Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2019:4896

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
C/16/458663 / FA RK 18-2150
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatie, beoordeling financiële stukken onderneming, oordeel dat dividenduitkering mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/458663 / FA RK 18-2150

Beschikking van 10 oktober 2019

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.L.A. van Opstal,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat voorheen mr. T. Hermans, nu mr. I. Lieberwerth.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft op 24 april 2019 een beschikking gegeven tussen partijen. In deze beschikking is onder andere de echtscheiding uitgesproken en is de beslissing op het verzoek over de partneralimentatie aangehouden voor een reactie van de man op het verweer van de vrouw op dit punt.

1.2.

Nadien heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen en gelezen:

  • -

    het aanvullend verzoek met wijzigingsverzoek van de man, van 21 mei 2019;

  • -

    de brief met bijlagen 30 tot en met 40 van de vrouw, van 2 juli 2019;

  • -

    de brief van de man, van 30 juli 2019.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 24 april 2019.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De man verzoekt, bij gewijzigd verzoek van 21 mei 2019, een partneralimentatie vast te stellen van € 5.565,83 per maand, telkens bij vooruitbetaling te betalen.

3.2.

De vrouw voert verweer en concludeert dat het verzoek van de man moet worden afgewezen.

4. De beoordeling

Huwelijksgerelateerde behoefte

4.1.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte. De huwelijksgerelateerde behoefte is het bedrag dat de man nodig heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, uitgaande van het inkomen en het bestedingspatroon van partijen tijdens hun huwelijk. Partijen zijn het er over eens dat voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte aangesloten kan worden bij de zogenaamde Hof-norm. Met de Hof-norm wordt de behoefte berekend door uit te gaan van het netto inkomen van partijen samen tijdens het huwelijk (het netto gezinsinkomen) min de kosten voor de kinderen en van het overgebleven bedrag 60% te nemen. Voor de toepassing van deze norm dient de rechtbank dus eerst te bepalen wat het netto gezinsinkomen van partijen was voor het uiteengaan.

4.2.

De man becijfert dit netto gezinsinkomen op een bedrag van € 10.416,75. Bestaande uit een netto inkomen van de man van € 2.829,- per maand en een netto inkomen van de vrouw van € 7.587,75 per maand.

4.3.

De vrouw becijfert dit netto gezinsinkomen primair op een bedrag van € 6.529,42,-. Bestaande uit een netto inkomen van de man van € 2.829,- per maand en een netto inkomen van de vrouw van € 3.700,42 per maand. Subsidiair becijfert de vrouw het netto gezinsinkomen op € 7.022,33. Bestaande uit een netto inkomen van de man van € 2.829,- per maand en een netto inkomen van de vrouw van € 4.193,33 per maand.

4.4.

De rechtbank becijfert het netto gezinsinkomen op € 7.892,- per maand. Hieronder zal worden uitgelegd hoe de rechtbank op dit bedrag komt.

4.5.

Niet in geschil is dat het netto inkomen van de man tijdens het huwelijk € 2.829,- per maand bedroeg, zodat de rechtbank daarvan uit gaat.

4.6.

Geschilpunt is het inkomen van de vrouw. De vrouw is van mening dat er gekeken moet worden naar haar inkomen in 2017, omdat dit het laatste jaar is waarin partijen samen hebben geleefd. De man vindt dat er uitgegaan moet worden van een gemiddelde over meerdere jaren, omdat het inkomen van de vrouw fluctueert. De man gaat uit van een gemiddelde over de jaren 2014 tot en met 2017.

4.7.

