleitnota van het OM c.s.

  • -

    de pleitnota van mr. de Graaff

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1]

1.2.

Daarna is beslist dat er een vonnis komt.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

SIN-NL is een stichting die zich inzet om de positie van slachtoffers van medische fouten of hun nabestaanden en de patiëntveiligheid en kwaliteit van de gezondheidszorg te verbeteren. [gedaagde sub 1] is voorzitter van SIN-NL.

2.2.

SIN-NL publiceert op het internet een “zwarte lijst artsen” en een “zwarte lijst rechters”. Op deze zwarte lijsten staan namen van artsen, rechters en andere personen en organisaties binnen de gezondheidszorg en de overheid die volgens SIN-NL tuchtrechtelijk, strafrechtelijk of anderszins verwijtbaar handelen. De zwarte lijst artsen is bereikbaar via www.zwartelijstartsen.com, www.zwartelijstartsen.nl en www.sin-nl.org. De zwarte lijst rechters is te vinden via www.zwartelijstrechters.org. Deze domeinnamen staan geregistreerd op naam van SIN-NL.

2.3.

Mevrouw [A] (hierna: [A] ) is opgetreden als officier van justitie in een strafzaak waarin [gedaagde sub 1] werd vervolgd voor smaad, laster en/of belediging van een neuroloog. In die strafzaak heeft [gedaagde sub 1] meerdere keren om uitstel van de zitting gevraagd. De derde keer deed zij dit aan de hand van twee doktersverklaringen. De verklaringen waren van twee verschillende artsen, maar hadden dezelfde inhoud. [A] heeft daarom contact gezocht met (in ieder geval) één van deze artsen. Die arts heeft haar laten weten dat [gedaagde sub 1] volgens hem wél in staat was om een zitting bij te wonen, als die zitting in de namiddag zou zijn en niet te lang zou duren. Dat heeft [A] doorgegeven aan de rechtbank. De rechtbank heeft toen besloten de zaak zonder [gedaagde sub 1] en zonder haar advocaat, die ook niet was gekomen, te laten doorgaan. [gedaagde sub 1] is veroordeeld.

2.4.

Op de zwarte lijst artsen staat een artikel over [A] . In dit artikel wordt ook de naam van haar man ( [eiser sub 2] ), zijn werkgever en functie genoemd. Op de zwarte lijst rechters wordt in vier berichten over vier rechters van het gerechtshof Arnhem de naam van [A] genoemd.

2.5.

De tekst van het artikel over [A] op de zwarte lijst artsen staat hieronder. Bij het artikel is een foto van haar geplaatst.

“ [A] van Justitie Parket [regio] . Betrokken bij de behandeling van medische zaken oa inzake falende artsen.
Negeert feiten en documenten mbt ernstig falen van neuroloog K., mogelijk in opdracht van anderen.
Heeft onrechtmatig bewijs uitgelokt, verkregen en gebruikt in procedure. Heeft via de rechter onrechtmatige censuur van slachtoffer van medische fout afgedwongen, in strijd met vrijheid van meningsuiting art 7 Grondwet en art 10 EVRM. Vonnis is dus nietig.
[A] is “vergeten” dat Officieren van Justitie – het Openbaar Ministerie – geacht worden waarheidsvinding centraal te stellen, de belangen van de Nederlandse burgers te behartigen en namens hen op te treden. Het salaris van [A] wordt nb door Nederlandse burger betaald.
[A] kiest duidelijk voor het beschermen van een falende arts en voor het negeren van de belangen van Nederlandse burgers.
Haar echtgenoot [eiser sub 2] werkt bij de afdeling productie [naam] .”

2.6.

De zin uit de vier artikelen over vier rechters van het gerechtshof Arnhem waarin [A] wordt genoemd, staat hieronder.

“Beschermt falende artsen en falend Officier van Justitie Mr. [A] .”

2.7.

