Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4953

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-10-2019
Datum publicatie
07-11-2019
Zaaknummer
486685 / FO RK 19-1293
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Nederlandse rechtbank niet bevoegd om van zaak kennis te nemen als gewone verblijfplaats van kind op Bonaire is bepaald (samenloop Haags Kinderbeschermingsverdrag en Brussel II bis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/486685 / FO RK 19-1293 (gezamenlijk gezag)

Beschikking van 30 oktober 2019

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R. Plieger,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Veen.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) is betrokken op grond van artikel 810 Rv.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De vader heeft op 16 augustus 2019 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift waarin de vader heeft verzocht te bepalen dat hij voortaan gezamenlijk met de moeder met het gezag over [voornaam van minderjarige] wordt belast.

1.2.

De moeder heeft op 18 september 2019 een verweerschrift ingediend.

1.3.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 19 september 2019.

Verschenen zijn de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en mevrouw

I. [A] namens de Raad.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad.

2.2.

Uit deze relatie is geboren:

- [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .

2.3.

De vader heeft [voornaam van minderjarige] erkend. De moeder is alleen belast met het gezag over [voornaam van minderjarige] .

2.4.

[voornaam van minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.

2.5.

Partijen en [voornaam van minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De vader heeft de rechtbank verzocht om hem voortaan samen met de moeder met het gezag over [voornaam van minderjarige] te belasten.

3.2.

De moeder heeft verweer gevoerd. Zij vindt allereerst dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. Subsidiair vindt de moeder dat de vader niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de beslissing op het verzoek van de vader moet worden aangehouden met een periode van twaalf, doch tenminste zes maanden. De moeder vraagt aanhouding om vast te kunnen stellen of het in het belang van [voornaam van minderjarige] is om de ouders te belasten met het gezamenlijk gezag in de situatie dat [voornaam van minderjarige] op [woonplaats 2] woont en de vader in Nederland. Zo nodig kan de Raad voor de Kinderbescherming, zowel in Nederland als op [woonplaats 2] hierover adviseren.

Is de Nederlandse rechter bevoegd?

3.3.

De vader vindt dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de moeder en [voornaam van minderjarige] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift (16 augustus 2019) in [woonplaats 3] woonden. De moeder heeft zich daartegen verweerd. Zij heeft gesteld dat zij weliswaar feitelijk in [woonplaats 3] woonde met [voornaam van minderjarige] , maar dat hun gewone verblijfplaats altijd [woonplaats 2] is gebleven.

3.4.

Voordat de rechtbank kan overgaan op de inhoudelijke behandeling van het verzoek, zal de rechtbank eerst moeten beslissen of zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. De rechtbank is van oordeel dat zij in dit geval onbevoegd is. Zij zal hieronder uitleggen waarom. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid op het moment dat de vader zijn verzoekschrift indiende, te weten 16 augustus 2019. Omdat de vader stelt dat de gewone verblijfplaats van [voornaam van minderjarige] op dat moment in Nederland was en de moeder stelt dat de gewone verblijfplaats van [voornaam van minderjarige] toen [woonplaats 2] was, heeft de vraag over de bevoegdheid een zogeheten interregionaal karakter. Daarvoor geldt het volgende.

3.5.

Op grond van artikel 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk (hierna: Statuut) kunnen bij rijkswet regels worden gesteld over privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard. Een dergelijke regeling ontbreekt echter. Op grond van een uitspraak van de Hoge Raad van 2 mei 20141 dient de Nederlandse rechter in dat geval voor wat betreft zijn bevoegdheid zoveel mogelijk aan te sluiten bij de in de internationale verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen. Alleen als dergelijke internationale verdragen en verordeningen ontbreken of zich niet voor overeenkomstige toepassing lenen, dient de Nederlandse rechter zijn rechtsmacht te bepalen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 1 tot en met 14 Rv.

3.6.

In deze zaak is sprake van een geschil over het gezag, dus over de ouderlijke verantwoordelijkheid. De rechtbank zal op grond van de uitspraak van de Hoge Raad in dit geval moeten onderzoeken of overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheidsbepalingen van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003, betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna:

Brussel II bis) of aan de bevoegdheidsbepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Om dit te kunnen beoordelen, zal de rechtbank eerst moeten bepalen waar [voornaam van minderjarige] haar gewone verblijfplaats heeft op 16 augustus 2019.

3.7.

De gewone verblijfplaats is de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt2. De gewone verblijfplaats van het kind dient te worden bepaald aan de hand van alle feitelijke omstandigheden van het concrete geval. Daarbij moet rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waarin uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen zoals de koop of huur van een woning of de aanvraag voor een sociale woning in de lidstaat van ontvangst, kan een aanwijzing zijn voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats. Voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar de lidstaat van ontvangst geldt vooral de wens van de betrokkene om daar het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. De duur van het verblijf kan bij de beoordeling van de bestendigheid van de verblijfplaats dus slechts een aanwijzing vormen. Bovendien kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Doorgaans is de omgeving van een jong kind, zoals [voornaam van minderjarige] in dit geval, in wezen een familiale omgeving. Van deze omgeving is of zijn bepalend de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen.

3.8.