De rechtbank vindt het redelijk om uit te gaan van een gemiddeld inkomen kijkend naar de jaren 2015 tot en met 2017. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat alleen het inkomen uit 2017 genomen moet worden, omdat de opnamen in rekening courant die de vrouw heeft gedaan de afgelopen jaren fluctueren. Alleen rekenen met het inkomen in 2017 zou dan geen reëel beeld geven van het inkomen van partijen gedurende het huwelijk. De rechtbank volgt ook de man niet in zijn standpunt dat het gemiddelde over de jaren 2014 tot en met 2017 genomen moet worden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het inkomen in 2014 niet representatief is voor het inkomen dat partijen gemiddeld genomen te besteden hadden. In 2014 heeft de vrouw namelijk een eenmalige dividenduitkering ontvangen van € 150.000,- bruto. Met dit bedrag is vervolgens een opgelopen rekening courant schuld afgelost en het overgebleven bedrag is in rekening courant geboekt als tegoed. Dit bedrag is dus bovendien niet aan het gezin besteed. Dit is door de man erkend. De rechtbank is van oordeel dat uitgaande van de laatste drie jaren van het samenzijn van partijen een reëel gemiddelde van het inkomen van de vrouw berekend kan worden.

4.8.

Voor de berekening van het inkomen van de vrouw in genoemde jaren gaat de rechtbank uit van de volgende uitgangspunten:

  • -

    het bruto jaarinkomen zoals dat volgt uit de salarisspecificaties van december 2015, december 2016 en december 2017;

  • -

    de opnamen in rekening courant die tussen partijen niet in geschil zijn:

o € 11.368,- in 2015

o € 25.150,- in 2016

o € 9.020,- in 2017

- de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zoals volgt uit de belastingaangiften van de vrouw in deze jaren.

Verder houdt de rechtbank geen rekening met het door de man gestelde en door de vrouw betwiste bedrag van € 389,60 per maand dat de vrouw zou ontvangen van [bedrijfsnaam] . Dat de vrouw deze inkomsten ontvangt is niet vast komen te staan.

Ook houdt de rechtbank geen rekening met de borgstellingsvergoeding. Zoals uit de door de vrouw overgelegde producties 36 en 37 volgt zijn de borgstellingsvergoedingen in 2015 en 2016 in mindering gekomen op de rekening courant schuld. De opnamen in rekening courant worden - zoals hierboven uitgeschreven - al meegenomen in de berekening. In 2017 is er geen borgstellingsvergoeding ontvangen door de vrouw.

4.9.

Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekeningen – het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in deze jaren op:

2015: € 4.698,- per maand

2016: € 5.912,- per maand

2017: € 4.579,- per maand

Het gemiddelde netto inkomen van de vrouw over deze jaren is dan € 5.063,- per maand.

4.10.

Het netto gezinsinkomen van partijen tijdens het huwelijk voor toepassing van de Hof-norm is dan (2829 + 5063 =) € 7.892,- per maand.

4.11.

De volgende stap in de toepassing van de Hof-norm is dat de kosten voor de kinderen in mindering worden gebracht op het netto gezinsinkomen. Het bedrag dat partijen tijdens het huwelijk besteedden aan de kinderen kon immers niet gebruikt worden voor de kosten van levensonderhoud van partijen zelf. De man brengt als kosten voor de kinderen € 1.420,- per maand in mindering op het netto gezinsinkomen. De vrouw een bedrag van € 1.448,- per maand. De rechtbank constateert dat de vrouw in het door haar genoemde bedrag is uitgegaan van de behoefte van de kinderen zoals opgenomen in het ouderschapsplan. Dit zijn de kosten voor de kinderen in 2019. Nu de behoefte van de man berekend wordt aan de hand van de inkomsten over 2015-2017 zal de rechtbank uitgaan van de kosten voor de kinderen in 2017 zoals door de man gesteld van € 1.420,- per maand.

4.12.

Na aftrek van de kosten van de kinderen resteert van het netto gezinsinkomen (€ 7.892) een bedrag van € 6.472,- per maand. De behoefte van de man wordt volgens de Hof-norm gesteld op 60% van dit bedrag. Dat is € 3.883,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2019 bedraagt de behoefte dan € 4.020,- per maand.

Aanvullende behoefte

4.13.

Partijen verschillen van mening in hoeverre de man zelf in de huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien en hoe hoog dus zijn aanvullende behoefte is.