Omdat [A] op de websites is geplaatst vanwege haar werk als officier van justitie, is het OM hier de eisende partij (en niet zijzelf) samen met [eiser sub 2] . Het OM c.s. vindt dat het hiervoor genoemde artikel op de zwarte lijst artsen en de uitlatingen op de zwarte lijst rechters onrechtmatig en in strijd met de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) zijn en dat door het plaatsen van de foto inbreuk wordt gemaakt op het portretrecht van [A] . Met dit kort geding wil het OM c.s. bereiken dat het artikel en de uitlatingen worden verwijderd. [gedaagden c.s.] is het hier niet mee eens.

3 Waar let de voorzieningenrechter op bij de beoordeling?

3.1.

Als de vorderingen van het OM c.s. worden toegewezen is dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting van [gedaagden c.s.] (artikel 10 lid 1 EVRM). Dit recht kan volgens het tweede lid van dat artikel alleen worden beperkt, als die beperking in de wet is geregeld en in een democratische samenleving nodig is. Van zo’n beperking is sprake als de uitlatingen onrechtmatig zijn (artikel 6:162 BW).

3.2.

Bij de beantwoording van de vraag of een uitlating onrechtmatig is, moeten twee belangrijke maatschappelijke belangen worden afgewogen. Aan de ene kant het belang dat individuele burgers (zoals [eiser sub 2] en [A] ) niet door publicaties worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Aan de andere kant het belang dat niet – door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek – misstanden die de samenleving raken, kunnen blijven voortbestaan. Welke van deze belangen in dit geval zwaarder weegt, hangt af van alle relevante omstandigheden. De omstandigheden die tegen elkaar moeten worden afgewogen zijn onder andere:

  • -

    aan de ene kant de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor het OM c.s. en aan de andere kant de ernst van de misstand die de publicatie aan de kaak wil stellen;

  • -

    de mate waarin de verdenkingen op het moment van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

  • -

    de inkleding van de verdenkingen;

  • -

    de mate van waarschijnlijkheid dat in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere – voor het OM c.s. minder schadelijke – wegen met een redelijke kans op spoedig succes had kunnen worden bereikt;

  • -

    de kans dat de informatie ook zonder de verweten publicatie in de publiciteit zou zijn gekomen.

3.3.

Als het over [A] gaat, houdt de voorzieningenrechter ook rekening met de volgende uitgangspunten uit eerdere uitspraken:

  • -

    magistraten (zoals officieren van justitie en rechters) moeten worden beschermd tegen ongefundeerde uitlatingen, omdat ze zelf niet makkelijk in de openbaarheid kunnen treden en omdat anders het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak onnodig wordt ondermijnd;

  • -

    bij het publiekelijk uiten van kritiek moet onderscheid worden gemaakt tussen de publieke personen en organisaties tegen wie de kritiek eigenlijk is gericht en de niet-publieke personen die het beleid van deze organisaties of bestuurders alleen feitelijk uitvoeren;

  • -

    bij de afweging van wat wél en niet gezegd mag worden, maakt het uit of het gaat om een feitelijk bericht of een waardeoordeel. Als iets wordt gepresenteerd als een feit, moet dat bewezen kunnen worden. Als iets wordt gepresenteerd als een persoonlijke mening, is die eis iets minder streng,

3.4.

Als het over [eiser sub 2] gaat, houdt de voorzieningenrechter ook rekening met het volgende uitgangspunt uit eerdere uitspraken:

- als een publicatie over een gewone burger gaat, moet er een duidelijke aanleiding zijn om over die persoon te berichten.

4 De beoordeling

Het OM c.s. krijgt gelijk

4.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uitlatingen van [gedaagden c.s.] onrechtmatig zijn en geeft het OM c.s. dus gelijk. Hieronder wordt uitgelegd waarom.

De uitlatingen zijn onrechtmatig

4.2.

In het artikel op de zwarte lijst artsen staan vier beschuldigingen aan het adres van [A] , die zij onrechtmatig vindt. [A] zou:

  1. onrechtmatig bewijs hebben uitgelokt, verkregen en gebruikt in de procedure;

  2. via de rechter onrechtmatige censuur hebben afgedwongen en zo in strijd hebben gehandeld met artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM;

  3. “vergeten” zijn dat officieren van justitie geacht worden waarheidsvinding centraal te stellen;

  4. feiten en documenten over het ernstig falen van een neuroloog hebben genegeerd, mogelijk in opdracht van anderen.