Ten aanzien van de gewone verblijfplaats van [voornaam van minderjarige] neemt de rechtbank de volgende door de moeder gestelde en door de vader onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden in aanmerking. De vader en de moeder hebben elkaar in 2015 op [woonplaats 2] leren kennen. De moeder woonde daar sinds september 2012, waar zij samen met haar vader een horecaonderneming exploiteert. De moeder is gedeeltelijk eigenaar van die onderneming. De vader werkte op uitzendbasis op [woonplaats 2] . Na een korte terugkeer naar Nederland is hij in februari 2016 weer naar [woonplaats 2] gegaan. In maart 2016 werd duidelijk dat de moeder zwanger was. [voornaam van minderjarige] is in november 2016 op [woonplaats 2] geboren. Partijen hebben tot oktober 2018 op [woonplaats 2] gewoond. De man is begin oktober 2018 alleen teruggekeerd naar Nederland. Hij is toen bij zijn ouders in Arnhem gaan wonen en vond werk in Nederland. De moeder had in die periode zakelijke problemen met haar onderneming op [woonplaats 2] . Zij heeft

-mede daarom - in de zomer 2018 besloten om naar Nederland te gaan en te proberen haar relatie met de vader in stand te houden. Zij is eind oktober 2018 met [voornaam van minderjarige] bij haar oom in [woonplaats 3] gaan wonen. Zij en [voornaam van minderjarige] zijn ingeschreven blijven staan op [woonplaats 2] . Haar werkzaamheden voor haar onderneming op [woonplaats 2] is zij blijven doen. In de maanden daarna hebben partijen geprobeerd hun relatie in stand te houden. De vader is bij de moeder (en oom) in [woonplaats 3] komen wonen. Na een paar maanden eindigde de relatie op 1 januari 2019. De vader is daarop weer bij zijn ouders gaan wonen. [voornaam van minderjarige] is bij haar moeder blijven wonen en heeft nadien af en toe omgang met haar vader gehad. De moeder is met [voornaam van minderjarige] in de maanden mei en juni 2019 op [woonplaats 2] geweest. In die periode heeft zij besloten om terug te keren naar [woonplaats 2] en met haar vader de ondernemingen op [woonplaats 2] verder te exploiteren. Zij heeft dit met de vader van [voornaam van minderjarige] besproken en hij heeft ingestemd met het besluit van de moeder om met [voornaam van minderjarige] terug te keren naar [woonplaats 2] . De moeder heeft daarop in de zomer 2019 haar vertrek naar [woonplaats 2] geregeld. Ook heeft zij daar een huis gekocht. Op 20 september 2019 zijn de moeder en [voornaam van minderjarige] daadwerkelijk teruggekeerd naar [woonplaats 2] .

3.9.

De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden samen de conclusie rechtvaardigen dat de gewone verblijfplaats van [voornaam van minderjarige] , die gelet op haar jonge leeftijd, nauw verbonden is met die van haar moeder, op [woonplaats 2] is gebleven ten tijde van de indiening van het verzoekschrift op 16 augustus 2019. Hoewel [voornaam van minderjarige] met haar moeder op dat moment feitelijk nog in [woonplaats 3] verbleven, was op dat moment voldoende duidelijk dat de moeder met [voornaam van minderjarige] korte tijd later definitief zou terugkeren naar [woonplaats 2] . [voornaam van minderjarige] heeft via haar moeder meer en sterkere banden met [woonplaats 2] dan met Nederland.

3.10.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [voornaam van minderjarige] op [woonplaats 2] is, is Brussel II bis niet van overeenkomstige toepassing, omdat deze verordening alleen geldt voor EU-lidstaten. [woonplaats 2] maakt daar geen onderdeel van uit.

3.11.

De rechtbank zal beoordelen of het HKBV 1996 van overeenkomstige toepassing kan worden verklaard. De rechtbank stelt vast dat het verzoek valt binnen de temporele reikwijdte van het HKBV 1996, aangezien dit verdrag op 1 mei 2011 in werking is getreden en het verdrag van toepassing is op maatregelen na deze datum3. De rechtbank stelt verder vast dat het Koninkrijk der Nederlanden het HKBV 1996 niet alleen voor het Nederlandse deel heeft geratificeerd, maar ook voor een gedeelte van het Caribisch gebied, waaronder [woonplaats 2]4. De zaak valt dus ook binnen de formele reikwijdte van het verdrag, aangezien het verdrag rechtsmacht toekent aan de verdragsluitende staten waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft en dat is in dit geval [woonplaats 2] . Tot slot is het HKBV 1996 van toepassing op maatregelen ter bescherming van de persoon en het vermogen van het kind, meer in het bijzonder met betrekking tot gezagsrechten5. De rechtbank stelt daarmee vast dat ook aan de materiële reikwijdte van het verdrag is voldaan.

3.12.

Artikel 5 lid 1 van het HKBV 1996 kent rechtsmacht toe aan de verdragsluitende staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Omdat de conclusie is dat de gewone verblijfplaats van [voornaam van minderjarige] [woonplaats 2] is, is de Nederlandse rechter niet bevoegd om over deze zaak met betrekking tot het ouderlijk gezag te oordelen. De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren.

3.13.

De rechtbank beslist als volgt.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart zich onbevoegd om van het verzoek van de vader kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hoogeveen-van de Vrede, als griffier, en in het openbaar uitgesproken op

30 oktober 2019.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

1 ECLI:NL:HR:2014:1063, uitspraak van 2-5-2014.

2 ECLI:EU:C:2009:225 en ECLI:EU:C:2010:829

3 Artikel 53 HKBV 1996

4 Trb. 2011, 166

5 Artikel 1 jo. artikel 3, aanhef en onder b HKBV 1996