4.14.

Niet in geschil is dat het huidige netto inkomen van de man € 2.917,- per maand is. De vrouw becijfert uitgaande van het huidige inkomen van de man dat hij met een dienstverband van 100% een inkomen van € 3.511,- per maand kan verdienen en stelt dat er met dit hogere inkomen rekening gehouden dient te worden. De rechtbank ziet daar geen aanleiding toe. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende gemotiveerd toegelicht dat er voor hem op dit moment geen mogelijkheden zijn om meer uren per week te werken. De man heeft sinds 1 oktober 2006, dus al 13 jaar, een dienstverband van 0,83 fte. Door de man is betwist dat hij dit zomaar kan omzetten naar een dienstverband van 100%. Zijn werkgever is daar niet mee akkoord. Bovendien kampt de man met gezondheidsklachten. Uit de door de man als productie 20 overgelegde salarisspecificaties blijkt dat hij in maart, april en mei 2019 zich meerdere dagen ziek heeft gemeld. De man stelt dat hij inmiddels een verwijzing naar het ziekenhuis heeft voor nader onderzoek.

4.15.

Uitgaande van het feitelijke inkomen van de man becijfert de rechtbank de aanvullende behoefte van de man op (4020 - 2917 =) € 1.103,- netto per maand, dat is € 2.044,- bruto per maand.

Draagkracht van de vrouw

4.16.

Vervolgens moet er gekeken worden in hoeverre de vrouw draagkracht heeft om in de behoefte van de man te voorzien. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw verwijst de rechtbank naar de aan deze beschikking gehechte berekening en de daarin vermelde gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop hierna ingaan.

Inkomen en dividend

4.17.

De rechtbank gaat uit van een bruto jaarinkomen van de vrouw van € 76.900,-. Dit was haar inkomen de afgelopen jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om - zoals de man stelt - de vrouw te verplichten om na de echtscheiding haar inkomen (aanzienlijk) te verhogen.

4.18.

De rechtbank ziet wel aanleiding om rekening te houden met een hogere dividenduitkering dan de vrouw stelt. De vrouw gaat uit van een dividenduitkering van
€ 20.000,- per jaar. De man is van mening dat een jaarlijkse dividenduitkering van € 200.000,- mogelijk is. De rechtbank rekent met een jaarlijkse dividenduitkering van € 40.000,-.
De rechtbank zal hieronder toelichten hoe zij tot dit bedrag komt.

4.19.

De rechtbank stelt voorop dat de vrouw heeft nagelaten om informatie te geven over de financiële situatie van haar onderneming in de nabije toekomst, zoals concept jaarstukken en/of prognoses. Dat de vrouw alleen informatie heeft gegeven over de jaren 2015 tot en met 2017 komt voor haar rekening en risico. Ook heeft de vrouw geen kasstroomoverzichten overgelegd zodat de rechtbank wat dat betreft geen informatie heeft. Uit de door de vrouw ingediende jaarstukken haalt de rechtbank de volgende informatie:

De winst is de afgelopen jaren flink toegenomen:

2014: € 210.000

2015: € 252.355

2016: € 409.552

2017: € 450.000

De liquide middelen zijn de afgelopen jaren flink gestegen:

2014: € 208.013

2015: € 325.742 (toename van 117.729)

2016: € 448.728 (toename van 122.986)

2017: € 616.837 (toename van 168.109)

Ook het eigen vermogen (de reserves) is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen:

2014: € 729.279

2015: € 963.635 (toename van 234.356)

2016: € 1.359.488 (toename van 395.853)

2017: € 1.841.046 (toename van 481.448)

Op de langlopende schulden is afgelost:

2014: € 1.567.610

2015: € 1.125.248 (afname van 442.362)

2016: € 819.826 (afname van 305.422)

2017: € 408.054 (afname van 411.772)

4.20.

