Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:493

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
6703013 UC EXPL 18-2402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wie contractspartij, Kribbebijter-maatstaf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 6703013 UC EXPL 18-2402 ID/963

Vonnis van 9 januari 2019

inzake

[eiseres] , h.o.d.n. [handelsnaam 1] ,

wonende en zaakdoende te [woon-/vestigingsplaats] , gemeente Zuidplas,

verder ook te noemen: [eiseres] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.M.C. Dorrepaal,

tegen:

[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam 2],

wonende en zaakdoende te [woon-/vestigingsplaats] , gemeente de Ronde Venen,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde was: mr. G.C. Haulussy.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 25 juli 2018,

- de conclusie van repliek in conventie en conclusie van antwoord in reconventie,

- de schriftelijke reactie van [gedaagde] aan te merken als conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie,

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Bij het vonnis in incident is toegestaan dat [gedaagde] de stichting Nusantara Zorg (hierna: de stichting) in vrijwaring oproept door de stichting te dagvaarden tegen de terechtzitting van 22 augustus 2018. Dat is niet gebeurd.

1.3.

Op 28 augustus 2018 heeft mr. Haulussy zich onttrokken als gemachtigde, waarna zich geen nieuwe gemachtigde voor [gedaagde] heeft gesteld.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiseres] vordert in conventie - kort gezegd - [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.612,94, te vermeerderen met rente, voor recht te verklaren dat [gedaagde] geen gebruiksrecht mag uitoefenen op bepaalde portretfoto’s zolang hij de onderliggende facturen niet volledig heeft betaald en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 705,65 aan buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten, waaronder de beslagkosten van € 587,28, te vermeerderen met rente, en de nakosten, te vermeerderen met rente.

2.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij in opdracht van [gedaagde] portretfoto’s heeft gemaakt, die zijn bedoeld voor de illustratie van de cover van en de interviews in een door [gedaagde] te maken boek. Deze foto’s heeft zij via e-mails met daarin linken naar een online webgalerij aan [gedaagde] toegezonden. [eiseres] heeft voor haar werkzaamheden facturen gestuurd aan [gedaagde] , die hij grotendeels heeft voldaan. [gedaagde] heeft de laatste drie facturen echter ondanks sommatie onbetaald gelaten. [eiseres] heeft daarop ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd onder de Rabobank. [eiseres] vordert nu betaling van de openstaande bedragen, primair op grond van nakoming van de overeenkomst, subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking, vergoeding van de door haar gemaakte kosten, te vermeerderen met rente, en een verklaring voor recht dat [gedaagde] de betreffende foto’s niet mag gebruiken, zolang de openstaande facturen niet volledig zijn betaald.

[gedaagde] voert hiertegen verweer.

2.3.

[gedaagde] vordert in reconventie - kort gezegd - [eiseres] te veroordelen aan hem het gebruiksrecht te geven van de al betaalde portretfoto’s, op straffe van een dwangsom, en -onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden afgewezen - voor recht te verklaren dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van hem conservatoir derdenbeslag te leggen, dat beslag op te heffen en [eiseres] te veroordelen tot vergoeding van de door hem als gevolg van die beslaglegging geleden schade nader op te maken bij staat, een en ander met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

2.4.

[gedaagde] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij namens de stichting opdracht heeft gegeven aan [eiseres] tot het maken van de portretfoto’s en dat hij namens de stichting bedragen heeft betaald voor de gemaakte foto’s. Desondanks heeft [eiseres] alleen inzage verstrekt op die foto’s via een online fotogalerij. Daardoor is het niet mogelijk de portretfoto’s te downloaden voor gebruik in het boek van [gedaagde] . [gedaagde] vordert daarom [eiseres] te gebieden hem het gebruiksrecht daarop te geven. Nu niet hij, maar de stichting als contractspartij van [eiseres] gehouden is tot betaling van de openstaande facturen, heeft [eiseres] ten onrechte ten laste van hem conservatoir derdenbeslag gelegd. Hij vordert om die reden opheffing van dit beslag en schadeloosstelling door [eiseres] .

[eiseres] voert hiertegen verweer.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag wie als contractpartij van [eiseres] moet worden aangemerkt: [gedaagde] , zoals [eiseres] stelt, of de stichting, zoals [gedaagde] stelt. Naar het oordeel van de kantonrechter is het gelijk aan de zijde van [eiseres] om de volgende redenen.

3.2.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van hetgeen hij en die ander daarover naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die daarbij in aanmerking moeten worden genomen behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. De vraag op welke wijze de aangesproken partij zich daarna tegenover een derde heeft gepresenteerd is vooral van belang voor de vraag naar de gebondenheid jegens die derde en komt in dit verband weinig betekenis toe.

3.3.

