Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4920

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
16/068535-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verantwoordelijk gehouden voor verduistering van een lading koper ter waarde van € 109.328,33. Zijn aangifte van diefstal van zijn truck met de lading koper is daarom vals. Verdachte heeft ook bij zijn verzekeraar geprobeerd zijn schade vergoed te krijgen en op die manier zijn verzekeraar op te lichten. De rechtbank veroordeelt verdachte daarom voor het doen van valse aangifte, poging tot oplichting en verduistering.

Bij de strafoplegging zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Alhoewel sprake is van drie feiten, is de rechtbank van oordeel dat de oriëntatiepunten betreffende fraude, gelet op het geheel van feiten en omstandigheden, een goed uitgangspunt vormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/068535-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 oktober 2019

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1970] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 augustus 2019 en 11 oktober 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. G.A. Hoppenbrouwers en van hetgeen verdachte en mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht en de advocaat van de benadeelde partij mr. C. van der Mark, advocaat te Houten, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1:

op 12 juni 2017 te Veenendaal een valse aangifte van een strafbaar feit heeft gedaan;

feit 2:

op 12 juni 2017 te Veenendaal in vereniging heeft geprobeerd Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V. op te lichten door hen schade te laten vergoeden door melding te doen van een valse diefstal van een vrachtwagencombinatie met lading;

feit 3 (primair):

in de periode van 10 juni 2017 tot en met 12 juni 2017 te Veenendaal in vereniging 23 ton kopergranulaat, toebehorende aan [benadeelde] B.V., heeft verduisterd;

(subsidiair)

in de periode van 10 juni 2017 tot en met 12 juni 2017 te Veenendaal in vereniging 23 ton kopergranulaat, toebehorende aan [benadeelde] B.V. heeft gestolen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, waaronder het proces-verbaal van de waarnemingen van de camerabeelden, het proces-verbaal met betrekking tot de informatie van het remsysteem van de vrachtwagen, het door I-TEK B.V. uitgevoerde onderzoek in opdracht van Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Delta Lloyd) en de verklaring van getuige [getuige 1] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en stelt daartoe dat verdachte geen belang heeft bij het opzettelijk verduisteren van de koperlading en het oplichten van Delta Lloyd, dat de verklaring van getuige [getuige 1] aantoonbaar onjuist is en dat de verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaringen van de vader van verdachte en door getuige [getuige 2] .

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Op 8 juni 2017 plaatste het Duitse bedrijf [bedrijf 1] GmbH een order van 23.190 kilogram koper bij het Zwitserse bedrijf [bedrijf 2] SA. De totale waarde van deze lading kopergranulaat bedroeg € 109.328,33.2 [benadeelde] B.V. was de contractuele vervoerder3 en heeft [bedrijf 3] B.V., althans verdachte, als ondervervoerder ingehuurd.4

Op 12 juni 2017 omstreeks 02:50 uur werd in Akkrum een truck met oplegger van [bedrijf 3] B.V. aangetroffen, waarvan de cabine in brand stond en de oplegger gevuld was met lege vaten.5 Op diezelfde dag deed verdachte aangifte van diefstal. Hij verklaarde dat hij de truck met oplegger voor het laatst had gezien op 10 juni 2017 om 15:00 uur, toen hij de truck achter het bedrijfspand had achtergelaten en dat er toen 23 ton koper in de oplegger aanwezig was.6

Op 7 december 2017 deed Delta Lloyd aangifte van valsheid in geschrifte en poging tot oplichting c.q. bedrog door verdachte. Aangever [aangever] verklaarde dat verdachte op 12 juni 2017 bij Delta Lloyd melding had gedaan van de diefstal van zijn truck, inclusief de lading van 23 ton kopergranulaat.7 Uit de bijlage bij de aangifte blijkt dat verdachte zijn aangifte van 12 juni 2017 ter beschikking stelde aan Delta Lloyd.8

Uit een proces-verbaal van camerabeelden blijkt dat op beelden van 10 juni 2017 het volgende is waargenomen. Om 10:13 uur arriveerde de truck met oplegger bij het pand dat hoort bij [bedrijf 3] B.V. op het adres [adres] te [vestigingsplaats] .9 Om 10:50 uur stond de truck rechts naast het bedrijfspand achteruit ingeparkeerd op het terrein van [adres] . Om 14:30 uur arriveerde een rode Subaru Vivio die op het terrein van [bedrijf 4] werd geparkeerd, tegenover [bedrijf 3] . De politie vermoedt dat de bestuurder van deze personenauto verdachte is. Verdachte heeft verklaard zich op de beelden te herkennen.10 Verdachte werd op de beelden ook herkend door [aangever] en [A] , tactisch onderzoekers van onderzoeksbureau I-TEK B.V.11