Gelet op de hoogte van het eigen vermogen en de langlopende schulden in 2017 is de onderneming dus zeer solvabel. Ook volgt uit de jaarstukken dat het goed zit met de liquiditeit van de onderneming. De vlottende activa bedroegen in 2017 meer dan het dubbele van de kortlopende schulden.

4.21.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat rekening gehouden kan worden met een jaarlijkse dividenduitkering van (ten minste) € 40.000,- zonder dat de continuïteit van de onderneming van de vrouw in gevaar komt. De rechtbank merkt daarbij op dat gelet op bovengenoemde financiële informatie een hogere dividenduitkering dan € 40.000,- wellicht ook mogelijk zou zijn, maar zoals hierna zal blijken kan de vrouw met een dividenduitkering van € 40.000,- (en rekening houdende met haar lasten) in de behoefte van de man voorzien. Dat betekent dat de draagkracht van de vrouw niet de beperkende factor is en dat een hogere dividenduitkering niet nodig is.

Huur

4.22.

De rechtbank houdt rekening met de huur van de vrouw van € 2.075,- per maand. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat dit haar feitelijke huur is. In de beschikking van 24 april 2019 is aan de man het voortgezet gebruik van de voormalig echtelijke woning toegewezen voor een periode van zes maanden na inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Omdat er hoger beroep is ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking, kan die beschikking nog niet ingeschreven worden. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de genoemde huurlast voor de komende periode nog de woonlast van de vrouw is.

Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering

4.23.

De rechtbank houdt rekening met een premie van € 3.721,- per jaar, zoals volgt uit de belastingaangifte van de vrouw over 2017. Door de vrouw is verwezen naar haar aangifte inkomstenbelasting 2018 waaruit een premie van € 7.948,- volgt. Zonder een toelichting ziet de rechtbank echter geen aanleiding om rekening te houden met een meer dan verdubbelde premie ten opzichte van de afgelopen jaren.

Premie ziektekostenverzekering

4.24.

De rechtbank houdt rekening met een premie van € 116,- per maand en het eigen risico van € 32,- per maand. Dit is door de man niet betwist.

Kosten voor de kinderen

4.25.

De vrouw stelt dat [A (voornaam)] nu bij haar woont en een weekend per veertien dagen naar de man gaat. Door de man wordt dit betwist. De man verwijst naar de afspraken in het ouderschapsplan. Nu de rechtbank niet weet wat de feitelijke situatie op dit moment is gaat de rechtbank voor het bedrag aan kosten voor [A (voornaam)] uit van de situatie zoals is vastgelegd in het ouderschapsplan van partijen en de echtscheidingsbeschikking. Dit betekent dat rekening gehouden wordt met het bedrag aan kinderalimentatie van € 169,- per maand en een bedrag van € 422,- per maand (dat is 35% van de behoefte van [A (voornaam)] van € 724,-) aan kosten van verzorging van [A (voornaam)] in natura. In totaal dus een bedrag van € 591,- per maand. Met betrekking tot [B (voornaam)] , die studeert, stelt de vrouw dat zij de kosten volledig draagt. De vrouw houdt rekening met een bedrag van € 724,- per maand. Door de man wordt betwist dat de vrouw deze kosten maakt. De man kan ermee instemmen dat er rekening gehouden wordt met een bedrag van € 200,- per maand. Omdat de vrouw de door haar gestelde kosten niet heeft onderbouwd, houdt de rechtbank rekening met het bedrag van € 200,- per maand waar de man mee akkoord gaat.

Conclusie

4.26.

Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening – de draagkracht van de vrouw op een bedrag van € 2.045,- bruto per maand. Dit bedrag overstijgt de behoeftigheid van de man van € 2.044,- bruto per maand niet. De rechtbank zal dan ook een partneralimentatie vastleggen van € 2.044,- bruto per maand.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt de vrouw tot het betalen van € 2.044,- per maand aan de man als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud, met ingang van de dag na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te betalen;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. V.E.J.A. Heijckmann, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Vaart als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2019.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.