4.3.

Van deze uitlatingen wordt hierna één voor één vastgesteld dat ze feitelijk onjuist zijn.

Uitlating 1

4.4.

Deze uitlating gaat volgens [gedaagden c.s.] over de vraag die [A] aan (in ieder geval) één arts van [gedaagde sub 1] heeft gesteld, namelijk of [gedaagde sub 1] de strafzitting kon bijwonen. De arts die daarop antwoord heeft gegeven, een onjuist antwoord volgens [gedaagden c.s.] overigens, had daarvoor geen toestemming van [gedaagde sub 1] . Die arts heeft volgens [gedaagden c.s.] dus zijn beroepsgeheim geschonden. Dat is een misdrijf (artikel 272 van het wetboek van Strafrecht, Sr.). Doordat [A] medische informatie heeft gevraagd aan de arts, heeft zij dit misdrijf uitgelokt (artikel 47 Sr.), vindt [gedaagden c.s.] De informatie is vervolgens aan de rechtbank meegedeeld.

4.5.

De voorzieningenrechter ziet dit anders. [A] heeft tijdens het doen van haar werk als officier van justitie een vraag aan een arts gesteld. Dat was nodig om te bepalen wat zij van het uitstelverzoek van [gedaagde sub 1] vond. Het is aan de arts aan wie zij de vraag stelde om te bepalen of hij antwoord geeft. Het stellen van de vraag is geen delict. Uitlating 1 is dus feitelijk onjuist.

Uitlating 2

4.6.

Met deze uitlating bedoelt [gedaagden c.s.] dat de strafzaak tegen [gedaagde sub 1] is behandeld zonder dat zij daar bij was, doordat [A] de informatie van de arts aan de rechtbank heeft doorgegeven. [gedaagde sub 1] heeft zich daardoor in de strafzaak niet kunnen verweren. Zij vindt daarom dat zij is gecensureerd in strijd met de door haar genoemde wetsartikelen.

4.7.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat [A] feitelijk of juridisch heeft veroorzaakt dat [gedaagde sub 1] afwezig was tijdens de behandeling van haar strafzaak. [gedaagde sub 1] heeft de rechtbank bericht dat zij medisch niet in staat was om naar de zitting te komen. [A] heeft daar andere informatie tegenover gezet. Tenslotte heeft de rechtbank beslist dat de zitting door zou gaan zonder [gedaagde sub 1] . Uitlating 2 is dus ook feitelijk onjuist.

Uitlating 3

4.8.

Het verwijt dat [A] zou zijn “vergeten” dat officieren van justitie geacht worden waarheidsvinding centraal te stellen, houdt ook verband met het feit dat [gedaagde sub 1] haar eigen strafzaak niet kon bijwonen door de medische informatie die [A] aan de rechtbank heeft gegeven, zo zegt [gedaagden c.s.]

4.9.

Voor zover de uitlating gaat over het niet bijwonen van de zitting door [gedaagde sub 1] , is hierboven al geoordeeld dat de uitlating feitelijk onjuist is. Voor zover de uitlating over andere dingen gaat, heeft [gedaagden c.s.] dit verwijt onvoldoende concreet heeft gemaakt om te kunnen constateren dat dit een feitelijk juiste uitlating is.

Uitlating 4

4.10.

De beschuldiging dat [A] feiten en documenten over het falen van een neuroloog heeft genegeerd, gaat over het volgende. [gedaagde sub 1] heeft in de strafzaak waarin zij werd vervolgd voor smaad, laster en/of belediging van die neuroloog, vaak verwezen naar stukken waaruit volgens haar blijkt dat de neuroloog ernstige fouten heeft gemaakt. [A] heeft niet dezelfde betekenis aan die stukken toegekend. Daarom vindt [gedaagden c.s.] dat [A] die stukken heeft genegeerd.