Om 14:34 uur stapte een persoon, vermoedelijk verdachte,12 in de truck en om 14:38 uur vertrok de truck vanaf de [adres] .13

Uit de door I-TEK B.V. verstrekte data bleek dat de truck op 10 juni 2017 om 14:36 uur een rit van 2 uur en 4 minuten heeft gereden en dat het totaalgewicht tijdens die rit 26,8 ton bedroeg. De volgende rit ving aan op dezelfde dag om 18:49 uur, waarbij het totaalgewicht nog 7,6 toen bedroeg. De eerstvolgende rit daarna vond pas plaats na het aantreffen van de truck in Akkrum.14 De politie heeft daarom geconcludeerd dat het lossen van de lading kennelijk op 10 juni 2017 tussen 16:38 uur en 18:49 uur heeft plaatsgevonden.15

Uit de camerabeelden is voorts gebleken dat op 10 juni 2017 om 23:21 uur een witte bestelauto arriveerde bij het terrein van [bedrijf 3] , de bestuurder uitstapte en vervolgens in de eerder genoemde rode Subaru Vivio stapte, waarmee hij vervolgens naar het terrein van [bedrijf 3] is gereden.16 Tussen 23:22 uur en 23:27 uur gaat de verlichting in het kantoor van [bedrijf 3] aan en kort daarna weer uit, en vertrekt de Rode Subaru Vivio bij het pand van [bedrijf 3] .17

De vader van verdachte, [getuige 3] , verklaarde dat verdachte de vaste bestuurder was van de uitgebrande truck, dat alleen verdachte binnen het bedrijf met deze vrachtauto reed en dat de truck op 10 juni 2017 omstreeks 11:00 uur al rechts van het pand stond geparkeerd.18 Verder is uit het door I-TEK B.V. uitgevoerde onderzoek gebleken dat [bedrijf 3] op 6 juni 2017 (vier dagen voor het verdwijnen van de truck met de lading koper) failliet is verklaard19 en dat verdachte op 13 juni 2017 een openstaande schuld aan [bedrijf 5] B.V. contant heeft voldaan.20 Ten slotte verklaarde de toenmalige vriendin van verdachte dat zij op 10 juli 2017 16 dagen samen met haar twee kinderen op vakantie zijn geweest naar Egypte en dat verdachte die reis contant heeft betaald bij het reisbureau.21

Verdachte verklaarde ter terechtzitting van 11 oktober 2019 dat zijn vader op papier eigenaar is van [bedrijf 3] B.V., maar dat hij (verdachte) alles regelt en dat hij één van de bestuurders is van de rode Subaru Vivio.22

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte de later uitgebrande truck met oplegger, met als inhoud 23 ton kopergranulaat, op 10 juni 2017 tussen 10:13 uur en 10:50 uur op het terrein van [bedrijf 3] B.V. heeft geparkeerd. Daarnaast is de rechtbank op grond van de camerabeelden, de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting ervan overtuigd dat verdachte de persoon is geweest die omstreeks 14:30 uur arriveerde in de rode Subaru Vivio en vervolgens in de truck is gestapt en met de oplegger beladen met koper is weggereden. De rechtbank wordt gesterkt in deze overtuiging door de verklaring van de vader van verdachte, die stelt dat verdachte de enige was die in de truck reed.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij die middag niet in de truck is gestapt en erin is weggereden, dat hij geen idee heeft wie dit zou zijn geweest en dat hem niet is opgevallen dat de vrachtwagen niet meer op het terrein van zijn bedrijf stond, acht de rechtbank, onder andere vanwege de stelling van verdachte dat hij alles binnen het bedrijf regelt, ongeloofwaardig.

Verdachte beschikte op 10 juni 2017 vanaf 14:30 uur over de truck met de lading kopergranulaat. Uit het technisch onderzoek is gebleken dat de truck niet is gestopt tot 16:40 uur en om 18:49 uur in onbeladen toestand weer ging rijden. Verdachte was daarom in ieder geval om 16:40 uur bij de truck en heeft geen andere aannemelijke verklaring gegeven waar hij die middag was en wat zich met betrekking tot de truck heeft afgespeeld.