Vast staat dat [gedaagde] [eiseres] in persoon heeft benaderd met het verzoek portretfoto’s te maken van personen die zouden worden geïnterviewd voor een boek dat [gedaagde] zou gaan schrijven en uitbrengen in samenwerking met de stichting. Deze foto’s zouden worden gebruikt als illustraties in het boek en voor de cover van het boek. Dat [gedaagde] daarbij aan [eiseres] heeft gezegd dat hij namens de stichting optrad, is niet gesteld of gebleken. [gedaagde] heeft vervolgens mondeling akkoord gegeven op de door [eiseres] uitgebrachte offertes. Dat hij daarbij heeft vermeld dat dat namens de stichting was, is evenmin gesteld of gebleken. Op welke wijze [gedaagde] zich dan wel naar [eiseres] toe zou hebben gepresenteerd als gevolmachtigde van de stichting heeft [gedaagde] niet toegelicht en onderbouwd. De hoedanigheid waarin [gedaagde] naar zijn zeggen optrad, was voor [eiseres] ook niet op andere wijze kenbaar. [gedaagde] vervult immers geen formele rol binnen de stichting, zoals blijkt uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Hij werkt(e) naar zijn zeggen als ZZP-er in opdracht van de stichting. Dat wordt weliswaar bevestigd in de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [gedaagde] en de stichting (productie 1 [gedaagde] ), maar de inhoud daarvan was niet kenbaar voor [eiseres] . Uit de overlegde e-mail van [eiseres] aan een derde met als onderwerp: “Achtergrondinformatie van het project van [gedaagde] ” (productie 4 [gedaagde] ) kan niet worden afgeleid dat [eiseres] wist dat de stichting haar opdrachtgever was, zoals [gedaagde] stelt. [eiseres] vermeldt daarin alleen dat [gedaagde] een boek aan het schrijven is dat hij nog voor het einde van 2016 wil publiceren, mede in opdracht van de stichting, en dat zij contact zal opnemen met [gedaagde] om te vragen of hij contact met die derde wil opnemen. Dat zegt niets over de contractuele verhoudingen tussen [eiseres] , [gedaagde] en de stichting. Uit de overgelegde stukken valt niet op te maken dat [eiseres] op enig moment heeft verklaard of bevestigd dat de stichting haar eigenlijke opdrachtgever was.

3.4.

Verder staat vast dat [eiseres] altijd met [gedaagde] contact heeft gehad over de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden en over de voortgang en de resultaten daarvan. [eiseres] heeft op aangeven van [gedaagde] ook al haar offertes, facturen en berichten met daarin de linken naar de door haar gemaakte foto’s op de online fotogalerij per e-mail naar [gedaagde] gestuurd. [eiseres] heeft haar eerste offerte en eerste factuur aan [gedaagde] gericht, zonder dat daarin op enigerlei wijze wordt verwezen naar de stichting. Bij de tweede offerte en de verdere facturen heeft zij op verzoek van [gedaagde] de geadresseerde gewijzigd in “Stichting Nusantara Zorg p/a [gedaagde] [..] en [...] ”. Deze zijn verder onveranderd aan [gedaagde] gericht en toegezonden. Zo vraagt [eiseres] in haar begeleidende e-mail bij de facturen betreffende de tweede termijn of [gedaagde] het eerste factuurbedrag per direct zou kunnen overmaken in verband met reeds gemaakte kosten en liquiditeitsproblemen (zie productie 3 [gedaagde] ). De eerste acht facturen van [eiseres] zijn ook door [gedaagde] aan [eiseres] voldaan. Dat hij daarbij heeft aangegeven dat dit namens de stichting was, is niet gesteld of gebleken. Volgens [gedaagde] heeft hij deze facturen van [eiseres] voorgeschoten uit eigen middelen. Dit wordt bevestigd in de overgelegde e-mail van [gedaagde] aan de heer [A] en de heer [B] van de stichting van 10 augustus 2017 (zie productie 3 [gedaagde] ), waarin [gedaagde] schrijft dat hij de door derden voor het project gemaakte kosten, zoals de kosten van [eiseres] , die hij tot dan toe uit de voldoening van zijn eigen declaraties heeft voorgeschoten, alsnog zal doorberekenen aan de stichting. Dat [eiseres] daarvan destijds ook op de hoogte was, blijkt echter nergens uit. Uit dit alles blijkt dat [gedaagde] zich naar [eiseres] toe steeds als contractspartij heeft gedragen. Vast staat dat de stichting twee facturen betreffende de negende en de tiende termijn rechtstreeks aan [eiseres] heeft voldaan. Uit de e-mail van de heer [B] aan [eiseres] (productie 44 [eiseres] ) blijkt evenwel dat dit uit coulance is gedaan. De heer [B] schrijft dat niet de stichting de contractspartij van [eiseres] is, maar [gedaagde] , die de opdracht heeft gegeven en ook “het portretrecht” wenst te behouden, dat de nota’s niet aan de stichting zijn doorgestuurd en de stichting daar nooit van op de hoogte is geweest en dat de stichting in de toekomst ook geen facturen meer van [eiseres] zal accepteren. Dit verklaart waarom de stichting nooit heeft geageerd jegens [eiseres] . Tot slot staat vast dat tussen [eiseres] en de stichting nooit enig contact heeft plaatsgevonden, totdat [eiseres] op advies van [gedaagde] een betalingsherinnering aan de stichting heeft gestuurd voor de onbetaald gebleven facturen.