4.11.

Een andere betekenis toekennen aan stukken is niet hetzelfde als het negeren daarvan. Daarom oordeelt de voorzieningenrechter dat ook de vierde uitlating feitelijk onjuist is.

Uitlatingen op zwarte lijst rechters

4.12.

In deze uitlatingen wordt [A] een falend officier van justitie genoemd. Gelet op wat hierboven staat, is dit feitelijk onjuist.

Belangenafweging

4.13.

Hiervoor is geoordeeld dat alle beweringen over [A] feitelijk onjuist zijn. Het is niet aannemelijk geworden dat de kritiek op [A] in de uitoefening van haar functie terecht is. Het moet mogelijk zijn om misstanden – zoals fouten van artsen, rechter of officieren van justitie – aan de kaak te stellen, maar niet door het publiceren van feitelijke onjuistheden. Dat er een te signaleren misstand is, volgt bovendien niet uit de feiten. Voor zover het om een waardeoordeel zou gaan en niet om feitelijke uitlatingen, zijn de uitlatingen niet alsnog rechtmatig gelet op de feitelijke onjuistheden daarin.

Kortom, [gedaagden c.s.] uit ernstige beschuldigingen, die als feitelijk waar worden gepresenteerd, maar die niet kloppen. Er blijkt niet van een misstand die aan de kaak gesteld moet worden. Ook spreekt [gedaagden c.s.] de persoon, [A] , aan in plaats van haar werkgever, het OM, en kan [A] zich als officier van justitie minder makkelijk verweren. De belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van het OM c.s.: de uitlatingen over [A] zijn onrechtmatig.

4.14.

Ook de uitlatingen over [eiser sub 2] zijn onrechtmatig. Hij wordt door [gedaagden c.s.] in het artikel op de zwarte lijst artsen genoemd, omdat hij bij de publieke omroep werkt. Dat is op zich juist, maar er is geen duidelijke aanleiding om specifiek over hem te berichten en die moet er wel zijn. Dat hij getrouwd is met [A] , is daarvoor niet genoeg. Zeker niet, nu er onterecht ernstige beschuldigingen over haar worden geuit en hij daarmee in verband wordt gebracht.

4.15.

[gedaagden c.s.] noemt een uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 september 2009 en een uitspraak van de rechtbank Midden Nederland van 24 oktober 2018 waaruit volgens haar blijkt dat de Nederlandse rechter toestemming heeft gegeven voor de zwarte lijst artsen. [gedaagden c.s.] noemt ook een uitspraak van het hof Den Haag van 26 juli 2019, waaruit volgens haar de rechtmatigheid en het maatschappelijk belang van de zwarte lijsten blijkt. Voor zover dat al klopt, geldt dat daarmee niet is geoordeeld dat iedere te publiceren uiting op die website bij voorbaat rechtmatig is. Deze uitspraken leiden dus niet tot een ander oordeel dan hiervoor is gegeven.

De foto in de publicatie maakt inbreuk op het portretrecht van [A]

4.16.

[gedaagden c.s.] zegt dat ze de foto die zij in het artikel op de zwarte lijst artsen heeft gebruikt, gewoon van een website heeft afgehaald. De foto was dus al beschikbaar in het publieke domein, zo zegt zij.

4.17.

Het OM c.s. heeft gezegd dat de foto in opdracht is gemaakt. In dat geval mag de fotograaf, die het auteursrecht op de foto heeft als maker daarvan, de foto niet publiceren zonder toestemming van de geportretteerde (artikel 20 Auteurswet). Als een derde deze foto min of meer toevallig in handen krijgt, mag deze de foto ook alleen met toestemming van de geportretteerde publiceren. Die derde heeft namelijk niet meer rechten dan de maker van de foto zelf. [gedaagden c.s.] had geen toestemming van [A] om de foto op de websites te plaatsen en heeft dus inbreuk op haar portretrecht gemaakt.

De publicaties zijn in strijd met de AVG

4.18.