Deze omstandigheden, in combinatie met de waarde die het verdwenen koper vertegenwoordigde, de vaststelling dat [bedrijf 3] vier dagen eerder failliet was verklaard, verdachte op 13 juni 2017 een openstaande schuld contant heeft afbetaald en een maand later een vakantie van 16 dagen naar Egypte voor zichzelf, zijn partner en haar twee kinderen heeft betaald, wijzen zodanig op betrokkenheid van verdachte bij het aan hem onder feit 3 primair ten laste gelegde feit, dat van hem enige verklaring mag worden verlangd. Verdachte heeft gedurende het onderzoek van I-TEK B.V., het politieonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting echter verklaringen afgelegd die worden weersproken door de bewijsmiddelen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verdachte de persoon is geweest die zich de lading kopergranulaat op 10 juni 2017 wederrechtelijk heeft toegeëigend en acht het aan hem onder feit 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De stelling van de verdediging dat verdachte geen belang zou hebben bij het verduisteren van het kopergranulaat, wordt niet gevolgd, nu het koper een hoge geldelijke waarde vertegenwoordigde.

In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd, nu wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zelf het kopergranulaat heeft verduisterd en deze niet door een onbekend gebleven persoon is weggenomen.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat verdachte in de periode na 12 juni 2017 een valse melding heeft gedaan van diefstal van een vrachtwagencombinatie met lading bij Delta Lloyd en het voornoemde proces-verbaal van aangifte aan Delta Lloyd ter beschikking gesteld met het oogmerk om Delta Lloyd ertoe te bewegen schade te vergoeden. Gelet op de bovengenoemde bewijsmiddelen en overwegingen is de rechtbank ook van oordeel dat verdachte op 12 juni 2017 te Veenendaal gepoogd heeft om Delta Lloyd op te lichten en acht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Medeplegen

De rechtbank stelt ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde vast dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander en derhalve van medeplegen door verdachte. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van deze feiten dan ook vrijspreken van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging’.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1:

op 12 juni 2017 te Veenendaal aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door een onbekend gebleven persoon, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd;

feit 2:

op 12 juni 2017 te Veenendaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Delta Lloyd Verzekeringen te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten schade te vergoeden, een melding en opgave heeft gedaan van een valse diefstal van een vrachtwagencombinatie met lading bij Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. en aan heeft gegeven dat hij de eigenaar is van [bedrijf 3] B.V. en het proces-verbaal van aangifte ter beschikking heeft gesteld aan Delta Lloyd Schadeverzekeringen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 (primair):

in de periode van 10 juni 2017 en 12 juni 2017 te Veenendaal, opzettelijk 23 ton kopergranulaat, toebehorende aan [benadeelde] B.V. en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vervoerder, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is;

feit 2:

Poging tot oplichting;

feit 3:

Verduistering.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een waardevolle lading kopergranulaat. Hij heeft hiermee misbruik gemaakt van zijn positie als vervoerder en niet alleen het vertrouwen van [benadeelde] B.V. geschaad, maar ook dat van de andere betrokken partijen. Zij hebben door het handelen van verdachte veel overlast ondervonden en financiële schade geleden.

Vervolgens heeft verdachte, teneinde zijn eigen betrokkenheid te verhullen, een valse aangifte gedaan van diefstal van zijn truck en de lading koper. Dit is een ernstig strafbaar feit nu verdachte de politie heeft misleid en ten onrechte beslag heeft gelegd op de inzet van de beperkte opsporingscapaciteiten van de politie, terwijl die middelen ingezet dienen te worden ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Dit wordt verdachte zwaar aangerekend. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot oplichting van Delta Lloyd door een valse melding te doen van een diefstal, waarmee beoogd werd Delta Lloyd ertoe te bewegen schade te vergoeden die verdachte nooit heeft geleden. Verdachte heeft gepoogd misbruik te maken van het verzekeringsstelsel en het is dan ook enkel te danken aan de oplettendheid en zorgvuldigheid van Delta Lloyd en onderzoeksbureau I-TEK B.V. dat de poging van verdachte niet is geslaagd. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Bij de strafoplegging zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Alhoewel sprake is van drie feiten, is de rechtbank van oordeel dat de oriëntatiepunten betreffende fraude, gelet op het geheel van feiten en omstandigheden, een goed uitgangspunt vormen. De oriëntatiepunten noemen in geval van fraude bij een benadelingsbedrag van € 70.000,- tot € 125.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 tot 9 maanden. Verdachte wordt verantwoordelijk gehouden voor de verduistering van een bedrag van € 109.328,33.

In het nadeel van verdachte geldt dat hij niet enkel daarvoor verantwoordelijk wordt gehouden, maar ook voor het doen van een valse aangifte en een poging tot oplichting.