3.5.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden samen en in onderlinge samenhang bezien komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] als contractspartij van [eiseres] heeft te gelden.

3.6.

Dit betekent dat [gedaagde] de openstaande facturen van [eiseres] moet voldoen. Die facturen zien namelijk op werkzaamheden die [eiseres] in zijn opdracht en voor zijn rekening heeft verricht. De door [eiseres] gevorderde factuurbedragen zullen worden toegewezen.

3.7.

Volgens [eiseres] dienden de facturen binnen veertien dagen na de factuurdatum te zijn betaald en werd daarna over het factuurbedrag de wettelijke handelsrente plus 2% verschuldigd. Dit is door [gedaagde] niet weersproken, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Nu [gedaagde] de facturen niet binnen de overeengekomen betalingstermijn heeft voldaan, is hij de overeengekomen vertragingsrente over de openstaande bedragen aan [eiseres] verschuldigd. Dit onderdeel van het gevorderde zal ook worden toegewezen.

3.8.

[eiseres] vordert voor recht te verklaren dat [gedaagde] tot aan het moment van algehele voldoening van de onbetaalde facturen niet gerechtigd is enig gebruiksrecht uit te oefenen ten aanzien van de portretfoto’s waarop de onbetaalde facturen betrekking hebben, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per onrechtmatig gebruikte portretfoto. De kantonrechter kan op grond van artikel 3:302 BW alleen een verklaring voor recht uitspreken omtrent een rechtsverhouding van partijen. De gevorderde verklaring voor recht ziet daar niet op en zal daarom worden afgewezen.

3.9.

[eiseres] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen.

3.10.

[eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de beslagkosten, die zijn gemaakt in het kader van het door [eiseres] ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire derdenbeslag. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, nu er geen sprake is van een onrechtmatig (of onnodig of nietig) beslag. De beslagkosten worden begroot op € 507,41 inclusief btw, bestaande uit € 219,00 aan griffierecht, € 288,41 aan verschotten (€ 205,43 en € 82,98). De daarover gevorderde rente zal worden toegewezen met inachtneming van de in 4.3 bepaalde termijn.

3.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 118,59 (inclusief btw)

- salaris gemachtigde 600,00 (2,0 punten × tarief € 300,00)

Totaal € 718,59

3.12.

De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, worden hierna in 4.5 begroot.

3.13.

De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zal worden toegewezen met inachtneming van de in 4.4 en 4.5 bepaalde termijnen.

3.14.

[gedaagde] vordert in reconventie [eiseres] te gebieden aan hem het gebruiksrecht te geven voor de al betaalde foto’s op straffe van een dwangsom. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] hem alleen inzage verstrekt op de foto’s via een online fotogalerij en is het niet mogelijk die foto’s te downloaden. [eiseres] stelt hier tegenover dat het wel mogelijk is de foto’s te downloaden via de door haar aan [gedaagde] verstrekte linken naar de fotogalerij. Nu [gedaagde] niet nader heeft toegelicht en onderbouwd waarom dit niet kan, kan niet worden vastgesteld dat [eiseres] de gemaakte afspraken op dit punt niet is nagekomen. Daar komt nog bij dat [eiseres] [gedaagde] meerdere malen heeft aangeboden om foto’s in hoge resolutie via We Transfer toe te sturen. Van die mogelijkheid heeft [gedaagde] nooit gebruik gemaakt. De vordering zal daarom worden afgewezen.

3.15.

[gedaagde] heeft zijn vorderingen die zien op het door [eiseres] gelegde conservatoire derdenbeslag ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden afgewezen. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, komt de kantonrechter aan beoordeling van die vorderingen niet toe.

3.16.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 300,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × tarief € 300,00 x 0,5).

4 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 6.612, 94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente plus 2% over:

- € 2.386,98 vanaf 12 november 2017,

- € 1.823,12 vanaf 6 december 2017 en

- € 2.402,84 vanaf 16 januari 2018,

tot de dag van algehele voldoening,

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 705,65 aan buitengerechtelijke incassokosten,

4.3.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 507,41, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis,

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 718,59, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.5.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening,

4.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.8.

wijst het gevorderde af,

4.9.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 300,00 aan salaris gemachtigde,

4.10.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.