Het OM c.s. heeft gezegd dat en uitgelegd waarom het publiceren van de zwarte lijsten in strijd is met artikel 33, 35 en 36 van de AVG. [gedaagden c.s.] heeft dit niet tegengesproken en de voorzieningenrechter komt dit ook juist voor.

[gedaagde sub 1] is in privé aansprakelijk

4.19.

[gedaagden c.s.] vindt dat de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] in privé moeten worden afgewezen, omdat haar in privé geen verwijt kan worden gemaakt. De websites waar de uitlatingen op staan, staan op naam van SIN-NL en worden door die stichting beheerd. De inhoud op die sites valt dus onder de verantwoordelijkheid van SIN-NL. [gedaagde sub 1] handelt als voorzitter van SIN-NL en binnen de doelstelling van die stichting, zo zegt [gedaagden c.s.]

4.20.

De voorzieningenrechter oordeelt anders. Personen zijn in privé aansprakelijk voor op eigen titel geschreven teksten en daar gaat het in dit geval om. Het artikel op zwarte lijst artsen gaat namelijk over wat er volgens [gedaagde sub 1] gebeurd is in de strafzaak tegen haar in privé. Het gaat niet over het algemene doel van de stichting: het verbeteren van de positie van slachtoffers van medische fouten. De uitlatingen op de zwarte lijst rechters grijpen op het artikel op de zwarte lijst artsen terug.

Het OM c.s. heeft gezegd dat [gedaagde sub 1] ook zelf in staat is de teksten van de websites te verwijderen. Zij heeft dit niet ontkend, dus de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat ze dit kan.

De vorderingen worden toegewezen

4.21.

Alles bij elkaar genomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de publicaties onrechtmatig zijn en dat beide gedaagden hierop kunnen worden aangesproken. De vorderingen van het OM c.s. tot verwijdering daarvan worden daarom toegewezen. Het hele artikel op de zwarte lijst artsen moet worden verwijderd. Als de vier onrechtmatige uitlatingen en de foto worden weggedacht, blijft er één zin over: “[A] van Justitie Parket [regio] . Betrokken bij de behandeling van medische zaken oa inzake falende artsen” en deze zin rechtvaardigt geen opname op de zwarte lijst. De uitlatingen over [A] in de artikelen op de zwarte lijst rechters moeten ook worden verwijderd.

Zowel SIN-NL als [gedaagde sub 1] worden dus veroordeeld tot het verwijderen van het artikel en de uitlatingen.

4.22.

De gevorderde dwangsom wordt toegewezen.

4.23.

[gedaagden c.s.] heeft ongelijk gekregen en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van het OM c.s. Die kosten worden begroot op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht 639,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.718,01

De tegenvordering wordt niet toegelaten

4.24.

[gedaagde sub 1] heeft op de zitting een tegenvordering tot het vergoeden van schade willen instellen, maar dat kan niet. Een (tegen)vordering in een handelskortgeding, zoals dit, kan alleen worden gedaan door een advocaat. De advocaat van [gedaagde sub 1] heeft de vordering niet ingesteld. [gedaagde sub 1] zelf is wel jurist, maar geen advocaat. De tegenvordering wordt daarom niet toegelaten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagden c.s.] om het artikel op de zwarte lijst artsen en de uitlatingen op de zwarte lijst rechters binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van de websites te verwijderen en verwijderd te houden,

5.2.

beveelt [gedaagden c.s.] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis een verzoek in te (doen) dienen bij internetzoekmachine Google, onder indiening van het vonnis bij Google, om de artikelen en alle verwijzingen daarnaar te (doen) verwijderen uit de zoekresultaten van deze zoekmachine en uit het “chachegeheugen” daarvan, onder gelijktijdige toezending van een kopie van deze verzoeken aan de advocaat van het OM c.s.,

5.3.

veroordeelt [gedaagden c.s.] om aan het OM c.s. een dwangsom te betalen van € 5.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 en 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagden c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van het OM c.s. tot op vandaag begroot op € 1.718,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [gedaagden c.s.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden c.s.] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2019.1

1 type: MB (4209)