Voorts weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor of inzage heeft gegeven in zijn handelen en gedurende het onderzoek heeft geprobeerd de politie en de onderzoekers om de tuin te leiden. Verdachte heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn zucht naar geldelijk gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte van 23 juli 2019. Hieruit volgt dat verdachte in de 5 jaren voorafgaand aan de onderhavige gepleegde feiten voor soortgelijke feiten niet met justitie in aanraking is gekomen. Dit werkt noch in het voordeel, noch in het nadeel van verdachte.

Gelet op voornoemde overwegingen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde

[benadeelde] B.V. heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 81.575,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 primair ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Dat betekent dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is sprake van een onevenredige belasting van het strafproces, nu het gaat om een groot bedrag en de strafrechtelijke procedure niet dezelfde procedurele waarborgen kent als het civiele proces. Ook om die reden dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 3 primair bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij de vordering voldoende heeft onderbouwd, waardeert deze schade op een bedrag van € 81.575,- en zal de vordering van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling. Gelet hierop is geen sprake van een onevenredige belasting van het strafproces. Dat het om relatief grote bedragen gaat, maakt dat niet anders.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde] B.V. aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 81.575,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 365 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] B.V. in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde

Nationale Nederlanden (rechtsopvolger van Delta Lloyd) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 17.304,42. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde feit.

9.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering integraal toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.5

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Dat betekent dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is sprake van een onevenredige belasting van het strafproces, nu het gaat om een groot bedrag en de strafrechtelijke procedure niet dezelfde procedure waarborgen kent als het civiele proces. Ook om die reden dient de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.6

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij de vordering voldoende heeft onderbouwd, waardeert deze schade op een bedrag van € 17.304,42 en zal de vordering van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling. Gelet hierop is geen sprake van een onevenredige belasting van het strafproces. Dat het om relatief grote bedragen gaat, maakt dat niet anders.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van Nationale Nederlanden (voorheen Delta Lloyd) aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 17.304,42,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling. Gelet op artikel 60a Wetboek van Strafrecht zal geen vervangende hechtenis worden opgelegd.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij Nationale Nederlanden in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 60a, 188, 321, 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 3 (drie) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij [benadeelde] B.V.

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde] B.V. toe tot een bedrag van
    € 81.575,-;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde] B.V. van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] B.V. aan de Staat € 81.575,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 365 dagen hechtenis;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij Nationale Nederlanden (voorheen Delta Lloyd)

  • -

    wijst de vordering van Nationale Nederlanden (voorheen Delta Lloyd) toe tot een bedrag van € 17.304,42;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan Nationale Nederlanden (voorheen Delta Lloyd) van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Nationale Nederlanden (voorheen Delta Lloyd) aan de Staat € 17.304,42 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2017 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Gerrits, voorzitter, mrs. Y.M. Vanwersch en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Jaâter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2019.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 12 juni 2017 te Veenendaal aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door een onbekend gebleven persoon, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd;

( art 188 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 12 juni 2017 te Veenendaal, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

Delta Lloyd Verzekeringen te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag af te geven en/of een schadebedrag uit te keren en/of schade te vergoeden,

- een melding en/of opgave heeft gedaan van een (valse) diefstal van een vrachtwagencombinatie met lading bij Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. en/of

- aan heeft gegeven dat hij de eigenaar is van [bedrijf 3] B.V. en/of

- het proces-verbaal van aangifte ter beschikking heeft gesteld aan Delta Lloyd Schadeverzekeringen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2017 en 12 juni 2017 te Veenendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

23 ton kopergranulaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als opdrachtnemer/vervoerder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2017 en 12 juni 2017 te Veenendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 23 ton kopergranulaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] B.V., in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 10 april 2019, genummerd PL0900-201938693, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 247. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een bijlage bij een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 212.

3 Een bijlage bij een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 211.

4 Een bijlage bij een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 204.

5 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 5.

6 Een proces-verbaal van aangifte van [verdachte] , pagina 31.

7 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 150 en 151.

8 Een bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 157.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 106.

10 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 16.

11 Een bijlage bij een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 180.

12 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 108.

13 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 109.

14 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 121.

15 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 122.

16 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 109

17 Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , pagina 110.

18 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , pagina 102 en 103.

19 Een bijlage bij een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 194.

20 Een bijlage bij een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Delta Lloyd Verzekeringen, pagina 174 en 185.

21 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , pagina 237.

22 Proces-verbaal van terechtzitting van 11 oktober 2019.